RECHTBANK ALMELO Parketnummer: 4706-03 STRAFVONNIS Uitspraak: 2-3-2004 De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1948, wonende te [woonplaats en adres] terechtstaande terzake dat: hij op of omstreeks 21 september 2003, te Goor, gemeente Hof van Twente, opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vrachtauto (trekker met oplegger) die [slachtoffer] (meermalen) overreden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; art 287 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 21 september 2003, te Goor, gemeente Hof van Twente, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, een parkeerterrein op industrieterrein 'De Haven', zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zijn voertuig in beweging te brengen en/althans daarmede te gaan - en/of te blijven (door)rijden -eerst enkele meters achteruit en vervolgens vooruit-, wetende dat een persoon, genaamd [slachtoffer] zich nabij (een van de voorwielen van) dat voertuig bevond, waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet; Gezien de stukken; Gelet op het onderzoek ter terechtzitting; Gehoord de vordering van de officier van justitie; Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd; De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging is bekomen dat verdachte het primair telastegelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met name is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor de opzet op levensberoving van het slachtoffer door verdachte. De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het subsidiair telastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 september 2003, te Goor, gemeente Hof van Twente, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, een parkeerterrein op industrieterrein 'De Haven', zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, zijn voertuig in beweging te brengen en daarmede te gaan - en te blijven rijden wetende dat een persoon, genaamd [slachtoffer] zich nabij een van de voorwielen van dat voertuig bevond, waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op, het misdrijf: "Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan het feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van die wet, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994; De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het primair telastegelegde feit, de doodslag, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren onvoorwaardelijk, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 jaren, en met afgifte van een bevel tot gevangenneming op het moment van de uitspraak. De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het subsidiair bewezen feit, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen: Verdachte heeft een ernstig 'schuldmisdrijf' begaan door met zijn zware vrachtwagencombinatie grovelijk onachtzaam en kennelijk onder invloed van alcoholhoudende drank zijnde, te gaan rijden. Daardoor is zijn op het parkeerterrein vlakbij de vrachtwagen liggende vriendin - die hij direkt daarvoor nog was gepasseerd en had moeten zien liggen - gedood. Hij heeft haar (wat er ook zij van haar eigen overmatig drankgebruik) een afschuwelijk levenseinde bezorgd doordat zij door het voorwiel van de zware vrachtwagen is overreden en over een afstand van ruim zestig meter door de vrachtwagen is meegesleept. Evident is dat het trieste gebeuren ook voor anderen een hoogst traumatische ervaring is geweest, zoals ter zitting nog eens bleek uit het getuigenverhoor. Verdachte is in het verdere verleden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.