RECHTBANK ALMELO Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Registratienummer: 04 / 28 WAO V1 A 05 / 79 WAO V1 A UITSPRAAK in het geschil tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), locatie Hengelo, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluiten Besluiten van verweerder d.d. 4 december 2003 en 4 januari 2004. 2. De feiten en het verloop van de procedure Eiser was werkzaam als medewerker in een bloemenwinkel. Wegens pijnklachten in enkels, knieën, heupen, polsen, ellebogen, schouders en hoofdpijn- en vermoeidheidsklachten heeft eiser zich op 28 januari 2002 ziek gemeld. Terzake van deze arbeidsongeschiktheid heeft eiser gedurende de maximale periode van 52 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 5 maart 2003 heeft verweerder besloten eiser een WAO-uitkering toe te kennen met ingangsdatum 27 januari 2003, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO is vastgesteld op 15-25%. Tegen dit besluit heeft eiser op 12 maart 2003 bezwaar gemaakt. Eiser is op 6 mei 2003 omtrent zijn bezwaren gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Eiser kan zich blijkens het beroepschrift van 9 januari 2004 niet met dit besluit verenigen. Verweerder heeft op 5 februari 2004 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 30 september 2004 heeft de rechtbank verweerder om inlichtingen verzocht. Hierop heeft verweerder bij brief van 26 oktober 2004 gereageerd met de mededeling dat, gelet op de arbeidsdeskundige rapportage van 11 oktober 2004 naar aanleiding van de vragen van de rechtbank, het bestreden besluit niet langer zal worden gehandhaafd en dat zo spoedig mogelijk zal worden overgegaan tot afgifte van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Bij brief van 8 november 2004 heeft eiser het beroepschrift nader aangevuld in de vorm van een reactie op de rapportage van 11 oktober 2004. Bij besluit van 4 januari 2005 heeft verweerder het bestreden besluit van 4 december 2003 gewijzigd in die zin dat eiser met ingang van 27 januari 2003 een WAO-uitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Bij brief van 10 februari 2005 heeft eiser gemotiveerd aangegeven dat met het gewijzigde besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan het ingestelde beroep. Met toepassing van het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht op het besluit van 4 januari 2005. Bij brief van 10 maart 2005 heeft de rechtbank verweerder om aanvullende inlichtingen verzocht. Bij brief van 1 april 2005 heeft verweerder hierop gereageerd middels de toezending van een arbeidsdeskundige rapportage van 31 maart 2005. Bij brief van 5 april 2005 heeft verweerder een aanvullende reactie gezonden. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 26 mei 2005, waar eiser is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.H. Harbers-Scholten. 3. Overwegingen In geschil is de vraag of de besluiten van 4 december 2003 en 4 januari 2005 in rechte in stand kunnen blijven. Juridisch kader Wat moet worden verstaan onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, is nader omschreven in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de betrokkene thans zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten hij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Om te beoordelen of verweerders besluit op goede gronden berust, dient te worden bezien of de medische mogelijkheden en beperkingen juist zijn vastgesteld en of er voor eiser nog arbeid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO is aan te wijzen, die hij met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen kan verrichten. Besluitvorming door verweerder In het onderhavige geval heeft B. Binnerts, verzekeringsarts, op 20 januari 2003 rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat eiser weinig krachten heeft in armen en benen en bij weerstandsproeven pijn rond de gewrichten heeft. Verder kan eiser geen fysiek zwaar werk doen. Langdurig staan en lopen is beperkt en repetitieve handelingen lukt maar kort. Eiser is sneller vermoeid en komt ’s morgens traag op gang. Daarnaast heeft eiser wat psychische beperkingen. Eiser wordt in staat geacht tot het verrichten van aangepaste arbeid. Op basis van deze conclusie is een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige A.A.B. Heller bekeken of er voldoende functies te duiden waren die eiser ondanks zijn beperkingen nog zou kunnen vervullen. Blijkens de rapportage van 16 februari 2003 is de arbeidsdeskundige van mening dat dergelijke arbeid inderdaad nog aanwijsbaar is. Eiser wordt geschikt geacht voor de uitoefening van de functies acquisiteur (advertenties, reclame)/ verkoper, inpakker (handmatig) en kassamedewerker/ caissière. Maar eiser dient theoretisch voor 15-25% arbeidsongeschikt te worden beschouwd in de zin van de WAO. Gelet op bovenstaande medische en arbeidskundige bevindingen heeft verweerder bij besluit van 16 februari 2003 besloten om eiser een WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 27 januari 2003 gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25%. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans. In zijn rapport van 26 mei 2003 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat niet bestreden wordt dat eiser fibromyalgie heeft en dat bij het beoordelen van de rechtstreekse gevolgen van ziekte of gebrek voor de arbeidsmogelijkheden is uitgegaan van de gestelde diagnose. Daarbij zijn de rechtstreekse gevolgen van de ziekte of gebrek voldoende onderkend. De gegenereerde medische feiten over de aandoening van eiser geven aan de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzicht om de rechtstreekse gevolgen daarvan in de zin der wet te beoordelen. Mitsdien wijzigt het verzekeringsgeneeskundig oordeel en de vastgestelde belastbaarheid van verzekerde niet. Bij het besluit van 4 december 2003 heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de bezwaarverzekeringsarts besloten het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren. In de rapportage van 11 oktober 2004 heeft bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee aangegeven dat de volgende niet-matchende items in de FML voorkomen: - handelingstempo, wel wat trager dan normaal; - specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid, ja, eiseres is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, kan niet flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud; - uren per dag, licht beperkt; - uren per week, licht beperkt. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat de functies 2082-0007-011, 2082-0007-013, 2271-0072-002, 6692-0024-003, 6528-1463-006 en 6528-1463-004 alsmede de functie met sbc code 111190 niet langer als passende arbeid kunnen worden beschouwd. Gelet hierop zijn nieuwe functies geduid, waarbij de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de functie met sbc code 111333 een nadere motivering heeft gegeven ten aanzien van de passendheid van de functie. Eiser wordt nu geschikt geacht voor de uitoefening van de functie van acquisiteur (advertenties, reclame)/ verkoper, telefonist/ receptionist en huishoudelijk medewerker. Hiermee zou eiser theoretisch nog 63% kunnen verdienen van het loon dat hij als medewerker in de bloemenwinkel kon verdienen. Bij het besluit van 4 januari 2004 heeft verweerder naar aanleiding van het advies van 11 oktober 2004 van de bezwaarverzekeringsarts besloten het bezwaarschrift van eiser alsnog gegrond te verklaren en het besluit van 4 december 2003 in zoverre te wijzigen dat eiser met ingang van 27 januari 2003 een WAO-uitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45 %. In de rapportage van 31 maart 2005 heeft bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee wederom aangegeven welke niet-matchende items zijn opgenomen. Aan de reeds in de rapportage van 11 oktober 2004 is toegevoegd: dominantie, rechts. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige gemotiveerd aangegeven dat de geduide functies voor zover sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid niettemin als passende arbeid worden beschouwd en dat er overigens geen overschrijdingen van de belastbaarheid of normaalwaarde is vastgesteld ten aanzien van matchende dan wel niet-matchende items. Standpunten van partijen In beroep heeft eiser aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts, evenals de arbeidsdeskundige blijk geven van onvoldoende inzicht inzake fibromyalgie. Eiser verzoekt om een herkeuring waarbij contact wordt opgenomen met de behandelende specialisten. Daarnaast dient verweerder kennis te nemen van de oorzaak en gevolgen van fibromyalgie door afgevaardigden van de nationale vereniging voor fibromyalgie of de reumastichting aanwezig te laten zijn bij de herkeuring dan wel bij de terechtzitting. Verder dient kennis genomen te worden van de Verklaring van Kopenhagen waarin fibromyalgie is vastgesteld als onderscheidende diagnose, sinds 1 januari 1993 van kracht. Eiser betwist dat, zoals door de bezwaarverzekeringsarts is overwogen, met ergonomische principes op de arbeidsplaats het langdurig aanspannen is te voorkomen. Eiser benadrukt dat verweerder foutief is uitgegaan van rsi-klachten. De door de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 11 oktober 2004 geduide functies zijn niet als passend te beschouwen en zullen zelfs tot verergering van het ziektebeeld leiden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit van 4 december 2003, zoals gewijzigd bij besluit van 4 januari 2005, de rechterlijke toets kan doorstaan. Er heeft zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden en de geduide functies zijn als passende arbeid te beschouwen, aldus verweerder. Overwegingen van de rechtbank over de medische aspecten In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, die als bijlage bij het besluit van 4 december 2003 is gevoegd, is gemotiveerd aangegeven ten aanzien van welke klachten van eiser wel beperkingen zijn aangenomen en ten aanzien van welke (claim)klachten van eiser geen beperkingen zijn aangenomen. Daarbij is uitgegaan van de diagnose fibromyalgie, zoals reeds expliciet blijkt uit de medische rapportage van 20 januari 2003. Daarnaast blijkt ook uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts expliciet dat verweerder is uitgegaan van de diagnose fibromyalgie. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder een FML heeft opgesteld, uitgaande van rsi-klachten van eiser. Uit de vastgestelde FML blijkt dat beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van onder meer hand- en vingergebruik, frequent reiken en buigen tijdens het werk, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen (tijdens het werk), klimmen, zitten (tijdens het werk), en staan (tijdens het werk). Hetgeen namens eiser in de gedingstukken en ter zitting is aangevoerd, heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat de beoordeling van zijn klachten op onzorgvuldige wijze is geschied, dan wel dat met zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. De rechtbank tekent bij dit laatste aan dat eiser ook in beroep geen objectief medisch onderbouwde informatie heeft ingebracht, op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de opgestelde FML. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Overwegingen van de rechtbank over de arbeidsdeskundige aspecten Op 9 november 2004 heeft de CRvB een aantal uitspraken (onder meer LJN AR 4716) gewezen waarin onder meer het zogeheten claimbeoordelings- en borgingssyteem (CBBS) als ondersteunend systeem bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten beoordeeld is. Kort samengevat heeft de CRvB geoordeeld dat het CBBS als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, rechtens aanvaardbaar is. Echter, de CRvB heeft ook een aantal bedenkingen geuit waar het betreft de inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van het systeem. De CRvB heeft hierbij onder meer het oog gehad op het gegeven dat in de FML de nummering van de belastbaarheidsaspecten niet overeenstemt met de nummering van de naar inhoud overeenkomende (matchende) items in de lijsten met de functiebelastinggegevens, het feit dat in het dossier geen signaleringen meer voorkomen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, alsmede het gegeven dat het CBBS naast matchende items, ook niet-matchende items kent die niet door het geautomatiseerde systeem worden vergeleken. De CRvB is van oordeel dat, zolang het CBBS niet is aangepast, hoge(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.