ECLI:NL:RBALM:2006:AY7494
vonnis RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 75019 / HA ZA 05-1169 Vonnis van 23 augustus 2006 in de zaak van de naamloze vennootschap BANK N.V., gevestigd te N, eiseres, procureur mr. A.D. Stellingwerf, tegen 1. J. Y, wonende te H, 2. K . Y, wonende te H, gedaagden, procureur mr. P. Benders.
Partijen zullen hierna Bank N.V. en Y c.s. genoemd worden.
De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit:
Ten slotte is vonnis bepaald.
Het geschil en de beoordeling In de hoofdzaak 1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen.
In casu is in beginsel oud erfrecht zoals dat gold voor de invoering van het nieuwe Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Evenwel heeft een groot aantal bepalingen van Titel 6, afdelingen 2 en 3 op grond van de overgangswetgeving onmiddellijke werking gekregen, dan wel dienen zij zo veel mogelijk worden toegepast op ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe Boek 4 nog niet afgewikkelde nalatenschappen. Voor zover in het oude recht sprake was van een afwijkende regeling zal de rechtbank dat hieronder aangeven.
Ten aanzien van de beneficiaire erfgenaam geldt voorts de regel, dat de rechtspositie van de erflater op hem overgaat. Beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap heeft uitsluitend tot gevolg, zulks in tegenstelling tot zuivere aanvaarding, dat het vermogen van de erflater niet met het vermogen van de erfgenaam wordt vermengd. De wetsvoorschriften betreffende de erfgenamen zijn mitsdien ook op een beneficiaire erfgenaam van toepassing, tenzij deze in strijd zijn met de bijzondere regels die betrekking hebben op de beneficiaire aanvaarding. Ten slotte dient in aanmerking te worden genomen dat de prestatie waarop Bank N.V. aanspraak maakt een deelbare prestatie is.
Bank N.V. heeft aanvankelijk haar vordering gebaseerd op de artikelen 1146 en 1147 BW (oud), althans artikel 4:182 lid 2 BW. Thans stelt Bank N.V., zo blijkt uit de akte uitlating eiseres, dat, nu er geen scheiding meer kan worden aangebracht tussen de goederen van de nalatenschap en het overige vermogen van de erfgenamen, zij gerechtigd is de erfgenamen rechtstreeks aan te spreken, voor zover nodig ook in hun privé-vermogen. Bank N.V. baseert haar vordering thans op de artikelen 1086 BW (oud) en 4:184 lid 2 BW.
Gelet op het feit dat voormelde artikelen een aansprakelijkheid met het eigen vermogen van een erfgenaam voor een (deel van) de schuld van de erflater in het leven roepen indien hij zich schuldig maakt aan bepaalde handelingen, is de rechtbank van oordeel dat in een dergelijk geval geen plaats is voor het in rechte betrekken van de overige erfgenamen, te minder indien die overige erfgenamen geen verwijt valt te maken cq. die erfgenamen niet bij die handelingen betrokken zijn. Gelet op het voorgaande is Bank N.V. in haar vordering ontvankelijk.
Ten behoeve van de comparitie van partijen heeft Bank N.V. een gewaarmerkt uittreksel uit haar administratie, alsmede het daaraan ten grondslag liggende rekeningoverzicht waarin de door Z opgenomen en betaalde bedragen zijn vermeld en waarin het kwijtgescholden bedrag eveneens is op genomen, overgelegd. Op grond van voormelde administratieve bescheiden komt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering na 27 november 2000 direct opeisbaar is geworden. Immers, op die datum heeft de laatste incasso plaatsgevonden die vervolgens is teruggeboekt. Reeds op grond van artikel 4:214, lid 3 BW, welk artikel op grond van artikel 137 Overgangswet (hierna: Ow NBW) overeenkomstig van toepassing is, is de verjaringstermijn van vijf jaar door aanmelding van de vordering bij brief van Bank N.V. aan F. ten Hoopen, zijnde de vereffenaar van de nalatenschap, d.d. 16 juli 2001 gestuit. Voorts is de verjaringstermijn voor zover het betreft de vordering ten aanzien van Y c.s. gestuit door dagvaarding in de onderhavige zaak op 21 november 2005.
Uit de brief van mr. D, notaris, d.d. 15 mei 2006 (akte overlegging stukken) is gebleken dat het thans praktisch niet meer mogelijk is de nalatenschap te vereffenen.
Mr. D, voornoemd schrijft naar aanleiding van het verzoek om de nalatenschap van Z alsnog af te wikkelen onder meer: “Naar aanleiding van dit verzoek is geprobeerd om te achterhalen hoe de samenstelling van de nalatenschap ten tijde van het overlijden, meer dan vijf jaar geleden, was. Aangezien mijn kantoor, ondanks advies om de nalatenschap via het notariskantoor af te laten wikkelen, daarbij niet betrokken is geweest, is die informatie niet bij mij bekend.
Wel staat een broer van erflaatster bij dat de baten van de nalatenschap destijds (net) voldoende waren om de schulden van de nalatenschap te voldoen.
De (inmiddels overleden) vader van erflaatster, de heer C. Z, heeft in eerste instantie de afwikkeling van de nalatenschap op zich genomen. Nadat de heer F. X het gezag over de kinderen herkreeg, is wijlen de heer Z opgeroepen om de gegevens aan de heer X af te geven. De heer Z heeft daarop op mijn kantoor een map gebracht, met daarin alle gegevens, zodat de heer X deze kon afhalen.
De betreffende map is daarop aan de heer X afgegeven aangezien deze de nalatenschap zelf wenste af te wikkelen, met een brief over de door hem als vertegenwoordiger van zijn kinderen te nemen stappen voor de afwikkeling, zoals het opstellen van een boedelbeschrijving en het afleggen van rekening en verantwoording.”
Mr. Derkman meldt tot slot dat de bewuste map en de overige gegevens door de heer F. X zijn weggedaan.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat vereffening van de nalatenschap van Z niet meer mogelijk is. De vraag is welke gevolgen hieraan dienen te worden verbonden.
In artikel 4:184, lid 2 BW, welk artikel onmiddellijke werking heeft, wordt onder meer bepaald dat een erfgenaam niet verplicht is een schuld uit de nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij de voldoening van de schuld verhindert en hem daarvan een verwijt valt te maken, dan wel opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers onttrekt of in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen tekort schiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Artikel 4:212 BW vestigt een afzonderlijke aansprakelijkheid voor dergelijk handelen door de wettelijke vertegenwoordiger. Uit de systematiek van de wetgeving leidt de rechtbank af dat artikel 4:184, lid 2 BW uitsluitend ziet op eigen handelen door de erfgenaam.
Gesteld, noch gebleken is dat Y c.s. zelf de voldoening van de schuld van erflaatster aan Bank N.V. hebben verhinderd en dat aan hun daar een verwijt van kan worden gemaakt. Ook het opzettelijk goederen uit de nalatenschap onttrekken aan het verhaal van de schuldeisers acht de rechtbank niet aannemelijk. De vereffening was immers door de wettelijke vertegenwoordiger ter hand genomen, zoals blijkt uit de verklaring van erfrecht en de voormelde brief van mr. Derkman.
Kortom, voor verhaal van de schuld van erflaatster op de vermogens van Y c.s. op grond van artikel 4:184, lid 2 BW is in casu geen plaats.
Partijen hebben zich omtrent de toepassing van dit artikel nog niet uitgelaten. Zij zullen derhalve in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte hier over uit te laten. Van Y c.s. wenst de rechtbank tevens een lijst te ontvangen, waarin alle roerende zaken die zij uit de nalatenschap van erflaatster hebben ontvangen worden vermeld, alsmede de waarde van die zaken ten tijde van het overlijden van erflaatster.
De beslissing De rechtbank In de hoofdzaak 1. Laat partijen toe zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen onder rechtsoverweging 10. is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.H.A. Moes en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 23 augustus 2006.?