RECHTBANK ALMELO Sector Civiel zaaknummers: 92360 ha za 08-278 en 92359 ha za 08-277 datum vonnis: 19 maart 2008 (mlj) Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de gevoegde zaken: met nummer 92360 ha za 08-278 van: 1. S, 2. B, beiden wonende te O, eisers in conventie, gedaagden in reconventie, verder in deze zaak te noemen: vader S (enkelvoud), procureur: mr. E.H. Hoeksma, tegen de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verder te noemen: Dexia, procureur: mr. J. Sleeswijk Visser. en met nummer 92359 ha za 08-277 van: 1. S, 2. S, (doch voorwaardelijk: namelijk indien in rechte komt vast te staan dat sprake is van contractsoverneming door eiser sub 2): beiden wonende te O, eisers in conventie, gedaagden in reconventie, verder respectievelijk te noemen: zoon S en vader S, procureur: mr. E.H. Hoeksma, tegen de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verder te noemen: Dexia, procureur: mr. J. Sleeswijk Visser. Het Procesverloop in beide zaken In conventie en in reconventie 1. Bij vonnis van deze rechtbank, sector Kanton, locatie Almelo, van 12 februari 2008 is in beide (door de kantonrechter gevoegde) zaken steeds zowel in conventie als in reconventie een onbevoegdverklaring uitgesproken en zijn de zaken zowel in conventie als in reconventie verwezen naar dezelfde rechtbank, sector civiel in de stand waarin deze zich toen bevond (te weten: steeds in staat van wijzen). 2. Voor een weergave van het procesverloop kan hier worden verwezen naar wat daarover onder 1. staat vermeld in dat vonnis van 12 februari 2008. In beide zaken hebben partijen na de verwijzing opnieuw vonnis gevraagd. Waarvan kan worden uitgegaan en de standpunten van partijen in beide zaken In conventie en in reconventie: 3. In het in beide zaken tussen partijen door deze rechtbank, sector kanton, op 12 februari 2008 gewezen tussenvonnis zijn in beide zaken onder 2. reeds de feiten vastgesteld waarvan steeds in conventie en in reconventie kan worden uitgegaan. 4. In meergenoemd vonnis van 12 februari 2008 is onder 3. beschreven wat in beide zaken in conventie en in reconventie wordt gevorderd en wat in beide zaken de standpunten van partijen zijn. De beoordeling in de zaak met nummer 92360 ha za 08-278 van: In conventie en in reconventie 5. De op 1 juli 1999 gesloten (en nadien in 2002 verlengde) overeenkomst WinstVerDriedubbelaar met contractnummer 74283646 (leasesom: € 9.337,86) staat tussen partijen vast, evenals het feit dat vader S daarop in totaal € 3.238,56 heeft voldaan, die overeenkomst tussentijds is geëindigd en de restschuld van € 2.729,23 niet door vader S is betaald. Gesteld noch gebleken is dat dividend is voldaan. Wet Consumenten krediet 6. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op overeenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK op deze overeenkomst WinstVerDriedubbelaar van toepassing nu geen sprake is van overschrijding (leasesom: € 9.337,86) van het hier voor de toepassing van de WCK in 1999 geldende “beschermingsplafond” van € 22.652,-- en evenmin van het later ten tijde van de verlenging geldende - verhoogde - beschermingsplafond. 7.1 In de Wet op het consumentenkrediet, die door de rechtbank ambtshalve is toe te passen, (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan elke overeenkomst en elk samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art.1 aanhef en sub a onder 1 WCK). 7.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia aan vader S een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover vader S periodiek rente diende te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie. 7.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet. 7.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van de aangeschafte aandelen van vader S, reeds omdat volgens de voorwaarden de tegenwaarde van de aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia aan vader S kan worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige. 7.5 De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem. 7.6 De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op. Naar haar oordeel dwingt ook richtlijnconforme interpretatie van artikel 1 WCK-oud tot toepasselijkheid van deze wet. Blijkens de tiende overweging van de considerans en artikel 14 leden 1 en 2 van de richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (hierna: de richtlijn) dient het begrip “kredietovereenkomst” in artikel 1 van de richtlijn ruim te worden geïnterpreteerd en dienen de beschermende bepalingen van de richtlijn strikt te worden toegepast. Het kan dan ook niet zo zijn dat de doelstelling van de richtlijn kan worden omzeild met een beroep op de rechtszekerheid, omdat Dexia met deze uitleg, gelet op doel en strekking en de bewoordingen van de richtlijn, rekening had moeten houden en ook de tekst van de WCK-oud de toepasselijkheid ervan op de onderhavige overeenkomst ook niet uitsluit. Zie Hof Justitie van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 2007, C-429/05, Celex 62005J0429. 7.7 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft. 7.8 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van één van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. 7.9 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument. 7.10 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van die overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende certificaten zijn “geleasd” (art. 3:41 BW). 7.11 De omstandigheid dat Dexia inmiddels per 1 januari 2006 een vergunning ex artikel 10 Wfd heeft verkregen repareert, anders dan Dexia stelt, niet de bij het afsluiten van de onderhavige overeenkomst ontbrekende vergunning ex artikel 9 WCK; de overgangsregeling van artikel 102 Wfd voorziet niet in de situatie dat die vergunning als zodanig ontbroken heeft. Gevolgen 8. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de rechtbank niet toekomt aan de nader gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor het in conventie gevorderde. 9. Gelet op voormelde conclusie dat deze overeenkomst WinstVerDriedubbelaar nietig is, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.