RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer: 102010 / HA ZA 09-515 datum vonnis: 28 april 2010 (
(1998)rekening houden met een vordering als de onderhavige. Bij dupliek voegt Eternit hieraan nog toe dat een onafhankelijke, door de provinciale overheid opgedragen TNO-meting in 1986 niet tot de conclusie heeft geleid dat er direct maatregelen tegen de aanwezigheid van asbestcementafval in het milieu dienden te worden genomen. Eternit kan hierin niet worden gevolgd. Het kan zo zijn dat directe actie niet geïndiceerd was, dat neemt niet weg dat al vele jaren eerder de gevaren van asbest zijn onderkend en de wetenschap over die gevaren al maar is voortgeschreden. Eternit had daarom rekening behoren te houden met een eventuele aansprakelijkstelling, ook van een derde aan wie asbestcementafval is uitgegeven ter verharding van zijn erf. Hiervoor is reeds overwogen dat op Eternit een bijzondere zorgplicht rustte ten aanzien van het uitgeven van asbestcementafval. In het verlengde daarvan had zij – door desondanks pas in 1974 te staken met de uitgifte – rekening moeten houden met aansprakelijkstellingen als gevolg van haar handelwijze. Voornoemd gezichtspunt kan derhalve niet in het voordeel van Eternit worden uitgelegd. 4.2.6. De vraag of Eternit nog een redelijke mogelijkheid heeft zich tegen een vordering te verweren is niet eenvoudig te beantwoorden. Immers, vaststaat dat de schadetoebrengende gebeurtenis ruim 40 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Niemand kan terug in de tijd; er rest slechts een beroep op het (feilbare) menselijk geheugen en eventuele stukken uit verouderde archieven. Dat Eternit uitgebreid verweer voert, doet hieraan niet af. Evenwel had Eternit rekening behoren te houden met aansprakelijkstellingen (mede gelet op het voortschrijdend inzicht over asbestgerelateerde ziektes zoals mesothelioom en de daarmee gepaard gaande lange(
- re)incubatietijden). Van Eternit mocht dan ook worden verwacht dat zij de gegevens die zij nodig achtte voor het voeren van een deugdelijk verweer, zou hebben bewaard. Voor zover dit niet het geval is, kan die omstandigheid niet aan [eiser] worden tegengeworpen. 4.2.7. De rechtbank stelt vast dat de aansprakelijkheid van Eternit niet is gedekt door een verzekering. Bovendien is voldoende aannemelijk geworden dat deze omstandigheid niet een eigen vrijwillige keuze van Eternit is geweest, maar meer is veroorzaakt door de omstandigheid dat aansprakelijkstellingen als de onderhavige na 1991 niet meer verzekerd kon worden. Eternit heeft haar verweer op dit punt voldoende onderbouwd gemotiveerd, zodat geen plaats is voor een nadere bewijsopdracht, eventueel met inachtneming van het bepaalde in artikel 843a Rv. Dat als gevolg van het niet verzekerd zijn aan de zijde van Eternit enige vergoeding van schade door Eternit voor haar eigen rekening c.q. ten laste van haar eigen vermogen komt, spreekt voor zich maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet bij dit gezichtspunt worden betrokken. Niet vergeten moet immers worden dat Eternit zich, doordat zij zich niet (meer) kon verzekeren, aanzienlijke verzekeringspremies kon besparen. Daarmee komt aan dit gezichtspunt weinig gewicht toe, de vraag in hoeverre er nog aanspraak gemaakt kan worden op een verzekering is naar het oordeel van de rechtbank weinig relevant; Eternit had de verzekeringspremies immers ook in eigen beheer kunnen reserveren voor aanspraken als die in casu. 4.2.8. Tenslotte dient gezichtspunt
- g)nog te worden besproken. In beginsel dient naar het oordeel van de rechtbank een periode van zes maanden nadat de schade aan het licht is gekomen, te worden gehanteerd als zijnde een redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient plaats te vinden en een vordering tot schadevergoeding moet zijn ingesteld. De diagnose mesothelioom is op 11 februari 2008 gesteld door de longarts van wijlen mevrouw [eiseres sub 1]. Aan het einde van die maand is de diagnose bevestigd door het Nederlands Mesotheliomen Panel. Eternit heeft niet betwist dat zij op 4 juli 2008 door [eiser] aansprakelijk is gesteld voor de schade. Op 8 oktober 2008 heeft [eiseres sub 1] Eternit gedagvaard in kort geding. De periode van zes maanden is daarmee weliswaar overschreden met een maand, maar al met al heeft [eiseres sub 1] – mede gelet op het feit dat haar een zeer ernstige ziekte ten deel is gevallen – met bekwame spoed gehandeld. De rechtbank overweegt dat ook het instellen van een vordering in kort geding kan worden beschouwd als een vordering tot schadevergoeding. Weliswaar is – wegens het bestek van een kort geding – een voorschot op de schadevergoeding gevorderd, maar evengoed diende in kort geding te worden geoordeeld over de aansprakelijkheidsvraag. Daar komt nog bij dat de periode van zes maanden geen ijzeren wet is en in ieder geval op dit moment nog niet algemeen aanvaard binnen de rechtspraak. Binnen een redelijke termijn heeft derhalve aansprakelijkstelling plaatsgevonden en is een vordering tot schadevergoeding ingesteld. Dit laatste gezichtspunt dient derhalve in het voordeel van [eiseres sub 1] te worden uitgelegd. 4.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat [eiseres sub 1] haar vordering op Eternit tijdig heeft ingesteld, dat Eternit rekening heeft behoren te houden met de mogelijkheid dat zij aansprakelijk zou worden gesteld en nog een voldoende mogelijkheid heeft om zich te verweren, maar dat zij geen dekking heeft uit hoofde van een verzekering. Voorts heeft [eiseres sub 1] een (voorwaardelijke) uitkering ontvangen en bestaat haar schade slechts uit immateriële schade. Eternit heeft voorts niet gewaarschuwd voor de gezondheidsrisico’s bij de uitgifte van asbestcementafval. Alles overziende en afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van Eternit op verjaring van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is te achten. Immers, uitgangspunt is dat de vordering van [eiseres sub 1] is verjaard. De termijn van 30 jaar is absoluut en slechts in bijzondere omstandigheden kan aan het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de rechtszekerheid worden getornd. Daarvoor moet dan echter wel voldoende aanleiding bestaan. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gezichtspunten a),
- b)en
- c)dienen in overwegende mate in het voordeel van Eternit te worden uitgelegd en die wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de overige gezichtspunten. In de eerste plaats de schade zijdens [eiseres sub 1]. Zelf heeft zij door haar overlijden geen baat meer bij een schadevergoeding. Slechts haar nabestaanden zouden hierbij baat hebben. Bovendien is er reeds een uitkering uit anderen hoofde verstrekt geworden. Dat heeft zwaar te wegen, te meer nu de omstandigheid dat [eiser] een hogere schadevergoeding vordert en Eternit zich over de hoogte hiervan niet heeft uitgelaten niet van belang is en bij de beoordeling niet kan worden betrokken. Bovendien staat niet vast dat Eternit een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft inderdaad niet gewaarschuwd, maar mocht er redelijkerwijs wel vanuit gaan dat het asbestcementafval zou worden afgedekt, niet in de laatste plaats omdat asbestcementafval enorm stuift, zoals ook [eiser sub 3] verklaard heeft. Daar komt nog bij dat in het kader van deze procedure niet vast is komen te staan dat [eiseres sub 1] zelf bij het verwerken van het afval op het erf (dat toch de meeste blootstelling oplevert) aanwezig is geweest en in welke mate zij is blootgesteld aan de asbestvezels. Het verzekeringsaspect kan voorts noch in het voordeel van [eiser], noch in het voordeel van Eternit worden uitgelegd. De weging van dit gezichtspunt is neutraal. Dat Eternit rekening moest houden met een aansprakelijkstelling, zich nog steeds kan verweren en [eiseres sub 1] met bekwame spoed Eternit aansprakelijk heeft gesteld en haar vordering heeft ingesteld, kan niet opwegen tegen de beoordeling van de gezichtspunten die in het voordeel van Eternit moeten worden uitgelegd. De vorderingen 4.4. Om die reden dient de vordering tot (im)materiële schadevergoeding aan de zijde van wijlen mevrouw [eiseres sub 1] te worden afgewezen, omdat het beroep van Eternit op verjaring slaagt. [Eiser] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De beslissing De rechtbank: I. wijst de vorderingen van [eiser] af. II. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van Eternit begroot op € 1.320,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris van de advocaat. Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 28 april 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.