Rechtbank Almelo – ECLI:NL:RBALM:2010:BN4512
RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer: 113051 / KG ZA 10-177 datum vonnis: 9 augustus 2010 (l.) Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:
3.2 [Eiser sub 1 c.s.] voert hiertoe aan dat het ingestelde verzet tegen het dwangbevel op grond van artikel 5:26 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) schorsende werking ten aanzien van de tenuitvoerlegging heeft. Op grond van artikel 5:26 lid 4 Awb had de gemeente, nadat verzet was ingesteld, geen enkele handeling van executie meer mogen verrichten. De gemeente had niet meer tot de inschrijving in de openbare registers en de overbetekening van de beslaglegging mogen laten komen. Door het ingestelde verzet en de schorsende werking hiervan, kon de beslaglegging niet voltooid worden en is het executoriale beslag in zijn geheel onrechtmatig wegens strijd met de wet.
3.3 Daarnaast stelt [eiser sub 1 c.s.] dat overbetekening buiten de in artikel 505 Rv bedoelde termijn nietigheid met zich mee brengt. Tot slot voert [eiser sub 1 c.s.] aan dat de gemeente geen rechtens te respecteren belang bij het beslag op de recreatiewoning heeft, omdat zij ten aanzien van dezelfde vordering van € 25.000,00 in hoofdsom een bankbeslag heeft gelegd, waarbij op ruim € 160.000,00 beslag is gelegd. De gemeente heeft geen belang bij het dubbele beslag. De handelwijze van de gemeente is in strijd met de wet en is onrechtmatig jegens [eiser sub 1 c.s.] Standpunt gemeente 3.4 De gemeente voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer zal – voor zover nodig – hierna worden in gegaan.
4.2 De gemeente brengt hier tegen in dat het beslag op onroerende zaken tot stand komt door het opstellen en ondertekenen van het proces-verbaal van inbeslagneming door de deurwaarder en dat alleen deze handeling de executiehandeling betreft. Dit vond plaats vóórdat de verzetdagvaarding werd betekend. De overbetekening is niet aan te merken als executiehandeling. De schorsende werking van het verzet staat dan ook niet in de weg aan overbetekening.
4.3 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Beslag op onroerende zaken geschiedt volgens artikel 504 Rv door het opstellen door de deurwaarder van het proces-verbaal van inbeslagneming. Het proces-verbaal moet ingevolge artikel 505 Rv in de openbare registers worden ingeschreven en een afschrift van het proces-verbaal moet binnen drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde worden betekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door het opstellen door de deurwaarder van het proces-verbaal van inbeslagneming, de beslaglegging als executiehandeling is voltooid. Overige handelingen, zoals inschrijving in de openbare registers of het betekenen van het proces-verbaal, zijn slechts handelingen die de bekendheid met het beslag moeten bewerkstelligen en zijn niet te kwalificeren als executiehandelingen. Het inschrijven of betekenen van het proces-verbaal van inbeslagneming is dan ook niet strijdig met de schorsende werking van artikel 5:26 lid 4 Awb.
4.4 [Eiser sub 1 c.s.] stelt voorts dat overbetekening buiten de in artikel 505 Rv bedoelde termijn nietigheid met zich mee brengt. De gemeente stelt dat overbetekening tijdig heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser sub 1 c.s.] onvoldoende gesteld. [eiser sub 1 c.s.] heeft immers niet gesteld dat en waarom de betekening buiten de in artikel 505 Rv bedoelde termijn plaats zou hebben gehad. Ook op deze grond kan de vordering van [eiser sub 1 c.s.] niet slagen.
4.5 Tot slot stelt [eiser sub 1 c.s.] dat de gemeente geen belang heeft bij het beslag op de onroerende zaak, omdat de gemeente al beslag heeft gelegd op de bankrekeningen van [eiser sub 1 c.s.], waardoor op ruim € 160.000,00 beslag is gelegd. De gemeente voert aan dat het haar ingevolge artikel 435 Rv vrij staat om beslag te leggen op het gehele vermogen van [eiser sub 1 c.s.] Bovendien biedt het beslag op de bankrekeningen (nog) geen voldoende zekerheid voor de vorderingen van de gemeente, nu [eiser sub 1 c.s.] op dit moment in rechte tracht om dit beslag opgeheven te krijgen. De voorzieningenrechter volgt de gemeente in haar standpunt. Nu [eiser sub 1 c.s.] tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 juni 2010 in hoger beroep is gegaan, bestaat de mogelijkheid dat het beslag op de bankrekeningen wordt opgeheven. Dit brengt mee dat de gemeente voor de executie van het dwangbevel nog steeds belang heeft bij het beslag op de recreatiewoning.
4.6 Gelet op het voorgaande dient de vordering van [eiser sub 1 c.s.] tot opheffing van het beslag op de onroerende zaak te worden afgewezen.
4.7 [Eiser sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.
I. wijst de vordering af;
II. veroordeelt [eiser sub 1 c.s.] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 263,00 aan verschotten en € 527,00 aan salaris van de advocaat;
III. verklaart onderdeel II. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.