vonnis RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 119029 / KG ZA 11-62 Vonnis in kort geding van 29 maart 2011 (
(1964)moet de bij de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling worden uitgelegd tegen de achtergrond van het oud BW. 4.5. [eiser] heeft gesteld dat de gang moet worden aangemerkt als een mandelige zaak. De voorzieningenrechter begrijpt de stelling van [eiser], in het licht van de naar oud BW geldende wetteksten, aldus dat hij heeft bedoeld te stellen dat er sprake is van een buurweg. Voor het ontstaan van een buurweg is in de eerste plaats vereist het gemeenschappelijk gebruik van de weg door twee of meer buren, van wie één de eigenaar kan zijn. Voorts is voor het ontstaan van een buurweg, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, nodig dat het gemeenschappelijk gebruik zijn grondslag vindt in een (subjectieve) bestemmingshandeling hetzij van de eigenaar van de weg (of een daarmee gelijk gestelde zakelijk gerechtigde), hetzij van de gezamenlijke buren onder wie de eigenaar (of daarmee gelijk gestelde zakelijk gerechtigde). Een uitdrukkelijke bestemming hoeft niet te blijken uit een akte die in de openbare registers wordt overgeschreven; een stilzwijgende bestemming kan uit gedragingen van de eigenaar afgeleid worden. 4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gang tussen de percelen [adres] 364 en 366 moet worden aangemerkt als een buurweg. Zowel [gedaagde] als [X] kunnen, om te voet te komen van en te gaan naar de openbare weg aan de [adres], gebruik maken van de gehele breedte (van de lengte) van de gang tussen hun percelen. Vast staat voorts in dit geding dat zowel [gedaagde] als [X] en hun rechtsvoorgangers al jaren gebruik maken van de gehele gang. Gelet op de aard van de gang (de gang is drie stoeptegels breed!), kan ook geen ander gebruik dan als zodanig worden afgeleid. De (gehele) gang is bestemd tot buurweg voor [gedaagde] en [X] en vormt nu de helft van de gang in eigendom toebehoort aan perceel 364 (thans [gedaagde]) en de helft daarvan aan perceel 366 (thans) [X] een mandelige zaak. Dat betekent in juridische zin dat het onverdeelde aandeel in de gang van zowel [gedaagde] als van [X] zodanig verbonden zijn met elkaar, dat deze niet afzonderlijk kunnen bestaan. 4.7. Gelet op het voorgaande dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de partijbedoeling zoals die blijkt uit de in de akte van 12 maart 1964 gebruikte bewoordingen, en dan met name de bewoordingen ‘op de bestaande wijze’, aldus te worden uitgelegd dat beoogd werd om voor het perceel van (thans) [eiser] een mogelijkheid te creëren om te voet te komen en te gaan naar de openbare straat via de strook grond van zowel (thans) [X] als (thans) [gedaagde] en derhalve over de gehele breedte van de (lengte van
- de)gang tussen de percelen [adres] 366 en 364. De erfdienstbaarheid zou bovendien, indien deze enkel de helft van de breedte van de gang zou omvatten, de vraag doen rijzen welk voordeel de erfdienstbaarheid voor de eigenaar van het heersende erf zou opleveren en voorts hoe die erfdienstbaarheid, gelet op de plaatstelijke gesteldheid, praktisch zou kunnen worden uitgeoefend. Voorshands concludeert de voorzieningenrechter dan ook dat de erfdienstbaarheid zoals deze gevestigd is, het gebruik omvat om over de gehele breedte van de (lengte van
- de)gang van en naar de openbare weg de [adres] te gaan. Dat gebruik impliceert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mede de doorvoer van de vuilniscontainer en de fiets. De door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat de eigenaar van het perceel aan de [adres] 368 (thans [eiser]) al 45 jaar een uitweg naar de Van Leeuwenhoekstraat heeft, wat overigens door [eiser] gemotiveerd is betwist, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. 4.8. [gedaagde] dient de erfdienstbaarheid van voetpad van [eiser] te respecteren in die zin dat hij het recht van [eiser] om te komen van en te gaan naar de openbare weg door de gang tussen de percelen [adres] 364 en 366, niet mag belemmeren. Het door [gedaagde] geplaatste metalen frame belemmert [eiser] in de uitoefening van zijn recht van voetpad. De vordering tot verwijdering van het metalen frame zal daarom worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal hieraan een termijn verbinden van twee dagen na betekening van dit vonnis. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat [gedaagde] ter zitting herhaaldelijk heeft verklaard het metalen frame niet te (willen) verwijderen, voldoende aanleiding om een dwangsom op te leggen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd zoals hierna onder 5.1. staat vermeld. 4.9. [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 90,81 - vast recht € 258,00 - salaris advocaat € 816,00 Totaal € 1.164,81. 5. De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen van betekening van dit vonnis, het metalen frame, alsmede iedere andere zaak die de vrije doorgang in de gang tussen de percelen [adres] 366 en 364 te [plaats] belemmert, in de gang tussen de percelen [adres] 366 en 364 te [plaats] te verwijderen en uit de gang verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,= (vijftig euro) per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen en zulks tot een maximum van € 5.000,= (vijfduizend euro); 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.164,81; 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken te Almelo op 29 maart 2011.?