RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer: 122722 HA ZA 2011-611 datum vonnis: 11 januari 2012 (mljk) Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van: de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., statutair gevestigd te Amsterdam, eiseres tot verificatie, hierna ook te noemen: de bank, advocaat: mr. T.T. van Zanten te Amsterdam, en 1. [gedaagde sub 1], 2. [gedaagde sub 2], beiden wonende de [woonplaats], [land], verweerders tot verificatie, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden], advocaat: mr. M.D. Kalmijn te Leeuwarden. De weergave van het procesverloop 1. Het procesverloop blijkt uit de volgende achtereenvolgens in het geding gebrachte processtukken: - de conclusie van eis tot verificatie van de zijde van de bank van 26 oktober 2011; - de akte van de zijde van [gedaagden] van 23 november 2011; - de akte uitlating producties van de zijde van de bank van 21 december 2011. 2. Daarna is vonnis gevraagd waarvan de uitspraak bij vervroeging is bepaald op heden. Waarvan kan worden uitgegaan 3. Op 30 juni 2011 is bij deze rechtbank het verzoek ingekomen van de bank tot benoeming van een rechter-commissaris in een rangregeling. Op 4 juli 2011 is door de voorzieningenrechter in deze rechtbank mr. A.E. Zweers tot rechter-commissaris benoemd, te wiens overstaan de verdeling van de verkoopopbrengst van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] – ten laste van [gedaagden] – zal plaatsvinden. Bij beschikking van genoemde rechter-commissaris van 25 juli 2011 is in dat kader de door de wet voorgeschreven staat van verdeling in de rangregeling vastgesteld. Die staat van verdeling luidt: “De opbrengst van de executoriale verkoop van de onroerende zaak gelegen aan de [adres]te [plaats], ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats, land, adres], behoort als volgt te worden verdeeld: ABN AMRO Bank N.V. € 950.000,00 in mindering op haar door hypotheek gedekte vordering ad € 1.471.467,39.” 4. Ter zitting op 15 augustus 2011 is ten overstaan van genoemde rechter-commissaris door [gedaagden] tegenspraak gedaan tegen de hiervoor aangehaalde staat van verdeling. De bank is bij die zitting niet verschenen. Daarop is deze zaak door de rechter-commissaris verwezen naar de terechtzitting van deze rechtbank (renvooiprocedure), waarop aansluitend door partijen is geprocedeerd zoals hierboven bij de weergave van het procesverloop is weergegeven. De standpunten van partijen 5. De tegenspraak van [gedaagden] luidt samengevat aldus: - de bank is bij herhaling - en ook thans - niet in staat gebleken de hoogte te onderbouwen van door haar gestelde vordering op [gedaagden] ten bedrage van € 1.471.467,39 exclusief rente en kosten. Het juiste mede daarom is geweest dat partijen op 18 maart 2010 de na te noemen vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan; - uit de naar zeggen van [gedaagden] nog steeds tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst van de bank en [gedaagde sub 1] (bijlage 5 bij de akte van [gedaagden]) volgt dat de bank tegen finale kwijting € 950.000,- toekomt (minus de kosten van de notaris). 6. Door de bank is gepersisteerd bij haar stellingname dat zij het bestaan van haar vordering op [gedaagden] ten bedrage van € 1.471.467,39 exclusief rente en kosten afdoende heeft aangetoond en dat haar vordering is gesecureerd door de hypotheekrechten zoals aangeduid in de conclusie van eis. Aan de vaststellingsovereenkomst van 18 maart 2010 zijn partijen naar zeggen van de bank niet meer gebonden, omdat aan hetgeen daarin in de artikelen 1 en 9 als voorwaarde is gesteld, niet is voldaan. [Gedaagden] zijn dan ook nog steeds de volledige vordering verschuldigd aan de bank. Het belang van die vaststellingsovereenkomst voor deze procedure is gering. De verkoopopbrengst van de woonboerderij bedraagt immers € 950.000,-, welk bedrag de bank dus in ieder geval toekomt na aftrek van kosten, ook als de vaststellings-overeenkomst nog wel van kracht zou zijn tussen partijen. De beoordeling van het geschil 7. Aan de orde is hier de gerechtelijke rangregeling van artikel 3:271 lid 1 BW. Duidelijk is dat partijen in dat kader belanghebbenden zijn. Uit de tekst van genoemd artikel blijkt dat - nadat de koopprijs reeds is betaald en zich in handen bevindt van de notaris - deze rangregeling alleen tot doel kan hebben “om tot verdeling van de opbrengst te komen (…)”. Voor meer en andere doelen is deze rangregelingsprocedure dus niet bedoeld. 8. Tussen partijen staat vast dat de verkoopopbrengst van de betreffende onroerende za(a)k(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.