Sector civiel recht zaaknummer: 112434 ha za 651 van 2010 datum vonnis: 25 januari 2012 (jj.) Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, verder te noemen: [eiseres], advocaat: mr. M.J.E.C. Camps te Enschede, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van de vennootschap naar Tsjechisch recht: verzekeraar Ceská Pojištovna, gedaagde, verder te noemen: [gedaagde sub 1], advocaat: mr. G.J. de Lange te Voorburg. 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn, gedaagde, verder te noemen: Achmea, advocaat: mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn. Gezamenlijk te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. Het procesverloop Op 29 september 2010 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 30 november 2010; - conclusie van repliek met producties; - conclusie van dupliek zijdens [gedaagde sub 1] met producties; - conclusie van dupliek zijdens Achmea; - akte van de zijde van [eiseres] met producties; - antwoordakte uitlaten producties zijdens [gedaagde sub 1]; - antwoordakte van de zijde van Achmea. Partijen hebben vonnis gevraagd. De uitspraak is bepaald op heden. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing. 1. De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist. 2. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast. - Op 16 juli 2008 heeft ter hoogte van Kreis Steinfurt (Duitsland) een aanrijding plaats gevonden tussen een vrachtauto en een personenauto; - De vrachtauto met het Tsjechische kenteken [XXXX] kwam in botsing met de auto waarin [eiseres] als passagier aanwezig was; - Op 27 januari 2009 heeft in de buurt van Hengelo op de A1 een aanrijding plaatsgevonden tussen een door [eiseres] bestuurde de auto met kenteken [XXXX] en een personenauto met kenteken [XXXX]; - Achmea heeft een voorschot ad € 5.000,-- aan [eiseres] betaald; - Ook heeft Achmea een bedrag van € 3.385,59 aan kosten vergoed. 3. [Eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, op grond van onrechtmatige daad: a. Te bepalen dat, naar geldend Europees recht en internationaal conflictenrecht IPR, Nederlands recht in beide onderhavige gevallen van toepassing is op de schadeafwikkeling en te bepalen dat de Nederlandse rechter rechtsbevoegd is te oordelen in beide casussen en subsidiair anderszins te bepalen als de rechtbank in goede justitie zal doen; b. [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot hoofdelijke aansprakelijkheid en [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen, des dat als de een betaalt, de ander zal zijn gekweten, om aan [eiseres] tegen finale kwijting te betalen alle door haar geleden en te lijden schade die in causaal verband staat met de ongevallen van 16 juli 2008 en 27 januari 2009; c. De schade voor zover mogelijk bij begroting vast te stellen, dan wel nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; d. Te bepalen dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door [gedaagde sub 1] c.s. wordt verstrekt ter meerdere zekerheid van het slachtoffer voor eventuele fiscale navorderingen; e. [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen bij eventueel tussenvonnis tot betaling van een algemeen voorschot op de schade van € 25.000,--, althans enig bedrag dat de rechtbank redelijk acht; f. [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle toegewezen schadeposten vanaf de datum van het ongeval d.d. 16 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening; g. [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten. 4. [Eiseres] doet haar vorderingen steunen op de in rechtsoverweging 2 weergegeven feiten. Daarnaast stelt [eiseres] het volgende. [Eiseres] was voor het ongeval gezond. Na het ongeval heeft zij gebitsproblemen en post traumatisch whiplashletsel met een chronisch pijnsyndroom. Verder heeft zij last van cognitieve stoornissen. De hoofdpijn en nekpijn van [eiseres] zijn duidelijk gerelateerd aan belasting. De AOV-verzekeraar (Movir) acht [eiseres] thans beperkt belastbaar. [Eiseres] was vanaf 1999 lange tijd 80-100% arbeidsongeschikt. Ook de verzekeringsgeneeskundige (VG) en de arbeidsdeskundige (AD) achtten [eiseres] tot 1 april 2009 80-100% arbeidsongeschikt. De VG en de AD achten [eiseres] vanaf 1 april 2009 voor 75%, vanaf 14 mei 2009 60%, vanaf 1 juli 2009 50% en vanaf 1 januari 2010 nog 40% arbeidsongeschikt. [Eiseres] heeft thans een gedeeltelijke AOV-uitkering en werkt voor 60%. De voorbereidingen voor het opzetten van een privé sportkliniek zijn voorlopig op een laag pitje gezet. [Eiseres] is verminderd belastbaar, hetgeen uit de diverse medische dossiers blijkt. 5. [Gedaagde sub 1] heeft gesteld dat zij door de Tsjechische verzekeraar Ceská Pojištovna is aangewezen haar in Nederland te vertegenwoordigen. Ceská Pojištovna is de WAM-assuradeur met betrekking tot de aanrijding die op 16 juli 2008 heeft plaatsgevonden. [Gedaagde sub 1] stelt dat vertegenwoordiging van de WAM-verzekeraar niet meebrengt dat zij in rechte kan worden betrokken. [Gedaagde sub 1] wenst daarom niet met een executoriale titel te worden geconfronteerd. [Eiseres] heeft in punt 1 van haar conclusie van repliek gesteld dat [gedaagde sub 1] ter comparitie heeft verklaard geen verder verweer te willen voeren tegen de ontvankelijkheid van [eiseres] om in Nederland tegen de Tsjechische verzekeraar te kunnen procederen, mits de tenaamstelling wordt gewijzigd in Ceská Pojištovna als procespartij die in deze zaak wordt vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1]. Aangezien [eiseres] in haar conclusie van repliek de tenaamstelling van de gedaagde heeft gewijzigd overeenkomstig de suggestie van [gedaagde sub 1], heeft laatstgenoemde in punt 1 van haar conclusie van dupliek, kort gezegd, gesteld dat zij de aanpassing van [eiseres] niet zal betwisten. Gezien het hiervoor overwogene, is de rechtbank met [gedaagde sub 1] van oordeel dat waar [gedaagde sub 1] wordt vermeld, gelezen moet worden: [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van Ceská Pojištovna. 6. Met betrekking tot haar bevoegdheid van het geschil kennis te nemen, overweegt de rechtbank het volgende. Het eerste ongeval heeft op 16 juli 2008 plaatsgevonden in Duitsland. [Eiseres] was als passagier aanwezig in de auto die op die datum bij het ongeval was betrokken. De vrachtauto die bij het ongeval was betrokken, was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij de Tsjechische verzekeraar Ceská Pojištovna. [Eiseres] stelt dat zij ten gevolge van het ongeval schade heeft geleden. Ter vordering van de gestelde schade heeft zij de Tsjechische verzekeraar Ceská Pojištovna in rechte betrokken door middel van het dagvaarden van haar gevolmachtigde in Nederland. Vaststaat dat de verzekeraar Ceská Pojištovna is gevestigd en kantoorhoudende te Praag en dat Tsjechië evenals Nederland, één der lidstaten van de Europese Unie is. Onbetwist is ook dat [eiseres] in het arrondissement Almelo woont. Op grond van de verwijzing in artikel 11 lid 2 naar artikel 9 lid 1 sub b van verordening (EG) nr. 44/2001 (Brussel I) en omdat is gebleken dat volgens de Tsjechische wet een directe actie niet onmogelijk is, is de rechtbank bevoegd van dit (deel van het) geschil kennis te nemen. Vaststaat dat het tweede ongeval op 27 januari 2009 heeft plaatsgevonden op de A1 in de buurt van Hengelo. [Eiseres] stelt dat zij tengevolge van dit ongeval schade heeft geleden. Aangezien de plaats van het ongeval is gelegen in het arrondissement Almelo, is de rechtbank op grond van artikel 102 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van (dit deel van) het geschil kennis te nemen. 7.1 [Eiseres] stelt dat op beide ongevallen het Nederlandse recht van toepassing is, omdat de lex loci damni ex artikel 4 lid 1 Rome II geldt. Ook naar Duits recht, zo stelt [eiseres], kon door het slachtoffer vóór Rome II gekozen worden voor de lex loci damni. Bovendien is uit hoofde van artikel 20 Rome II op deze zaak Nederlands recht van toepassing, omdat Achmea de autoschade van [eiseres] reeds heeft betaald en aansprakelijkheid erkende. Verder stelt [eiseres] dat de schade in Nederland wordt geleden, hetgeen de belangrijkste reden is om naar Nederlands recht deze zaak te behandelen. [Gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 7.2 Met betrekking tot het ongeval dat op 16 juli 2008 in Duitsland heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 31 van de Rome II-Verordening (EG nr. 864/2007) bepaalt de temporele toepassing. In het betreffende artikel staat dat de verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding van de verordening. In artikel 32 van de verordening wordt bepaald dat de verordening van toepassing is met ingang van 11 januari 2009. Op grond van artikel 249 jo. 254 EG-verdrag is de verordening vanaf die datum verbindend in al haar onderdelen en is (dan pas) rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Aangezien het ongeval op 16 juli 2008 plaatsvond, faalt de stelling van [eiseres]. Op dezelfde grond faalt eveneens de stelling van [eiseres] dat door betaling van Achmea van de autoschade en erkenning van aansprakelijkheid op grond van artikel 20 van de Rome II-verordening, op deze zaak Nederlands recht van toepassing. [Eiseres] stelt dat zij naar Duits recht ook vóór Rome II voor de lex loci damni kon kiezen. Gezien het hiervoor overwogene is zulks volgens de rechtbank onjuist en aangezien [eiseres] verder dienaangaande onvoldoende stelt, zal de rechtbank die stelling passeren. Verder stelt [eiseres] in punt 8 van haar conclusie van repliek, dat het Nederlandse recht van toepassing is omdat Europese jurisprudentie er vooral op is gericht dat elke burger in de lidstaten gemakkelijk hun verkeersschades naar eigen recht en in eigen land moeten kunnen verhalen. Volgens [eiseres] vloeit zulks voort uit het arrest van het Hof van Justitie EG/EU d.d. 13-12-2007, C-463/06. Uit het arrest blijkt de rechtbank dat in het betreffende arrest een uitleg wordt gegeven van de artikelen 9 lid 1 sub b en 11 lid 2 van de verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het arrest de rechterlijke bevoegdheid en wijst in het arrest niets erop dat burgers in de lidstaten naar het recht van het land waarin zij wonen, de aansprakelijkheids- en causaliteitsvraag mogen beantwoorden en de gestelde schades mogen (laten) beoordelen. 7.3 Gelet op het hiervoor overwogene, de genoemde verdragsluitende staten en het bepaalde in artikel 11 van het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 (hierna: Verdrag) is de rechtbank van oordeel dat aan de hand van het Verdrag moet worden bepaald welke wet van toepassing is op het verkeersongeval, dat op 16 juli 2008 in Duitsland plaatsvond. [Eiseres] heeft gesteld dat zij kiest voor toepassing van het Nederlandse recht, omdat de schade in Nederland wordt geleden. Daargelaten of alle schade in Nederland wordt geleden, wordt naar het oordeel van de rechtbank in slechts een beperkt aantal, in artikel 2 Verdrag omschreven gevallen, een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van artikel 3: de lex loci delictregel. In het geval als het onderhavige wordt de lex loci damni niet als uitzondering in artikel 2 genoemd. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank van oordeel is dat op grond van artikel 3 van het Verdrag de casus inzake het verkeersongeval d.d. 16 juli 2008 naar de Duitse wet moet worden beoordeeld. Daarnaast geldt dat de casus inzake het verkeersongeval dat op 27 januari 2009 in de buurt van Hengelo (Ov.) plaatsvond, naar de Nederlandse wet moet worden beoordeeld. 8. [Gedaagde sub 1] heeft gesteld dat de aansprakelijkheid van de Tsjechische chauffeur niet ter discussie staat, nu de aansprakelijkheid is erkend voor het ontstaan van het ongeval op 16 juli 2008. Achmea heeft voor het ontstaan van het ongeval op 27 januari 2009 aansprakelijkheid erkend. 9.1 In punt 1 van haar akte d.d. 17 augustus 2011 verzoekt [eiseres] dat de rechtbank zich eerst uitlaat over haar bevoegdheid en het toepasselijke recht. Dit heeft de rechtbank hiervoor reeds gedaan. Verder verzoekt [eiseres] de rechtbank dat zij zich uitlaat over het causale verband tussen de twee ongevallen en de gestelde schade. [Eiseres] heeft gesteld dat uit het technisch onderzoek door de Ongevallen Analyse (productie 9 bij de conclusie van repliek) blijkt dat de klap tijdens het tweede ongeval zo groot was dat het ontstaan van letsel, technisch gezien, al voor de hand lag. Volgens [eiseres] wordt door het onderzoek het causale verband tussen het ongeval en het gestelde letsel aangetoond. [Eiseres] stelt dienaangaande: “De klap tijdens het ongeval was zo groot dat het ontstaan van letsel technisch gezien al voor de hand lag”. 9.2 Het onderzoek betreft het ongeval dat 27 januari 2009 in de buurt van Hengelo (Ov.) heeft plaatsgevonden. De onderzoeksvraag, zo blijkt uit punt 2 van het rapport betreft de snelheidsverandering die [eiseres] heeft ondergaan als gevolg van de aanrijding. De rapporteur heeft als conclusie genoteerd dat [eiseres] tengevolge van de eerste botsing en daarna de tweede botsing een aan twee kanten begrensde versnelling heeft ondergaan. De rapporteur rapporteert echter niet gemotiveerd dat de klachten die [eiseres] stelt te hebben, een gevolg zijn van de gerapporteerde versnellingen. Ook onderbouwt [eiseres] haar stelling niet, zodat de rechtbank de stelling van [eiseres] zal passeren. 10. [Eiseres] stelt dat zij voor het ongeval altijd goed gezond was, doch dat zij door het ongeval letsels heeft opgelopen die bestaan uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.