Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer UITSPRAAK reg.nr : AWB 98/6227 BESLU inzake : de Inspecteur van de ruimtelijke ordening voor de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland, eiser, tegen : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van 16 juni 1998, verzonden 23 juni 1998, nr. 98-3375/2h. II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 17 december 1997 heeft verweerder besloten de afwijkingen van de op 1 oktober 1996 aan [vergunninghouder] T.V.-Studio's B.V. (hierna: [vergunninghouder]) voor het perceel […] verleende bouwvergunning onder nader omschreven voorwaarden te gedogen. Tegen dit besluit is namens eiser op 28 januari 1998 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en -impliciet- het primaire besluit gehandhaafd. Hiertegen is bij beroepschrift van 29 juli 1998 (met bijlagen) namens eiser beroep ingesteld. Op de daartoe bij brief van 11 september 1998 aangevoerde gronden is de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder heeft afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 juli 1999, alwaar eiser is verschenen bij gemachtigden mr. H.T. Ahrens, werkzaam bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en drs. H.J. de Loor, inspecteur van de ruimtelijke ordening voor de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en A. Hoogeveen, werkzaam bij de gemeente Aalsmeer. Namens [vergunninghouder] en ShowBizCity (SBC) is ter terechtzitting verschenen mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Amsterdam, vergezeld door A. van Wijhe en D. Hoelser, werkzaam bij SBC. III. MOTIVERING Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Feiten De TV-studio's van [vergunninghouder] zijn sedert 1983 gevestigd in de gebouwen van de voormalige bloemenveiling aan de […] in […]. Op 26 januari 1996 is een bouwaanvraag ingediend voor het vergroten van de TV-studio's en het oprichten van een parkeergarage annex opslaghal. Blijkens de bij de bouwaanvraag behorende tekeningen voorzag het bouwplan in drie studio's en ruimtes aangeduid als foyer, balletzaal, multifunctionele zaal en regie. Daarnaast voorzag het plan in technische ruimte, horecabergruimte, toiletten, een garderobe en kleedkamers. In de foyer en de balletzaal was een buffet ingetekend. Bij de bouwaanvraag was een rapport gevoegd van het verkeerskundig bureau Van Dijk & Partners. Uit dit rapport blijkt dat er in de nieuwe situatie een grote evenementenhal en twee kleine studio's waren gepland en dat er niet alleen regelmatig evenementen zouden worden georganiseerd met 550 bezoekers, maar ook meer dan tien keer per jaar evenementen welke plaats kunnen bieden aan 2500 bezoekers. Aangezien het bouwplan in strijd was met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is de zogenaamde anticipatieprocedure gevoerd. In het kader van deze procedure hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (GS) bij besluit van 20 september 1996 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Tegelijkertijd hebben GS besloten nadere afspraken te maken met [vergunninghouder] omtrent de verkeersafwikkeling en het bedrijfsvervoersplan. Bij besluit van 1 oktober 1996 heeft verweerder met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) [vergunninghouder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de TV-studio's en het bouwen van een parkeergarage op het perceel [..]. In een -concept- Startnotitie Milieueffectrapporage (MER) van 17 november 1997 wordt melding gemaakt van het feit dat zich in de loop van 1997 geleidelijk aan een wijziging in de plannen omtrent het gebruik van de TV-studio's heeft voorgedaan en dat een groter accent zal worden gelegd op life-entertainment. Omtrent het (mede)gebruik van de TV-studio's als SBC heeft in het najaar van 1997 regelmatig overleg tussen onder meer eiser en verweerder plaatsgevonden. Bij brief van 26 november 1997 heeft eiser verweerder verzocht de benodigde maatregelen te nemen om de ingebruikneming van het uitgebreide TV-studiocomplex als entertainment-uitgaansgelegenheid SBC op 9 december 1997 te verhinderen. Bij brief van 3 december 1997 hebben GS verweerder erop gewezen dat het voorgenomen gebruik van het pand als SBC niet strookt met de op 26 september 1996 verleende verklaring van geen bezwaar. Verweerder heeft eiser bij brief van 4 december 1997 in kennis gesteld van het besluit niet tegen de voorgenomen opening van SBC op te treden, omdat maatregelen om de opening te verhinderen naar zijn mening evident onrechtmatig zouden zijn. Hiertegen heeft eiser op 4 december 1997 een bezwaarschrift ingediend en tegelijkertijd bij de president van de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Vervolgens heeft op de avond van 4 december 1997 overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van [vergunninghouder], GS, eiser en verweerder. Dit overleg heeft geresulteerd in een op 5 december 1998 schriftelijk vastgelegde afspraak. Deze afspraak houdt in dat verweerder vóór 15 december 1997 een gedoogbeschikking voor SBC neemt met onder andere als element dat door [vergunninghouder] extra maatregelen worden genomen om de automobiliteit te beperken en dat de gemeente Aalsmeer de vereiste procedures voor bestemmingsplan, MER, bouw- en milieuvergunning volgt. De locatie aan de [l…] wordt daarbij als B-locatie behandeld en het bestemmingsplan dient in het najaar van 1998 te zijn vastgesteld. Eiser heeft daarop het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en er -stilzwijgend- mee ingestemd het bezwaarschrift buiten verdere behandeling te laten. Op 17 december 1997 heeft verweerder besloten de afwijkingen van de op 1 oktober 1996 aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning, betrekking hebbend op de inpandig aangebrachte vloer met een oppervlakte van ca. 1.700 m2, te gedogen onder de voorwaarden dat: a. [vergunninghouder] binnen 10 weken na het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan voor het onderhavige gebied een aanvraag om een bouwvergunning dient in te dienen ter legalisering van de bouwkundige voorzieningen die niet vergund zijn in de bouwvergunning van 1 oktober 1996; b. deze gedoogbeschikking vervalt indien het besluit van burgemeester en wethouders op de aanvraag om een bouwvergunning rechtskracht heeft verkregen. Verweerder heeft bij dit besluit onder meer overwogen dat het onderhavige gebruik van de studio's nauw aansluit bij de activiteiten die door [vergunninghouder] sinds jaar en dag ter plaatse in […] worden ontplooid. Ook zijn een aantal overwegingen gewijd aan de door [vergunninghouder] toegezegde maatregelen om de automobiliteit in relatie tot het gerealiseerde complex en het gebruik ervan te beperken. Nadat eiser zijn bezwaren tegen deze gedoogbeschikking op 30 maart 1997 mondeling had toegelicht heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft daarbij onder meer overwogen dat het gebruik van het studiocomplex nauw aansluit bij de activiteiten van [vergunninghouder] in de afgelopen jaren. Volgens verweerder kan op grond van artikel 40 van de Woningwet alleen tegen bouwactiviteiten in afwijking van een verleende bouwvergunning worden opgetreden en is hij niet bevoegd op te treden tegen vermeend onjuist gebruik. Aan vermeende strijd met rijks- en provinciaal locatiebeleid kan evenmin de bevoegdheid worden ontleend tegen een dergelijk gebruik op te treden. Voorts is verweerder van mening dat aan de gedoogbeschikking geen voorwaarden kunnen worden verbonden die niet in relatie staan tot de gedoogde bouwkundige afwijking, zoals voorschriften ter zake van verkeer en vervoer. Standpunten van partijen Eiser heeft gesteld dat het feitelijk gerealiseerde gebruik van het studiocomplex in strijd is met het beoogd gebruik zoals vermeld in het besluit tot vrijstelling ex artikel 19 WRO, de daaraan ten grondslag liggende verklaring van geen bezwaar en de bouwvergunning van 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.