ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM. Parketnummertnummer: 13.129.118-00 Datum uitspraak: 8 december 2000 op tegenspraak VERKORT VONNIS van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, extra meervoudige kamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1973, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , gedetineerd in de [verblijfsadres] . De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onder zoek op de terechtzittingen van 13, 15, 16, 20, 22, 24, 27 en 29 november
- Telastelegging. Aan verdachte telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 13 november 2000 nader is omschreven. De aldus nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.
- Voorvragen. ONTVANKELIJKHEID Openbaar Ministerie 2.
- Door de raadslieden van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] (ten aanzien van de VSB-zaak) is- kort samengevat- aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, aangezien in het dossier met name in de zaaksdossiers Baarn en VSB Amsterdam de weergave van de tapgesprekken, paallocaties en de daaraan verbonden conclusies bewust misleidend zijn weergegeven doordat daarbij bewust een onvolledige beeld is gegeven van de beschikbare gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de officier van justitie ontvankelijk. 2.1.
- De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. -Tijdens het onderzoek is een groot aantal telefoongesprekken die mogelijk een verband konden aantonen tussen verdachten en gepleegde overvallen door het onderzoeksteam geanalyseerd. Die analyse werd in belangrijke mate bemoeilijkt doordat verdachte [medeverdachte 1] zeer veel gesprekken voert met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 3] waarbij hij naar eigen zeggen bewust rekening houdt met de mogelijkheid dat hij wordt afgeluisterd. Daardoor zijn de gesprekken naar inhoud voor een buitenstaander lastig te volgen en te duiden. Zo worden gesprekspartners zelden bij naam aangeduid, terwijl die ook zelf van verschillende telefoon- en semanummers gebruik maken. Ook ontmoetingsplaatsen worden niet of voor een buitenstaander vaag aangegeven. Daarnaast wordt regelmatig via semafoons contact opgenomen en wordt gebruik gemaakt van niet getraceerde communicatiemiddelen. Dit maakt het achterhalen van de handel en wandel van deze verdachten een vrijwel onmogelijke opgave. -Na de aanhouding hebben de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] slechts zeer beperkt informatie willen geven over de gevoerde telefoongesprekken. Onder die omstandigheden hebben de samenstellers van het dossier deze gesprekken geïnterpreteerd en van die interpretatie in gevolgtrekkingen rekenschap gegeven. Niet gezegd kan worden - mede gelet op het grote aantal telefoongesprekken dat daarbij in beschouwing moest worden genomen- dat deze interpretatie in het algemeen onbegrijpelijk was en van iedere logica gespeend. De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat de gevolg trekkingen die in het dossier aan deze telefoongesprekken zijn verbonden in een groot aantal gevallen noch tijdens de verhoren noch ter zitting zijn weersproken, zodat niet kan worden gezegd dat die gevolgtrekkingen op zich bewust misleidend zijn opgesteld. -Die gevolgtrekkingen zijn deels gebaseerd op de paallocaties welke door de bij verdachte [medeverdachte 1] en een medeverdachte [medeverdachte 5] in gebruik zijnde mobiele telefoons werden gebruikt. Deze gegevens leken de stelling te ondersteunen dat verdachte [medeverdachte 1] en een of meer van bovengenoemde verdachten zich in dan wel bij Baarn, dan wel in de omgeving van de VSB-bank te Amsterdam hadden bevonden, mogelijk in relatie tot die gepleegde overvallen. In zoverre vormden deze paallocaties een nadere onderbouwing van de verdenking en is opname daarvan in het dossier als zodanig niet bewust misleidend. Na aanhouding zijn verdachten ook met deze gegevens geconfronteerd en hebben zij daarvoor in het algemeen geen bevredigende verklaring kunnen geven. Naar aanleiding van de door verdachte [medeverdachte 1] gedane veronderstellingen is in de zaak Baarn onderzocht of de paallocaties mogelijk verband konden houden met een rit naar Almere; dit bleek hoogst onaannemelijk te zijn. Tevens is vastgesteld dat die paallocaties in de onderzochte periode overigens slechts in beeld kwamen op 9 december
- Naar aanleiding van die constatering heeft verdachte [medeverdachte 1] geen nadere opheldering gegeven. In de zaak VSB is -tevergeefs- getracht de door verdachte [medeverdachte 1] opgevoerde getuige [getuige 1] te horen en is nader onderzoek gedaan naar traceerbare afspraken tussen verdachte [medeverdachte 1] en deze [getuige 1] in diens woning. In zoverre kan niet worden gezegd dat geen nader onderzoek is gedaan op basis van gegevens die ter weerlegging van de verdenking waren aangevoerd. Onder deze omstandigheden in onderling verband bezien kan reeds niet worden gezegd dat het dossier bewust misleidend is opgesteld. 2.1.
- Gezien de ernst van het verwijt aan het Openbaar Ministerie en de uitgebreide onderbouwing daarvan door de verdediging hecht de rechtbank eraan ook meer in detail haar oordeel hierover te geven. In de zaak Baarn is tijdens de behandeling ter terechtzitting het navolgende komen vast te staan: Uit een niet in het dossier opgenomen telefoongesprek d.d. 9 december 1999 en de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] ter zitting over de inhoud van dat gesprek is gebleken dat verdachte [medeverdachte 1] op die dag binnen een zeer kort tijdsbestek via de Al naar Amersfoort (en terug) is gereden teneinde een ontmoeting te hebben met een zekere [naam 1] . Onderweg zijn tijdens een door hem gevoerd telefoongesprek de paallocaties Berkenweg en Wakkerendijk te Baarn gebruikt, welke in het dossier Baarn zijn opgevoerd ter ondersteuning van de verdenking in die zaak dat verdachte [medeverdachte 1] zich in Baarn dan wel op weg van/naar Baarn zou hebben bevonden. De rechtbank deelt de conclusie van de verdediging dat die gevolgtrekking niet zonder meer getrokken had mogen worden nu de mogelijkheid openblijft dat ook op de in het dossier Baarn genoemde tijdstippen die paallocaties werden gebruikt terwijl de verdachte op de Al reed. De rechtbank heeft tevens vastgesteld ten aanzien van de in de zaak Baarn opgevoerde data: Uit niet in het dossier opgenomen telefoongesprekken op 12 september 1999 blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] op die dag bezigheden had in Hilversum. Dat gegeven had naar het oordeel van de rechtbank in het dossier niet mogen ontbreken. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat uit het nader onderzoek van de telefoongesprekken op 13, 21 en 22 september alsmede op de tussenliggende dagen en de bespreking daarvan ter zitting geen nadere informatie is verkregen waaruit blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] , al dan niet in gezelschap van verdachte [medeverdachte 2] , niet in Baarn is dan wel kan zijn geweest. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gevolgtrekkingen in het proces-verbaal inzake de zaak Baarn- meermalen onder voorbehoud gesteld- bewust misleidend zijn geweest. Evenmin is gebleken van veelvuldige afspraken met de eerder genoemde [naam 1] in Amersfoort noch van afspraken in Hilversum. Bovendien blijkt uit de overige gesprekken van contacten tussen verdachte [medeverdachte 1] en voornoemde [medeverdachte 5] , de gemeenschappelijke kennis [naam 2] -naar eigen zeggen de “bromfietsman van Amsterdam”-, en de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] . Zij hebben eveneens geen inzichtelijke verklaring gegeven over die contacten en ook zij worden van betrokkenheid bij een of meer overvallen verdacht. Ten aanzien van de zaak VSB is door verdachte [medeverdachte 1] aangevoerd dat hij daar meermalen in de buurt kwam om vrienden op te zoeken zoals [getuige 1] , [naam 3] en [naam 4] . De verdachte [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard hierbij meermalen aanwezig te zijn geweest, al dan niet in gezelschap van verdachte [medeverdachte 4] . De rechtbank constateert dat deze afspraken in het algemeen niet terug te vinden zijn aan de hand van de gevoerde telefoongesprekken. Uit de bespreking ter zitting van de activiteiten van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , en [medeverdachte 3] op 26 augustus, 2, 9, 16, 23 en 30 september 1999 is enkel als vaststaand feit naar voren gekomen dat verdachte [medeverdachte 1] tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2] op 26 augustus 1999 in de Blokker tegenover de VSB-bank is geweest om plastic bakken voor een vriendin te kopen en zich op 23 september 1999 om 11.45 in de woning van [naam 4] bevond. Een nadere beschouwing van de tapgesprekken biedt niet meer inzicht in de redenen waarom men zich op de genoemde dagen in de omgeving van de VSB-bank ophield. Evenmin volgt daaruit dat verdachte [medeverdachte 1] dagelijks daar afspraken had met een van de drie genoemde vrienden. Ook hier constateert de rechtbank dat verdachte [medeverdachte 1] in voormelde periode veelvuldig contact onderhield met dan wel samen was met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , die ook onderling in nauw contact stonden en daarnaast, zij het in mindere mate met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] . Voor deze contacten is zowel gedurende het onderzoek als ter terechtzitting door de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] geen andere verklaring gegeven dan dat men zomaar wat rondreed. Verdachte [medeverdachte 3] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel merkt de rechtbank op dat door het enkel in het dossier opnemen van een reeks van donderdagen zonder daarbij acht te slaan op de activiteiten op andere dagen een onvolledig en mogelijk gekleurd beeld is gegeven; de rechtbank acht dat echter eerder een onvolkomenheid dan bewuste misleiding. 2.
- De raadsman heeft tevens gesteld dat de officier van justitie in ieder geval niet ontvankelijk is in de ervolging ten aanzien van de overval op de VSB-bank, nu uit de telefoontaps reeds in een vroeg stadium duidelijk had kunnen zijn dat verdachte op 30 september 1999 naar België zou gaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank stelt vast dat zich bij de telefoongesprekken opgenomen in het VSB-dossier een gesprek bevindt van 29 september 1999 te 18.05 uur tussen verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] . Daarin wordt eerst —al dan niet gekscherend- gezegd door [verdachte] : “ik heb hier wat in mijn hand, dat krijg jij morgen op je hoofd”. [verdachte] wil dat [medeverdachte 1] de volgende ochtend gelijk bij hem langs komt. Dit deel van het gesprek dat op een vuurwapen lijkt te duiden, wordt gevolgd door de mededeling dat [verdachte] de volgende dag ook naar België gaat. De rechtbank merkt op dat daarbij geen tijdstippen zijn genoemd. Op 30 september wordt door [medeverdachte 1] om 07.26 en 07.51 en 08.07 ingebeld op de huistelefoon van [verdachte] , zodat niet onaannemelijk is dat dit contact ook daadwerkelijk is gelegd. In het dossier met betrekking tot de VSB-zaak bevindt zich daarnaast een niet onaanzienlijk aantal tapgesprekken waaruit blijkt dat [verdachte] met [medeverdachte 1] in bedekte en verhullende termen zaken bespreekt en afspraken heeft, waarover beiden ook ter zitting geen of onvoldoende informatie geven. In het licht van deze contacten en de vage mededeling omtrent België kan niet gezegd worden dat op opzettelijk misleidende wijze een eventueel alibi van [verdachte] , daaruit bestaand dat hij op 30 september 1999 gedurende enige tijd niet in Amsterdam was, buiten het dossier is gehouden. Daaraan doet niet af het gesprek van 30 september 1999 te 21.02 -door de raadsman ter zitting overgelegd uit de originele tapverslagen- tussen [medeverdachte 1] en “ [naam 5] ”, waarin deze [naam 5] meedeelt dat hij om 2 uur terug was. Uit dit gesprek blijkt niet dat het hier [verdachte] betreft; dit wordt pas ter zitting door hem en [medeverdachte 1] bevestigd. [verdachte] is bovendien na aanhouding in de gelegenheid gesteld om op de verdenking te reageren, maar heeft dit stelselmatig geweigerd. Zijn verklaring ter zitting dat hij zich niet herinnerde dat hij twee dagen voor een zo belangrijke gebeurtenis als zijn verloving op 2 oktober 1999 naar Antwerpen was geweest om sieraden te kopen, komt de rechtbank niet geloofwaardig voor en komt gelet op zijn proceshouding geheel voor eigen rekening. 2.
- Door de raadslieden is aangevoerd dat de officier van justitie wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel niet ontvankelijk is in zijn vervolging van de tenlastegelegde criminele Organisatie nu dit feit niet aan een der deelnemers, [medeverdachte 4] , ten laste is gelegd en wel aan de andere verdachten. Dit terwijl [medeverdachte 4] reeds is veroordeeld voor het medeplegen van de VSB-overval en thans wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de overval in Baarn en zijn positie dus niet wezenlijk verschilt van die van de andere verdachten. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voorop dient te staan dat aan het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt bij de toepassing van het opportuniteitsbeginsel welke wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde en een redelijke en billijke belangenafweging. In casu heeft de officier van justitie aangegeven dat juist die belangenafweging ten aanzien van [medeverdachte 4] heeft geleid tot toepassing van het opportuniteitsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 4] in de VSB-zaak heeft verklaard wie zijn mededader was. Veronderstellenderwijs uitgaande van een criminele groep heeft [medeverdachte 4] de daarbinnen geldende regel dat men elkaar niet onderling verlinkt, overtreden en zich zodoende buiten de groep geplaatst. Daardoor heeft hij zichzelf zowel in als na detentie in een moeilijke positie geplaatst. Niet onaannemelijk is dat daardoor zijn detentie feitelijk zwaarder is, waarmee bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een veroordeling terzake artikel 140 Sr door de rechtbank mogelijk zodanig rekening zou moeten worden gehouden dat daardoor de vervolging voor dat feit bij [medeverdachte 4] naast de aan hem ten laste gelegde betrokkenheid bij de overval in Baarn weinig aan de uiteindelijke straf zou toevoegen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien niet gesteld worden dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot zijn afweging heeft kunnen komen. De rechtbank acht daardoor het gelijkheidsbeginsel dan ook niet geschonden en verwerpt het verweer.
- Waardering van het bewijs. 3.
- De raadsman heeft aangevoerd dat bewijs dat mogelijk ontleend zou kunnen worden uit de plaatsbepalingsgegevens van de GSM’s niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, nu in de wet geen basis kan worden gevonden voor het gebruik van deze gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 125f (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) spreekt van “alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk plaatsvindt” en artikel l25g Sv (oud) spreekt van “gegevensverkeer via een openbaar telecommunicatienetwerk”. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de inlichtingen die hieromtrent worden verkregen, naast die betreffende de duur van het gesprek en het telefoonnummer van beller en ontvanger, mede omvatten de lokatie waar de apparatuur is gebruikt. De omstandigheid dat in sommige gevallen geen tweezijdige communicatie tot stand komt, doet daaraan niet af. Verdachte heeft door de keuze gebruik te willen maken van mobiele telefoons het risico genomen dat signalen daarvan kenbaar worden. De vergelijking met een peilbaken, zoals thans geregeld in artikel l26g Sv gaat niet op, nu het daarbij gaat om een door de overheid aangebracht instrument, terwijl bij mobiele telefoons de gebruiker zelf daarvoor kiest. 3.
- Tevens is door de verdediging de betrouwbaarheid van de uit de paallocaties afgeleide gegevens ter discussie gesteld alsmede de in het dossier opgenomen conclusie dat de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] en van verdachte [medeverdachte 3] op cruciale tijdstippen uit stond teneinde de opsporing te bemoeilijken. Ter zitting is aan de hand van getuigenverhoren vastgesteld dat in het algemeen bij de tapnoteringen de X-Y-coördinaten van de gebruikte paallocaties worden weergegeven alsmede dat die lokaties worden voorzien van een nummer waarmeecorrespondeert de op die paal gebruikte cel. Dat betreft in het algemeen per paal drie cellen die ieder een segment van 120 graden van een kompasroos bestrijken. Vervolgens wordt de peilrichting van de telefoongebruiker aangegeven met de middellijn van ieder van die segmenten, te weten 60, 180 en 300 graden. Uit die peilrichting en de gebruikte cel kan worden afgeleid dat de gebruiker zich in of vlak bij dat segment bevindt. Deze gegevens kunnen worden verstoord doordat de communicatie wordt verzorgd door de kwalitatief daarvoor op een gegeven moment meest geschikte cel en het -volgens de getuige [getuige 2] bij uitzonderlijke drukte- overnemen van de communicatie door een andere cel; in dat geval geven de peilingen derhalve een onjuist beeld. Wordt in korte tijd bij meer gesprekken steeds gebruik gemaakt van dezelfde cel dan is hoogstwaarschijnlijk dat de gebruiker zich in dat segment bevindt. In zoverre kan, hoewel in het dossier niet uitputtend onderbouwd, worden vastgesteld dat de gevolgtrekkingen in de zaak VSB over de aanwezigheid in het gebied rond de VSB-bank met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid juist zijn. Tevens is vastgesteld -hetgeen bij verdachte [medeverdachte 1] naar eigen zeggen ook bekend is- dat een telefoon die UIT staat geen paallocaties oplevert, ook niet wanneer men probeert die telefoon te bereiken. De rechtbank merkt op dat er onduidelijkheid is ontstaan ten aanzien van de vraag of de telefoon op bepaalde momenten UIT stond dan wel niet werd opgenomen. Deze onduidelijkheid is veroorzaakt doordat in de tapkamer, ook wanneer een telefoon uitstaat, de pogingen tot inbellen worden geregistreerd. Door de beluisteraar van de tap wordt dan vrij willekeurig genoteerd : wno, geen gesprek, geen gehoor dan wel “deze telefoon is momenteel niet bereikbaar”. De rechtbank merkt daarbij op dat eveneens ter zitting duidelijk is geworden dat de bij de taps behorende printlijsten altijd ten aanzien van het begin en het einde van een gesprek of gesprekscontact aangeven of een paallocatie wordt geregistreerd. Ter zitting van 29 november 2000 heeft de officier van justitie in de VSB-zaak hiertoe printlijsten overgelegd. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel aannemelijk, niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat een telefoon tussen twee als UIT-staand genoteerde tijdstippen ook daadwerkelijk heeft uitgestaan. Gegevens in het dossier dat een mobiele telefoon UIT stond, kunnen reeds daarom slechts met grote voorzichtigheid voor het bewijs worden gebruikt. 3.
- De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 en 3 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. 3.
- De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op een tijdstip in de periode van 4 april 1999 tot en met 22 september 1999 in Nederland een motorfiets/scooter (Piaggio Typhoon) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
- Het bewijs. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
- De strafbaarheid van het feit. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
- De strafbaarheid van verdachte. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
- Motivering van de straf. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij het vaststellen van de duur daarvan het volgende overwogen. Heling is op zich al een ernstig feit. De heler immers stimuleert de steler, waardoor een maatschappelijk schadelijk circuit van misdrijven in stand blijft. De onderhavige motorfiets is enkele maanden voor de mislukte overval in Baarn, waarbij deze werd aangetroffen, gestolen. Geuridentificatieproeven hebben de geur op de handvatten van deze motorfiets positief geïdentificeerd als afkomstig van verdachte en een medeverdachte. Verdachte heeft stelselmatig ontkend ooit deze motorfiets/scooter in handen te hebben gehad. Door onder deze bezwarende omstandigheden geen enkele verklaring te geven voor de resultaten van de geurproef heeft verdachte evenmin inzicht gegeven in de omstandigheden waaronder hij deze motorfiets/scooter voorhanden had. De rechtbank ziet hierin een strafverzwarende omstandigheid. De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te melden duur passend en houdt daarbij rekening met de justitiële documentatie van verdachte.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften. De op te leggen straf is gegrond op artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
- Beslissing: Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan Vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 meest subsidiair telastegelegde: opzetheling. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr M. Gonggrijp-van Mourik voorzitter, mrs P.K. van Riemsdijk en A.V.T. de Bie rechters, in tegenwoordigheid van E.J. Witteman griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht bank van 8 december 2000.