ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTÈRD.AM. Parketnummers: 13.129.224-99 en 13.070.019-00 ' datum uitspraak: 13 december 2000 op tegenspraak VERKORT VONNIS van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, extra meervoudige kamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1974, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , gedetineerd in [verblijfsplaats] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardin gen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onder zoek op de terechtzitting van 13, 15, 16, 20, 22, 24, 27 en 29 november
- 1Telastelegging. Aan verdachte is in zaak A telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, zoals ter terechtzitting van 13 november 2000 nader omschreven. De aldus nader omschreven telastelegging, waarvan een kopie als bijlage A aan dit vonnis is gehecht, geldt als hier ingevoegd. Aan verdachte is in zaak B telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage B aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd. 2Voorvragen. ONTVANKELIJKHEID Openbaar Ministerie 2.
- Door de raadslieden van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (ten aanzien van de VSB-zaak) is- kort samengevat- aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, aangezien in het dossier met name in de zaaksdossiers Baarn en VSB Amsterdam de weergave van de tapgesprekken, paallocaties en de daaraan verbonden conclusies bewust misleidend zijn weergegeven doordat daarbij bewust een onvolledige beeld is gegeven van de beschikbare gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de officier van justitie ontvankelijk. A. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. -Tijdens het onderzoek is een groot aantal telefoongesprekken die mogelijk een verband konden aantonen tussen verdachten en gepleegde overvallen door het onderzoeksteam geanalyseerd. Die analyse werd in belangrijke mate bemoeilijkt doordat verdachte [verdachte] zeer veel gesprekken voert met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarbij hij naar eigen zeggen bewust rekening houdt met de mogelijkheid dat hij wordt afgeluisterd. Daardoor zijn de gesprekken naar inhoud voor een buitenstaander lastig te volgen en te duiden. Zo worden gesprekspartners zelden bij naam aangeduid, terwijl die ook zelf van verschillende telefoon- en semanummers gebruik maken. Ook ontmoetingsplaatsen worden niet of voor een buitenstaander vaag aangegeven. Daarnaast wordt regelmatig via semafoons contact opgenomen en wordt gebruik gemaakt van niet getraceerde communicatiemiddelen. Dit maakt het achterhalen van de handel en wandel van deze verdachten een vrijwel onmogelijke opgave. -Na de aanhouding hebben de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] slechts zeer beperkt informatie willen geven over de gevoerde telefoongesprekken. Onder die omstandigheden hebben de samenstellers van het dossier deze gesprekken geïnterpreteerd en van die interpretatie in gevolgtrekkingen rekenschap gegeven. Niet gezegd kan worden - mede gelet op het grote aantal telefoongesprekken dat daarbij in beschouwing moest worden genomen- dat deze interpretatie in het algemeen onbegrijpelijk was en van iedere logica gespeend. De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat de gevolg trekkingen die in het dossier aan deze telefoongesprekken zijn verbonden in een groot aantal gevallen noch tijdens de verhoren noch ter zitting zijn weersproken, zodat niet kan worden gezegd dat die gevolgtrekkingen op zich bewust misleidend zijn opgesteld. -Die gevolgtrekkingen zijn deels gebaseerd op de paallocaties welke door de bij verdachte [verdachte] en een medeverdachte [medeverdachte 5] in gebruik zijnde mobiele telefoons werden gebruikt. Deze gegevens leken de stelling te ondersteunen dat verdachte [verdachte] en een of meer van bovengenoemde verdachten zich in dan wel bij Baarn, dan wel in de omgeving van de VSB-bank te Amsterdam hadden bevonden, mogelijk in relatie tot die gepleegde overvallen. In zoverre vormden deze paallocaties een nadere onderbouwing van de verdenking en is opname daarvan in het dossier als zodanig niet bewust misleidend. Na aanhouding zijn verdachten ook met deze gegevens geconfronteerd en hebben zij daarvoor in het algemeen geen bevredigende verklaring kunnen geven. Naar aanleiding van de door verdachte [verdachte] gedane veronderstellingen is in de zaak Baarn onderzocht of de paallocaties mogelijk verband konden houden met een rit naar Almere; dit bleek hoogst onaannemelijk te zijn. Tevens is vastgesteld dat die paallocaties in de onderzochte periode overigens slechts in beeld kwamen op 9 december
- Naar aanleiding van die constatering heeft verdachte [verdachte] geen nadere opheldering gegeven. In de zaak VSB is -tevergeefs- getracht de door verdachte [verdachte] opgevoerde getuige [getuige 1] te horen en is nader onderzoek gedaan naar traceerbare afspraken tussen verdachte [verdachte] en deze [getuige 1] in diens woning. In zoverre kan niet worden gezegd dat geen nader onderzoek is gedaan op basis van gegevens die ter weerlegging van de verdenking waren aangevoerd. Onder deze omstandigheden in onderling verband bezien kan reeds niet worden gezegd dat het dossier bewust misleidend is opgesteld. Gezien de ernst van het verwijt aan het Openbaar Ministerie en de uitgebreide onderbouwing daarvan door de verdediging hecht de rechtbank eraan ook meer in detail haar oordeel hierover te geven. In de zaak Baarn is tijdens de behandeling ter terechtzitting het navolgende komen vast te staan: Uit een niet in het dossier opgenomen telefoongesprek d.d. 9 december 1999 en de verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting over de inhoud van dat gesprek is gebleken dat verdachte [verdachte] op die dag binnen een zeer kort tijdsbestek via de Al naar Amersfoort (en terug) is gereden teneinde een ontmoeting te hebben met een zekere [naam 1] . Onderweg zijn tijdens een door hem gevoerd telefoongesprek de paallocaties Berkenwegen Wakkerendijk te Baarn gebruikt, welke in het dossier Baarn zijn opgevoerd ter ondersteuning van de verdenking in die zaak dat verdachte [verdachte] zich in Baarn dan wel op weg van/naar Baarn zou hebben bevonden. De rechtbank deelt de conclusie van de verdediging dat die gevolgtrekking niet zonder meer getrokken had mogen worden nu de mogelijkheid openblijft dat ook op de in het dossier Baarn genoemde tijdstippen die paallocaties werden gebruikt terwijl de verdachte op de Al reed. De rechtbank heeft tevens vastgesteld ten aanzien van de in de zaak Baarn opgevoerde data: Uit niet in het dossier opgenomen telefoongesprekken op 12 september 1999 blijkt dat verdachte [verdachte] op die dag bezigheden had in Hilversum. Dat gegeven had naar het oordeel van de rechtbank in het dossier niet mogen ontbreken. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat uit het nader onderzoek van de telefoongesprekken op 13, 21 en 22 september alsmede op de tussenliggende dagen en de bespreking daarvan ter zitting geen nadere informatie is verkregen waaruit blijkt dat verdachte [verdachte] , al dan niet in gezelschap van verdachte [medeverdachte 1] , niet in Baarn is dan wel kan zijn geweest. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gevolgtrekkingen in het proces-verbaal inzake de zaak Baarn- meermalen onder voorbehoud gesteld- bewust misleidend zijn geweest. Evenmin is gebleken van veelvuldige afspraken met de eerder genoemde [naam 1] in Amersfoort noch van afspraken in Hilversum. Bovendien blijkt uit de overige gesprekken van contacten tussen verdachte [verdachte] en voornoemde [medeverdachte 5] , de gemeenschappelijke kennis [naam 2] -naar eigen zeggen de "bromfietsman van Amsterdam"-, en de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Zij hebben eveneens geen inzichtelijke verklaring gegeven over die contacten en ook zij worden van betrokkenheid bij een of meer overvallen verdacht. Ten aanzien van de zaak VSB is door verdachte [verdachte] aangevoerd dat hij daar meermalen in de buurt kwam om vrienden op te zoeken zoals [getuige 1] , [naam 3] en [naam 4] . De verdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard hierbij meermalen aanwezig te zijn geweest, al dan niet in gezelschap van verdachte [medeverdachte 4] . De rechtbank constateert dat deze afspraken in het algemeen niet terug te vinden zijn aan de hand van de gevoerde telefoongesprekken. Uit de bespreking ter zitting van de activiteiten van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] op 26 augustus, 2, 9, 16, 23 en 30 september 1999 is enkel als vaststaand feit naar voren gekomen dat verdachte [verdachte] tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] op 26 augustus 1999 in de Blokker tegenover de VSB-bank is geweest om plastic bakken voor een vriendin te kopen en zich op 23 september 1999 om 11.45 in de woning van [naam 4] bevond. Een nadere beschouwing van de tapgesprekken biedt niet meer inzicht in de redenen waarom men zich op de genoemde dagen in de omgeving van de VSB-bank ophield. Evenmin volgt daaruit dat verdachte [verdachte] dagelijks daar afspraken had met een van de drie genoemde vrienden. Ook hier constateert de rechtbank dat verdachte [verdachte] in voormelde periode veelvuldig contact onderhield met dan wel samen was met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , die ook onderling in nauw contact stonden en daarnaast, zij het in mindere mate met de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Voor deze contacten is zowel gedurende het onderzoek als ter terechtzitting door de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen andere verklaring gegeven dan dat men zomaar wat rondreed. Verdachte [medeverdachte 3] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel merkt de rechtbank op dat door het enkel in het dossier opnemen van een reeks van donderdagen zonder daarbij acht te slaan op de activiteiten op andere dagen een onvolledig en mogelijk gekleurd beeld is gegeven; de rechtbank acht dat echter eerder een onvolkomenheid dan bewuste misleiding. 2.
- Door de raadslieden is aangevoerd dat de officier van justitie wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel niet ontvankelijk is in zijn vervolging van de tenlastegelegde criminele organisatie nu dit feit niet aan een der deelnemers, [medeverdachte 4] , ten laste is gelegd en wel aan de andere verdachten. Dit terwijl [medeverdachte 4] reeds is veroordeeld voor het medeplegen van de VSB-overval en thans wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de overval in Baarn en zijn positie dus niet wezenlijk verschilt van die van de andere verdachten. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voorop dient te staan dat aan het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt bij de toepassing van het opportuniteitsbeginsel welke wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde en een redelijke en billijke belangenafweging. In casu heeft de officier van justitie aangegeven dat juist die belangenafweging ten aanzien van [medeverdachte 4] heeft geleid tot toepassing van het opportuniteitsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 4] in de VSB-zaak heeft verklaard wie zijn mededader was. Veronderstellenderwijs uitgaande van een criminele groep heeft [medeverdachte 4] de daarbinnen geldende regel dat men elkaar niet onderling verlinkt, overtreden en zich zodoende buiten de groep geplaatst. Daardoor heeft hij zichzelf zowel in als na detentie in een moeilijke positie geplaatst. Niet onaannemelijk is dat daardoor zijn detentie feitelijk zwaarder is, waarmee bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een veroordeling terzake artikel 140 Sr door de rechtbank mogelijk zodanig rekening zou moeten worden gehouden dat daardoor de vervolging voor dat feit bij [medeverdachte 4] naast de aan hem ten laste gelegde betrokkenheid bij de overval in Baarn weinig aan de uiteindelijke straf zou toevoegen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien niet gesteld worden dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot zijn afweging heeft kunnen komen. De rechtbank acht daardoor het gelijkheidsbeginsel dan ook niet geschonden en verwerpt het verweer. 3Waardering van het bewijs. 3.
- De raadsvrouw heeft aangevoerd dat gegevens die mogelijk ontleend zouden kunnen worden aan de plaatsbepalingsgegevens van de GSM'S niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, nu in de wet geen basis kan worden gevonden voor het gebruik van deze gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 125f (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) spreekt van "alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk plaatsvindt" en artikel 125g Sv (oud) spreekt van "gegevensverkeer via een openbaar telecommunicatienetwerk". De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de inlichtingen die hieromtrent worden verkregen, naast die betreffende de duur van het gesprek en het telefoonnummer van beller en ontvanger, mede omvatten de lokatie waar de apparatuur is gebruikt. De omstandigheid dat in sommige gevallen geen tweezijdige communicatie tot stand komt, doet daaraan niet af. Verdachte heeft door de keuze gebruik te willen maken van mobiele telefoons het risico genomen dat signalen daarvan kenbaar worden. De vergelijking met een peilbaken, zoals thans geregeld in artikel 126g Sv gaat niet op, nu het daarbij gaat om een door de overheid aangebracht instrument, terwijl bij mobiele telefoons de gebruiker zelf daarvoor kiest. 3.
- Tevens is door de verdediging de betrouwbaarheid van de uit de paallocaties afgeleide gegevens ter discussie gesteld alsmede de in het dossier opgenomen conclusie dat de telefoon van verdachte [verdachte] en van verdachte [medeverdachte 3] op cruciale tijdstippen uit stond teneinde de opsporing te bemoeilijken. Ter zitting is aan de hand van getuigenverhoren vastgesteld dat in het algemeen bij de tapnoteringen de X-Y-coördinaten van de gebruikte paallocaties worden weergegeven alsmede dat die lokaties worden voorzien van een nummer waarmee correspondeert de op die paal gebruikte cel. Dat betreft in het algemeen per paal drie cellen die ieder een segment van 120 graden van een kompasroos bestrijken. Vervolgens wordt de peilrichting van de telefoongebruiker aangegeven met de middellijn van ieder van die segmenten, te weten 60, 180 en 300 graden. Uit die peilrichting en de gebruikte cel kan worden afgeleid dat de gebruiker zich in of vlak bij dat segment bevindt. Deze gegevens kunnen worden verstoord doordat de communicatie wordt verzorgd door de kwalitatief daarvoor op een gegeven moment meest geschikte cel en het -volgens de getuige [getuige 2] bij uitzonderlijke drukte- overnemen van de communicatie door een andere cel; in dat geval geven de peilingen derhalve een onjuist beeld. Wordt in korte tijd bij meer gesprekken steeds gebruik gemaakt van dezelfde cel dan is hoogstwaarschijnlijk dat de gebruiker zich in dat segment bevindt. In zoverre kan, hoewel in het dossier niet uitputtend onderbouwd, worden vastgesteld dat de gevolgtrekkingen in de zaak VSB over de aanwezigheid in het gebied rond de VSB-bank met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid juist zijn. Tevens is vastgesteld -hetgeen bij verdachte [verdachte] naar eigen zeggen ook bekend is- dat een telefoon die UIT staat geen paallocaties oplevert, ook niet wanneer men probeert die telefoon te bereiken. De rechtbank merkt op dat er onduidelijkheid is ontstaan ten aanzien van de vraag of de telefoon op bepaalde momenten UIT stond dan wel niet werd opgenomen. Deze onduidelijkheid is veroorzaakt doordat in de tapkamer, ook wanneer een telefoon uitstaat, de pogingen tot inbellen worden geregistreerd. Door de beluisteraar van de tap wordt dan vrij willekeurig genoteerd: wno, geen gesprek, geen gehoor dan wel "deze telefoon is momenteel niet bereikbaar". De rechtbank merkt daarbij op dat eveneens ter zitting duidelijk is geworden dat de bij de taps behorende printlijsten altijd ten aanzien van het begin en het einde van een gesprek of gesprekscontact aangeven of een paallocatie wordt geregistreerd. Ter zitting van 29 november 2000 heeft de officier van justitie in de VSB-zaak hiertoe printlijsten overgelegd. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel aannemelijk, niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat een telefoon tussen twee als UIT-staand genoteerde tijdstippen ook daadwerkelijk heeft uitgestaan. Gegevens in het dossier dat een mobiele telefoon UIT stond, kunnen reeds daarom slechts met grote voorzichtigheid voor het bewijs worden gebruikt. 3.
- Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde - de configuratie/afluisterapparatuur- zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde, nu niet is komen vast te staan dat verdachte erbij was toen zijn medeverdachte [medeverdachte 3] deze afluisterapparatuur uit de door hem, [medeverdachte 3] , gebruikte Mercedes met kenteken [kenteken] verwijderde. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake was van diefstal, nu [medeverdachte 3] zich deze apparatuur, waarvan hij naar het oordeel van de rechtbank wel begreep dat deze door de politie was geplaatst, wederrechtelijk toe-eigende. Op het moment dat verdachte, nadat hij van [medeverdachte 3] had gehoord hoe deze eraan was gekomen, deze configuratie overnam om ermee naar de Spyshop te gaan, maakte hij zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig aan opzetheling. Ook verdachte begreep, naar het oordeel van de rechtbank, dat het om door de politie geplaatste apparatuur ging, ook al was de exacte werking hem wellicht niet geheel duidelijk. De rechtbank acht het in zaak B onder 2 subsidiair ten laste gelegde derhalve bewezen. 3.
- De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen in zaak A onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 6 en in zaak B onder 2 primair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. 3.
- De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in zaak A: feit 1 subsidiair: op enig tijdstip in de periode van 28 januari 1999 tot en met 11 april 1999 te Hoofddorp, met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een horloge (merk Cartier, serienummer [nummer] ), toebehorende aan een onbekend gebleven persoon; feit 5: in de periode van 1 januari 2000 tot en met 07 februari 2000 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een uzi (type baby-uzi), zijnde een wapen van categorie II, voorhanden heeft gehad; in zaak B: feit 1: in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 maart 2000 te Krommenie, tezamen en in vereniging met een ander meermalen een werkbriefje van [bedrijf] te [plaats] , te weten: - werkbriefjes betreffende de weeknummers 31 tot en met 52 van het jaar 1999, en - werkbriefjes betreffende weeknummers 1 tot en met 11 van het jaar 2000, zijnde tel�ens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens in strijd met de waarheid op dat werkbriefje ingevuld dat verdachte in de op dat werkbriefje vermelde week het op dat werkbriefje vermelde aantal uren had gewerkt bij werkgever [werkgever] te [plaats] en hebben verdachte als deelnemer, en zijn mededader als werkgever telkens in strijd met de waarheid dat werkbriefje ter bevestiging van het daarboven vermelde ondertekend, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken; feit 2 subsidiair: in de periode van 5 april 2000 tot en met 11 april 2000 te Amsterdam afluisterapparatuur heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof; feit 3: op 11 april 2000 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,50 gram van een materiaal bevattende heroïne en 29 tabletten bevattende MDMA (XTC) en 1,56 gram van een materiaal bevattende amfetamine. 4Het bewijs. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 5De strafbaarheid van de feiten. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf baarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook straf baar. 7Motivering van de straffen. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrij heidsbenemende straf het volgende laten meewegen: Het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen rekent de rechtbank, gelet op het sterk gevaarzettende karakter daarvan, de verdachte zwaar aan. Dat geldt ook voor het voorhanden hebben van een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid verdovende middelen. Daarnaast heeft verdachte - naar eigen zeggen - zonder enige aarzeling een horloge gestolen waarvan hij reeds onmiddellijk had gezien dat het een bijzonder kostbaar horloge betrof. Tenslotte heeft verdachte doelbewust de uitvoering van het penitentiair programma waarvoor hij zich vrijwillig had opgegeven, gefrustreerd en zich aan dat programma, waarmee resocialisatie en terugkeer in het arbeidsproces werd beoogd, onttrokken. In plaats daarvan heeft verdachte, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, zich in die periode op niet legale wijze verrijkt. De rechtbank acht daarom naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een geldboete op zijn plaats. De rechtbank zal ten aanzien van de opzetheling van de afluisterapparatuur volstaan met een schuldig verklaring zonder oplegging van straf. Nu het in deze om door de politie geplaatste apparatuur gaat, acht de rechtbank voor dit feit strafoplegging niet op zijn plaats. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van deze vrijheidsbenemende straf gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, zoals gebleken uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, waaronder terzake van overtreding van de Wet wapens en munitie. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 23, 24, 24c, 47, 57, 63, 225, 310 van het Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, 2 en 10 van de Opiumwet. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 9Beslissing: Verklaart het in zaak A onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 6 en in zaak B onder 2 primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van zaak A. feit 1 subsidiair: diefstal; ten aanzien van zaak A. feit 5: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; ten aanzien van zaak B. feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; ten aanzien van zaak B. feit 2 subsidiair: opzetheling; ten aanzien van zaak B. feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht. Veroordeelt verdachte tevens tot een geldboete van fl. 7.000,= (zevenduizend gulden}, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een geldboete voor de tijd van 70 dagen. Bepaalt dat voor het in zaak B onder 2 subsidiair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Gelast de teruggave aan [verdachte] voornoemd van alle op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde goederen, met uitzondering van itemnummer 22a (geld 2 x fl. 1.000,= en 101 x $ 20,=). Dit vonnis is gewezen door mr M. Gonggrijp-van Maurik mrs P.K. van Riemsdijk en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van E.J. Witteman en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bank van 13 december 2000.