Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer UITSPRAAK reg.nr : WVG 98/5119 inzake : A, te B, eiseres, tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 29 mei 1998, verzonden op 2 juni 1998, nummer EST 1997/4541 (5801.505). II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 2 december 1997 heeft verweerder de door eiseres op 5 november 1997 ingediende aanvraag om verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto als bedoeld in de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 17 december 1997 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en zijn besluit in eerste aanleg gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 juni 1998 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 6 oktober 1998 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden. De zaak is behandeld ter zitting van 7 juli 1999 in een enkelvoudige kamer, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A. Hakstege, juridisch medewerker bij de gemeentelijke sociale dienst. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 juli 1999 heropend en verweerder nadere informatie gevraagd. Op 10 augustus 1999 heeft eiseres nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op 31 augustus 1999 nadere stukken ingediend en ten aanzien van een deel van deze stukken aangegeven dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. De rechtbank heeft bij beslissing van 1 oktober 1999 bepaald dat de beperking van de kennisneming ten aanzien van een aantal van deze stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de rechtbank toestemming gegeven mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. De stukken ten aanzien waarvan de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is geacht, heeft de rechtbank aan verweerder geretourneerd. Verweerder heeft deze stukken alsnog zonder beperking ingediend. De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 9 november 1999 in een meervoudige kamer, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en door L. de Vries, werkzaam bij astmacentrum Heideheuvel. Namens verweerder zijn verschenen mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam en mr. W.A. Hakstege, voornoemd. Tevens is verschenen J.F. van der Baan, werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf (GVB) als bedrijfsleider van de afdeling Stadsmobiel, die door de rechtbank als getuige is gehoord. III. MOTIVERING Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden gaat de rechtbank uit van de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende feiten. Feiten Eiseres, geboren op […] 1947, is bij besluit van 15 oktober 1997 een vervoersvoorziening als bedoeld in de Wvg toegekend voor de periode van 1 oktober 1997 tot en met 30 september 1998 in de vorm van een zogenoemde Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) plus-vergoeding tot een jaarbedrag van ƒ 800,-. Eiseres heeft vervolgens op 5 november 1997 een aanvraag om verstrekking van een bruikleenauto ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft de Stichting Tot & Met een onderzoek ingesteld naar de mobiliteitsbeperkingen van eiseres. Uit het rapport dat de adviseur van de Stichting Tot & Met (hierna ook: de adviseur) naar aanleiding hiervan heeft opgemaakt blijkt, dat eiseres een longaandoening en neurologische en interne klachten heeft, waardoor ze grotendeels rolstoelgebonden functioneert. Volgens de adviseur is een aangepaste auto niet noodzakelijk, aangezien eiseres gebruik kan maken van het AOV of een taxi in combinatie met haar rolstoel. Eiseres heeft daarvoor een vervoerskostenvergoeding. In overeenstemming met het advies van de Stichting Tot & Met heeft verweerder bij besluit van 2 december 1997 de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de gevraagde voorziening medisch niet noodzakelijk is en voorts dat eiseres met behulp van de haar ter beschikking staande hulpmiddelen en door gebruik te maken van het AOV in voldoende mate in haar vervoersbehoefte kan voorzien. In het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift heeft eiseres aangevoerd dat zij gezien haar ziektebeeld wel recht heeft op de gevraagde voorziening. Sinds zij met haar eigen auto reist, is het aantal dagen van bedrust verminderd. Haar auto is echter al elf jaar oud en zij kan van haar uitkering geen andere tweedehands auto kopen. Eiseres heeft op 30 januari 1998 tijdens een hoorzitting haar bezwaarschrift toegelicht. Zij heeft aangegeven dat zij zeer koudegevoelig is en de laatste drie maanden constant last heeft gehad van blaasontsteking. Daarnaast is zij carapatiënt, waardoor zij in het Stadsmobiel hinder ondervindt van mensen met teveel parfum op of van een rokende chauffeur. De auto die eiseres zelf heeft aangeschaft, heeft haar mobiliteit aanzienlijk vergroot. De auto is echter erg duur voor eiseres. Een gesloten buitenwagen voldoet voorts niet, omdat eiseres daarin haar rolstoel niet kan meenemen. In 1993 heeft eiseres van de Detam rijlessen vergoed gekregen. De Detam bood eiseres ook een bruikleenauto aan, die zij echter uit bescheidenheid niet heeft geaccepteerd. Eiseres kan niet begrijpen dat verweerder haar medische situatie anders inschat dan de Detam. Naar aanleiding van hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder Stichting Tot & Met om nader advies gevraagd. De adviseur heeft in reactie hierop aangegeven, dat er contact is geweest met de huisarts, die over alle recente en relevante informatie beschikte, en met de behandelend longarts van eiseres voor aanvullende informatie. Voorts zijn de cara-aandoening en de incontinentie van eiseres met de huisarts besproken en meegewogen in het advies. Daarnaast is bij eiseres medisch gezien geen sprake van een koudegevoelige aandoening, zodat er geen belemmering is voor reizen met het AOV. De adviseur heeft ten slotte herhaald, dat er zijns inziens geen medische noodzaak is voor een aangepaste auto. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat weliswaar vast staat dat eiseres gezien haar handicap geen gebruik kan maken van een fiets, noch van het reguliere openbaar vervoer, doch dat is vastgesteld dat voor eiseres alternatieve vervoermiddelen geschikt worden geacht en zij niet uitsluitend is aangewezen op vervoer per eigen auto. Eiseres kan namelijk reizen met het Stadsmobiel, per vervoer door derden en per taxi. Evenmin is sprake van een dagelijkse noodzakelijke vervoersbehoefte betreffende de korte en lange afstanden. Gezien het advies van de Stichting Tot & Met is er voorts bij eiseres geen medische indicatie voor gesloten buitenvervoer. Het feit dat eiseres destijds op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een vergoeding in de kosten van rijlessen heeft ontvangen, is geen aanleiding om tot toekenning van een bruikleenauto over te gaan. Standpunten van partijen Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met het door verweerder overgenomen standpunt van de adviseur, dat bij haar geen sprake is van een koudegevoelige aandoening, die gesloten buitenvervoer noodzakelijk zou maken. Eiseres heeft aangegeven dat zij wel degelijk koudegevoelig is en het zowel in de zomer als in de winter erg koud heeft. Ter onderbouwing van haar standpunt, dat zij gezien haar medische situatie in aanmerking zou moeten komen voor een bruikleenauto, heeft eiseres haar medische dossier overgelegd. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij medisch gezien niet in staat is met het Stadsmobiel te reizen en dat het Stadsmobiel bovendien niet functioneert. Verweerder heeft zijn in het bestreden besluit weergegeven standpunt gehandhaafd en aangevoerd dat eiseres haar betwisting van de medische beoordeling niet met medische verklaringen heeft onderbouwd. Ten aanzien van het functioneren van het Stadsmobiel heeft verweerder gesteld dat zich weliswaar problemen hebben voorgedaan op het terrein van onder meer bereikbaarheid en op tijd rijden, doch dat thans door diverse aanpassingen en vele inspanningen van alle betrokken partijen het Stadsmobiel binnen de in redelijkheid te stellen eisen opereert. Uitgangspunt bij het formuleren van normen waaraan het Stadsmobiel moet voldoen, dient te zijn dat door deze voorziening een gehandicapte de mogelijkheid wordt geboden tot deelname aan het leven van alledag. Ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake geldt daarbij evenwel dat van de gehandicapte in redelijkheid kan worden gevergd dat hij zich zekere beperkingen getroost, waaronder eveneens een versobering ten opzichte van de situatie van vóór de invoering van de Wvg is begrepen. Deze in redelijkheid te vergen beperkingen dienen te worden meegewogen bij de beoordeling van de normen waaraan het Stadsmobiel dient te voldoen. Verweerder is van mening dat de rechtbank bij deze beoordeling een zeer terughoudende toets dient aan te leggen, met name gezien de zeer ingrijpende -financiële- gevolgen die verbonden zouden zijn aan een rechterlijk oordeel, dat het Stadsmobiel in het algemeen niet als basis voor een adequate voorziening kan dienen. Verweerder stelt zich concluderend op het standpunt dat het Stadsmobiel een adequate voorziening is als bedoeld in de Verordening voorzieningen gehandicapten. Overwegingen In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres om verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto heeft afgewezen. Ten aanzien van vervoersvoorzieningen is per 1 april 1994 de Wvg in werking getreden. Het bestreden besluit is krachtens deze wet genomen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening. Ingevolge artikel 3 van de Wvg biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen wordt verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. Door het bestuur van de gemeente Amsterdam was ten tijde van het bestreden besluit uitwerking gegeven aan de haar bij de Wvg opgelegde zorgplicht door de Verordening voorzieningen gehandicapten van 23 februari 1994, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 augustus 1996 (hierna: de Verordening), vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Ten tijde hier van belang luidden de relevante bepalingen daarvan als volgt. Ingevolge artikel 1.2 van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover: a. deze in overwegende mate op het individu is gericht; b. deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om diens belemmering op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning te verplaatsen op te heffen of aanzienlijk te verminderen; c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; d. de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de resterende technische levensduur van de woonruimte, het vervoermiddel of de rolstoel. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder 1., van de Verordening kunnen Burgemeester en Wethouders een vervoersvoorziening verstrekken, bestaande uit een al dan niet aangepaste voorziening in natura in de vorm van: a. een auto; b. een gesloten buitenwagen; c. een open elektrische buitenwagen/scootmobiel; d. een ander verplaatsingsmiddel. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder 3., sub b van de Verordening kunnen Burgemeester en Wethouders een vervoersvoorziening verstrekken, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of een taxi of vervoer door derden. Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening verlenen Burgemeester en Wethouders slechts een vervoersvoorziening wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek daartoe nopen. Ingevolge artikel 3.3., derde lid, van de Verordening houden Burgemeester en Wethouders bij de vervoersvoorziening rekening met de individuele vervoersbehoeften. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening kunnen Burgemeester en Wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte afwijken van de bepalingen in deze verordening. Ten aanzien van de in artikel 3.1., aanhef en onder 1., sub a van de Verordening gegeven bevoegdheid tot verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van een auto hanteert verweerder het beleid, dat een auto slechts wordt verstrekt indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.