Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer Uitspraak reg.nr: 98/3461 WET 19 inzake: 1. RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. (hierna: HMG), gevestigd te Luxemburg, 2. la Compagnie Luxemburgeoise de Télédiffusion UFA (hierna: CLT), gevestigd te Luxemburg, eiseressen, tegen: het Commissariaat voor de Media, gevestigd te Hilversum, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 31 maart 1998. II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 20 november 1997 heeft verweerder beslist - dat HMG voor de programma's van RTL4 en RTL5 als de verantwoordelijke omroeporganisatie geldt, - dat zij onder de bevoegdheid van Nederland en derhalve onder het toezicht van verweerder valt en - dat verweerder het verzorgen door HMG en het uitzenden door kabelexploitanten van deze programma's onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde duur zal gedogen. Tegen dit besluit is namens eiseressen bij bezwaarschrift van 24 december 1997 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit onder wijziging van de gedoogtermijnen gehandhaafd. Bij beroepschrift van 27 april 1998 (met bijlagen) heeft mr. E.J. Dommering, advocaat te Amsterdam, namens eiseressen tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en op de daartoe aangevoerde gronden de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen, zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure. Voorts is namens eiseressen ten aanzien van een aantal overgelegde produkties om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht. Bij brief van 27 april 1998 heeft mr. Dommering voornoemd zich namens eiseressen tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 20 mei 1998 heeft de president dit verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst (reg.nr. AWB 98/3450 WET). Bij brief van 25 maart 1999 heeft Scandinavian Broadcasting System SBS 6 B.V. (hierna: SBS), een in Nederland gevestigde omroeporganisatie die het televisieprogramma SBS6 verzorgt, verzocht haar in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Verweerder heeft op 27 april 1999 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van een aantal stukken de rechtbank verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. Na daartoe door de rechtbank te zijn opgeroepen zijn eiseressen, verweerder en SBS op 20 januari 2000 verschenen ter comparitie teneinde inlichtingen te verstrekken in verband met de verzoeken om toepassing van de artikelen 8:26 en 8:29 van de Awb. Nadat partijen en SBS daarover overeenstemming hadden bereikt heeft de rechtbank bij brief van 17 april 2000 aan partijen medegedeeld dat met analoge toepassing van artikel 8:29 van de Awb "aan verweerder en SBS thans uitsluitend die door eiseressen in geding gebrachte stukken zullen worden gestuurd ten aanzien waarvan eiseressen geen artikel 8:29 Awb-verzoek hebben gedaan". Bij beslissing van eveneens 17 april 2000 heeft de rechtbank SBS in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding. Eiseressen en verweerder hebben bij brieven van 13 juni 2000 ieder nog een stuk in het geding gebracht. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 15 juni 2000, waar eiseressen zijn verschenen bij gemachtigde mr. Dommering, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam. SBS is zonder kennisgeving niet verschenen. Voorts waren ter zitting aanwezig: M. Fortems, werkzaam bij HMG; G. Lommel, werkzaam bij CLT, alsmede mr. M.P.H. Betzel, juridisch medewerker bij verweerder. III MOTIVERING Feiten Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. In 1989 is CLT, beschikkende over een Luxemburgse concessie, begonnen met het uitzenden van een televisieprogramma op de Nederlandse markt onder de naam RTL-Veronique. Verweerder heeft in 1989 beslist dat het programma RTL-Veronique een van een buitenlandse omroepinstelling, en wel van CLT, afkomstig programma is. Voormeld besluit van verweerder is bevestigd door de (toenmalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ARRS) bij uitspraak van 5 september 1990 (AB 1991/372). In 1990 is de programmanaam RTL-Veronique gewijzigd in RTL4. Vervolgens heeft CLT een tweede op Nederland gericht programma geïntroduceerd, te weten RTL5. In 1995 is CLT binnen haar dochteronderneming, RTL4 S.A., een samenwerking aangegaan met Veronica, hetgeen heeft geresulteerd in de oprichting van HMG. HMG is gevestigd te Luxemburg en houdt mede kantoor te Hilversum. Voor de programma's RTL4 en RTL5 zijn laatstelijk op 26 april 1995 aan CLT door de Luxemburgse autoriteiten concessies verleend, geldig tot 31 december 2010. Bij brief van 26 november 1996 heeft verweerder RTL4 S.A. medegedeeld naar aanleiding van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 september 1996 in de zaak van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (C-222/94) en een voorstel tot wijziging van de Europese omroeprichtlijn, de mogelijkheden te onderzoeken om RTL4 en RTL5 onder Nederlands toezicht te brengen en RTL4 S.A. om een reactie gevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft op 6 februari 1997 een bijeenkomst plaatsgevonden van verweerder met vertegenwoordigers van HMG en RTL4 S.A. Bij brief van 6 november 1997 heeft SBS verweerder onder verwijzing naar de gewijzigde Europese omroeprichtlijn verzocht haar mede te delen welke commerciële omroepen in zijn beleving onder zijn toezicht vallen. Nadat eiseressen tegen verweerders primaire besluit bezwaar hadden gemaakt, heeft verweerder SBS bij brief van 23 januari 1998 medegedeeld haar in de bezwaarschriftenprocedure aan te merken als belanghebbende. SBS is door verweerder op 10 februari 1998 in een besloten hoorzitting separaat van verzoeksters gehoord. HMG en CLT zijn op 13 februari 1998 gehoord, eveneens in een besloten hoorzitting. Het primaire besluit. In het primaire besluit, waarvan de inhoud hiervoor kort is weergegeven, heeft verweerder overwogen dat onderzoek van de feitelijke situatie met betrekking tot de programma's RTL4 en RTL5 en toetsing van die situatie aan de criteria van artikel 1 en 2, tweede en derde lid, van de in 1997 gewijzigde Europese omroeprichtlijn uitwijst dat HMG dient te worden aangemerkt als de omroeporganisatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, en dat HMG de in artikel 2, derde lid, van deze richtlijn bedoelde programmeringsbesluiten in Hilversum neemt. Van dit onderzoek en deze toetsing is verslag gedaan in het ongedateerde stuk van verweerder "RTL4 en RTL5 onder Nederlands toezicht. Een inventarisatie". Indien en voor zover ervan moet worden uitgegaan dat HMG haar hoofdkantoor in Nederland heeft, wordt HMG op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder a, van de richtlijn geacht in Nederland gevestigd te zijn, waaruit volgt dat HMG onder de bevoegdheid van Nederland en derhalve onder het toezicht van verweerder valt. Ook indien HMG haar hoofdkantoor in Luxemburg heeft, moet naar het oordeel van verweerder HMG op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder b, van de richtlijn worden geacht gevestigd te zijn in Nederland, aangezien het overgrote deel van het personeel dat bij de televisie-omroepactiviteiten van RTL4 en RTL5 betrokken is, in Nederland werkzaam is. Verweerder heeft verder vastgesteld dat HMG als commerciële omroepinstelling in de zin van de Mediawet (hierna ook: Mw) niet beschikt over de ingevolge artikel 71a van deze wet vereiste toestemming voor het verzorgen van de commerciële omroepprogramma's RTL4 en RTL5 en het kabelexploitanten ingevolge artikel 82h van de Mw niet is toegestaan deze programma's uit te zenden. Vanwege het ontbreken van een wettelijke overgangsregeling heeft verweerder besloten de verzorging door HMG van deze programma's en de uitzendingen daarvan voorlopig te gedogen, mits HMG vóór 6 januari 1998 de in artikel 71a van de Mw bedoelde toestemming aanvraagt en - voor zover de televisieprogramma's RTL4 en RTL5 (inhoudelijk) nog niet voldoen aan de bij of krachtens de Mediawet gestelde eisen - deze zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 1 maart 1998, daaraan aanpast. Het bestreden besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder gewijzigde vaststelling van de afloop van de gedoogtermijnen op 1 mei respectievelijk 1 september 1998. Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen. Het bezwaar van eiseressen dat zij ten onrechte niet vóór het primaire besluit zijn gehoord is misplaatst. Het was niet nodig CLT in die fase te horen omdat CLT haar belangen bij de programma's RTL4 en RTL5 via haar dochtervennootschap RTL4 S.A. heeft ondergebracht bij (het Comité van Aandeelhouders van) HMG. CLT is bovendien via RTL4 S.A. in de gelegenheid gesteld zich te doen horen. Zowel HMG als RTL4 S.A. waren immers op de bijeenkomst op 6 februari 1997 vertegenwoordigd. Voor zover er niettemin nog van een gebrek in de besluitvoorbereiding sprake zou zijn, dan is dat geheeld doordat eiseressen in de bezwaarprocedure in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde feiten en het verslag van het door verweerder daarnaar verrichte onderzoek. Eiseressen houden volgens verweerder voorts ten onrechte vast aan de uitspraak van de ARRS van 5 september 1990, omdat het daarin slechts ging om de vraag of Nederlandse kabelexploitanten het programma van RTL/V mochten doorgeven, terwijl het thans in het licht van recente rechtspraak van het Hof EG en de gewijzigde omroeprichtlijn gaat om de vraag welke lidstaat over de programma's RTL4 en RTL5 het toezicht moet uitoefenen. Voorts was ten tijde van deze uitspraak van de ARRS nog geen sprake van de samenwerking in HMG met Veronica en de onderbrenging van CLT's belangen bij RTL4 en RTL5 in HMG. Evenmin slaagt het bezwaar van eiseressen, dat de richtlijn tot wijziging van de oorspronkelijke omroeprichtlijn nog niet in de Mediawet is geïmplementeerd. Met de inwerkingtreding op 1 september 1997 van de wet tot wijziging van de Mediawet is de implementatie van de richtlijn in haar gewijzigde vorm door middel van dynamische verwijzing voltooid. Het middel van dynamische verwijzing is een toelaatbare wijze van implementatie. Dit bezwaar kan eiseressen, ook als het juist zou zijn, overigens niet baten, omdat toetsing van de feitelijke situatie aan de oorspronkelijke richtlijn, gegeven de uitleg als vervat in meerbedoelde jurisprudentie van het Hof, tot geen ander resultaat zou leiden. Ook het betoog van eiseressen dat met 'redactionele verantwoordelijkheid' in artikel 1 van de gewijzigde richtlijn 'uiteindelijke verantwoordelijkheid' is bedoeld, slaagt niet. Het vindt geen steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de wijzigingsrichtlijn. Daarbij is overigens ook van belang dat CLT geen doorslaggevende stem heeft als het gaat om de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de programma's van RTL4 en RTL5. CLT heeft indirect, te weten via dochtervennootschappen, een belang van niet meer dan circa 40% in HMG. Volgens de door eiseressen overgelegde bepalingen van de merger agreement, de overeenkomst inzake de oprichting van HMG, ligt de door CLT bedoelde bestuurlijke of uiteindelijke verantwoordelijkheid bij het comité van aandeelhouders van HMG en niet bij CLT. Verweerder bestrijdt verder de lezing van eiseressen als zou het begrip 'programmeringsbesluiten' in artikel 2, derde lid, van de gewijzigde richtlijn samenvallen met evengenoemde 'redactionele verantwoordelijkheid'. Volgens verweerder gaat het om de beslissingen aangaande de redactionele verantwoordelijkheid voor de samenstelling van de schema's van de programma's RTL4 en RTL5. Waar dergelijke beslissingen worden genomen is eerder sprake van het daadwerkelijk uitoefenen van een economische activiteit door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd, zoals voor de toepassing van het algemene vestigingsbegrip moet worden bepaald, dan waar de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid wordt gedragen. Ten slotte volgt verweerder eiseressen ook niet in hun betoog dat primair bij CLT en subsidiair bij HMG een aanzienlijk deel van het in artikel 2, derde lid, van de gewijzigde richtlijn bedoelde personeel werkzaam is. Op grond van zowel de bij zijn onderzoek achterhaalde gegevens als de door eiseressen verstrekte gegevens houdt verweerder het erop dat het merendeel van het relevante personeel bij HMG in Hilversum werkzaam is. De gronden van het beroep Eiseressen hebben aan het beroep het volgende ten grondslag gelegd. Artikel 4:8 van de Awb is wel degelijk geschonden doordat verweerder heeft nagelaten eiseressen uit te nodigen voor een hoorzitting voorafgaande aan het primaire besluit van 20 november 1997. Dit gebrek kan niet kan worden geheeld in de bezwaarfase omdat dan ten onrechte de besluitvormingsfase waarop artikel 4:8 van de Awb ziet zou worden overgeslagen. Verweerder heeft tot nu toe aanvaard dat - zoals ook de ARRS in 1990 juist heeft geoordeeld - CLT de omroeporganisatie is die de programaa's RTL4 en RTL5 verzorgt en dus onder Luxemburgs toezicht valt. Het is in strijd met de rechtszekerheid hiermee te breken. Met het bestreden besluit roept verweerder bovendien naast de bestaande Luxemburgse, een Nederlandse en dus een dubbele rechtsmacht in het leven; daarmee frustreert verweerder de bedoeling van de richtlijn: onbelemmerde doorgifte van grensoverschrijdende uitzendingen. CLT draagt onverminderd de redactionele verantwoordelijkheid voor het programmeringsbeleid en de schema's van programma's, als in de richtlijn bedoeld. Zij draagt immers de eindverantwoordelijkheid voor de redactionele beslissingen, hetgeen ook de ARRS destijds doorslaggevend achtte. CLT is dan ook nog steeds aan te merken, zoals de Luxemburgse autoriteiten ook doen, als de verantwoordelijke omroeporganisatie. De slechts verduidelijking beogende wijziging van de richtlijn brengt daarin geen verandering. De samenwerking met Veronica heeft evenmin geleid tot wijziging van deze verantwoordelijkheidsstructuur, zoals reeds blijkt uit de Luxemburgse, aan CLT verleende, concessies en de overgelegde bepalingen van de merger agreement, de overeenkomst waarmee HMG in het leven is geroepen. CLT heeft haar belangen bij RTL4 en RTL5, anders dan verweerder heeft overwogen, niet ondergebracht in HMG. HMG is, sinds het samenwerkingsverband met Veronica, de nieuwe naam van RTL4 S.A. Ook het personeelscriterium wijst naar CLT te Luxemburg. Het gaat daarbij niet om het personeel dat betrokken is bij het zelf maken van programma's maar om de betrokkenheid bij het vaststellen van het format en de doelgroep en het zorgen voor de uitzending van die programma's. De door verweerder als methode van implementatie van de wijzigingsrichtlijn genoemde dynamische verwijzing voldoet niet aan de eisen van rechtszekerheid. In de tekst van artikel 1, aanhef en onder ll, en artikel 4 van de gewijzigde Mediawet, alsmede in hun totstandkomingsgeschiedenis, ontbreekt een verwijzing naar de wijziging van de richtlijn. Verweerder kan dan ook niet de gewijzigde tekst van de richtlijn aan eiseressen tegenwerpen. Ten slotte heeft verweerder volgens eiseressen met zijn besluit miskend, dat verkregen rechtsposities, zoals die van CLT, dienen te worden gerespecteerd en dat bij eventuele wijziging daarin een ruime overgangsperiode in acht dient te worden genomen. Het verweer Verweerder heeft aan het gestelde in het bestreden besluit, kort samengevat, toegevoegd dat het de bedoeling is van de Europese regelgeving om, los van ingewikkelde concernverhoudingen en besluitvormingsregels, aan de hand van praktische criteria te doen blijken waar zich het centrum van de activiteiten van de betrokken omroeporganisatie bevindt. Het terzake ingenomen standpunt van verweerder schept geen dubbele rechtsmacht en onderwerpt HMG niet aan dubbel toezicht. Vaststelling dat Nederland de bevoegde lidstaat is die erop toe heeft te zien dat met de programma's RTL4 en RTL5 wordt voldaan aan de terzake geldende regels brengt mee dat Luxemburg naar verweerders oordeel geen rechtsmacht toekomt. De Luxemburgse autoriteiten hebben overigens geen bezwaar aangetekend bij het door de richtlijn in het leven geroepen consultatie-orgaan, zijnde het Contact Comité. Overwegingen De rechtbank behandelt eerst het standpunt van eiseressen dat verweerder bij de totstandbrenging van het primaire besluit artikel 4:8 van de Awb heeft geschonden en dat om die reden niet alleen het bestreden besluit maar ook het primaire besluit niet in stand kan blijven. In artikel 4:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en b. die gegevens niet door belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht niet heeft bestreden dat het primaire besluit een besluit is waarop deze bepaling van toepassing is. Eiseressen hebben dit besluit immers niet aangevraagd, terwijl zij daarbij wel belanghebbende zijn en verweerder kon verwachten dat zij tegen dat besluit bedenkingen zou hebben, nu het besluit ertoe strekt ten aanzien van de televisieprogramma's RTL4 en RTL5, voor de uitzending waarvan CLT over een Luxemburgse concessie beschikt, HMG in plaats van CLT als omroeporganisatie aan te wijzen en te bepalen dat HMG terzake onder Nederlandse jurisdictie en dus onder toezicht van verweerder valt. Tevens is voldaan aan de in artikel 4:8 onder a en b genoemde voorwaarden. Met zijn brief van 26 november 1996 evenmin als met de daarop gevolgde bijeenkomst op 6 februari 1997 is aan het hier besproken voorschrift voldaan. In deze periode was verweerder immers nog slechts voornemens te gaan onderzoeken of de voor de uitzending in Nederland van de programma's RTL4 en RTL5 verantwoordelijke organisatie onder Nederlandse mediarechtelijke rechtsmacht viel, terwijl artikel 4:8 ziet op de fase waarin het bestuursorgaan zijn primaire besluitvorming in beginsel heeft afgerond en voornemens is een voor belanghebbende belastende beslissing te nemen. Ook nadien heeft verweerder eiseressen niet vóór de bekendmaking van zijn primaire beslissing in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:11 is - verweerder heeft het tegendeel ook niet betoogd - geen sprake. Het voorschrift van artikel 4:8 is dus geschonden. Anders dan eiseressen hebben betoogd brengt het enkele feit dat artikel 4:8 niet is nageleefd evenwel niet mee dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit manco in de aan het primaire besluit voorafgaande besluitvormingsfase leent zich immers in beginsel voor herstel in de bezwaarfase. Eiseressen hebben de rechtbank niet ervan kunnen overtuigen dat en waarom deze herstelmogelijkheid in het onderhavige geval niet heeft opengelegen. Met name is niet gebleken waarom eiseressen de bezwaarfase niet zouden hebben kunnen benutten om middels overlegging van nog andere bewijsstukken dan door hen aan hun bezwaarschrift gehecht en mondelinge toelichting ter hoorzitting datgene onder de aandacht van verweerder te brengen dat zij - indien daartoe in de gelegenheid gesteld - als of ter ondersteuning van hun zienswijze naar voren hadden willen brengen. Eiseressen hebben in dit verband betoogd dat zij ervoor beducht waren geworden verweerder van meer stukken te voorzien omdat verweerder - anders dan door eiseressen in hun bezwaarschrift verzocht - niet alle bij dat bezwaarschrift overgelegde documenten als vertrouwelijk (en dus - onder toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb - niet aan derden ter inzage te leggen) heeft willen aanmerken. Dit betoog gaat evenwel niet op. Verweerder heeft met betrekking tot bedoelde documenten correct gehandeld, door eiseressen bij brief van 30 januari 1998 te berichten een deel van die stukken wegens het zijns inziens ontbreken van gewichtige redenen voor geheimhouding niet als vertrouwelijk aan te merken en dat deel van de stukken voor (door verweerder als belanghebbende in de bezwaarfase betrokken) SBS op 5 februari 1998 ter inzage te zullen leggen, tenzij eiseressen voordien op dit punt de president van deze rechtbank om een voorlopige voorziening zouden hebben verzocht. Dat een dergelijke procedure voor eiseressen, zoals zij ter zitting nog hebben verklaard, om redenen van publicitaire aard geen optie was, komt voor hun rekening en brengt niet mee dat verweerders handelwijze in deze ondeugdelijk was. In deze handelwijze hebben eiseressen dan ook geen goede grond voor de door hen bedoelde beduchtheid kunnen vinden. Dit alles voert op dit punt tot de slotsom dat aan de schending van evengenoemde bepaling op de voet van artikel 6:22 van de Awb wordt voorbijgegaan. Voor de beoordeling van het beroep ten gronde zijn nader te noemen bepalingen van de Mediawet (zoals gewijzigd bij de op 1 september 1997 in werking getreden wet van 5 juli 1997) en de Europese omroeprichtlijn van belang. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mw vallen in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland, als bedoeld in artikel 1, onderdelen hh en ii, natuurlijke en rechtspersonen die een televisieprogramma verzorgen en krachtens de Europese richtlijn onder de bevoegdheid van Nederland vallen. In artikel 1, aanhef en onder hh, van de Mw is bepaald dat onder commerciële omroepinstelling wordt verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon die een omroepprogramma verzorgt voor uitzending door middel van een of meer zenders of draadomroepinrichtingen in Nederland en voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt, met uitzondering van de instellingen die zendtijd hebben verkregen. In artikel 1, aanhef en onder ll, van de Mw is bepaald dat onder Europese richtlijn wordt verstaan: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298). De Europese omroeprichtlijn 89/552/EEG is gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG, welke wijziging op 30 juli 1997 in werking is getreden. In haar aldus gewijzigde vorm zal de richtlijn hierna worden aangeduid als: de richtlijn. Bij verwijzing naar de oorspronkelijke tekst van de richtlijn wordt zij aangeduid als: richtlijn 89/552/EEG. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de wijziging van de richtlijn 89/552/EEG correct is gemplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving en met name in de op 1 september 1997 van kracht geworden gewijzigde Mediawet. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze vraag in het midden blijven. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat dit niet het geval is en de richtlijn dus niet in haar gewijzigde vorm aan eiseressen kan worden voorgehouden, geldt immers het volgende. In dat geval is de ongewijzigde richtlijn 89/552/EEG van toepassing. Artikel 2 daarvan luidt, voor zover hier van belang, dat elke lidstaat erop toeziet dat alle televisie-uitzendingen van televisie-omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat. Ten aanzien van de vraag welke omroeporganisaties onder de bevoegdheid van enige lidstaat vallen bevat de richtlijn 89/552/EEG geen nadere bepalingen. Het Europese Hof van Justitie heeft bij arrest van 10 september 1996 inzake de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland (zaak C-222/94) overwogen dat voor de bevoegdheidsbepaling het vestigingscriterium dient te worden toegepast en dat problemen bij het vaststellen van de plaats waar de omroeporganisatie gevestigd is een oplossing kunnen vinden door dit criterium uit te leggen als de plaats waar de omroeporganisatie het centrum van zijn activiteiten heeft, met name de plaats waar de beslissingen betreffende het programmeringsbeleid en de definitieve samenstelling van de uit te zenden programma's worden genomen. De rechtbank stelt vast dat in dit arrest reeds de criteria zijn genoemd welke bij de wijziging van de richtlijn daarin zijn opgenomen. Het verschil met de richtlijn is dat het onderhavige arrest geen hiërarchie ten aanzien van de te onderscheiden criteria bevat. Het staat verweerder evenwel vrij om bij toepassing van richtlijn 89/552/EEG (in de ongewijzigde vorm) voor de vraag hoe de verschillende in het arrest genoemde criteria zich tot elkaar verhouden, aansluiting zoeken bij het gestelde in de richtlijn. Voor de beoordeling van de door verweerder in het bestreden besluit verrichte toetsing is de beantwoording van de partijen verdeeld houdende vraag naar de implementatie van de wijzigingsrichtlijn dus niet van belang. Artikel 1, aanhef en onder b, van de richtlijn luidt: In deze richtlijn wordt verstaan onder:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.