ECLI:NL:RBAMS:2002:AE5855
P/HO vonnis 25 juli 2002 RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING VONNIS i n d e z a a k m e t r o l n u m m e r KG 02/1482 P v a n:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ENQUÊTECOMMISSIE BOUWNIJVERHEID), zetelende te 's-Gravenhage, e i s e r e s bij dagvaarding van 9 juli 2002, procureur mr. K.Th.M. Stöpetie, advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage, t e g e n : de maatschap DELOITTE & TOUCHE ACCOUNTANTS, gevestigd te Amstelveen, g e d a a g d e , procureur mr. A. van Hees.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE Ter terechtzitting van 16 juli 2002 heeft eiseres, verder te noemen de Enquêtecommissie, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen Deloitte, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.
Na verder debat hebben partijen stukken overgelegd voor vonniswijzing.
GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten. a. De Enquêtecommissie is ingesteld bij besluit van 7 februari 2002 van de Tweede Kamer. Bij de voorbereiding van het onderwerp integriteitschendingen heeft de Enquêtecommissie kennis genomen van vermoedens van integriteitschendingen door ambtenaren bij de Directie Beheer en Onderhoud van de Provincie Zuid-Holland. b. Door Arthur Andersen Accountants is onderzoek verricht naar de handelwijze van medewerkers van de Provincie Zuid-Holland bij aanbesteding, uitvoering en betaling van onderhoudswerken, verder te noemen het onderzoek. Arthur Andersen Accountants is samengegaan met Deloitte. Het aan het onderzoek ten grondslag liggende onderzoeksdossier - met daarin de verslagen van de verhoren en de informatie die is verkregen bij de door Deloitte uitgevoerde leveranciersonderzoeken - berust thans ook onder Deloitte. Na lezing van het rapport kwam de Enquêtecommissie tot de conclusie dat zij behoefte heeft om het aan dat rapport ten grondslag liggende onderzoeksdossier te bestuderen. c. Bij brief van 24 juni 2002 heeft de Enquêtecommissie, met verwijzing naar artikel 3 van de Wet op de Parlementaire Enquête (WPE), verzocht inzage te krijgen in en mogelijk afschrift te nemen van het aan dit onderzoek ten grondslag liggende onderzoeksdossier. d. Op 27 juni 2002 is tijdens een bijeenkomst ten kantore van Deloitte in aansluiting op voornoemde brief inzage gevorderd in het onderzoeksdossier. Deloitte heeft inzage en afschrift geweigerd op basis van artikel 19 lid 2 WPE en heeft de weigering bij fax van diezelfde dag aan de Enquêtecommissie bevestigd. e. Bij fax en brief van 28 juni 2002 heeft de Enquêtecommissie aan Deloitte meegedeeld dat deze bepaling geen grond biedt voor haar weigering. Deloitte is bij haar weigering gebleven. Van de weigering is op voet van artikel 15 lid 1 WPE door de Enquêtecommissie proces-verbaal opgemaakt.
Deloitte heeft verzuimd aan te geven door welk aspect van (eventuele) openbaarmaking zij schade zal lijden alsmede hoe groot de ernst en omvang van haar (eventuele) schade bij benadering zal zijn. Tenslotte is door Deloitte niet aannemelijk gemaakt dat haar belang uitstijgt boven het zwaarwegend maatschappelijk belang van een zuivere waarheidsvinding - hetgeen ten deze doorslaggevend is -, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat onevenredige schade zal worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van het beroep van Deloitte. Het beroep op artikel 18 WPE faalt reeds bij gebrek aan belang, nu Deloitte niet heeft aangegeven waarom de weg van artikel 18b WPE (verzoek tot gehele of gedeeltelijk geheimhouding) niet afdoende zou zijn, aldus de Enquêtecommissie.
De Enquêtecommissie heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat de opgevraagde informatie noodzakelijk is ter voorbereiding van de planning en inrichting van de openbare verhoren, die zullen moeten plaatsvinden van ongeveer half augustus tot ongeveer half september 2002. Het ontbreken van het onderzoeksdossier heeft reeds tot aantasting van het onderzoek geleid, en zal, behoudens indien de aan de Voorzieningenrechter gevraagde voorziening wordt toegewezen, tot een onaanvaardbare verdere aantasting van het onderzoek leiden, althans voor een onaanvaardbaar verder oponthoud in de voortgang van het onderzoek zorgen, met alle maatschappelijk voelbare consequenties van dien, aldus tot slot de Enquêtecommissie.
Ook inhoudelijk beoordeeld, kan de vordering niet worden toegewezen. In het kader van het onderzoek is een groot aantal personen gehoord, en heeft onderzoek plaatsgevonden bij een aantal leveranciers. Deze verhoren en onderzoeken hebben een vertrouwelijk karakter. De verplichting tot geheimhouding die op Deloitte rust, is mede gebaseerd op haar expliciete toezeggingen aan betrokkenen en op het vertrouwen dat dezen in die toezegging en in Deloitte hebben gesteld. Bij de afweging van het belang van een op waarheid berustende rechtspleging enerzijds tegenover het hulpverleningsbelang anderzijds, is zowel door de strafrechter als door de civiele rechter het beroep van de registeraccountant op het verschoningsrecht afgewezen.
In dit geval zijn echter volstrekt andere belangen in het geding. Worden deze tegenover elkaar afgewogen, dan is het belang van Deloitte bij het nakomen van haar geheimhoudingsverplichting aanmerkelijk groter dan het belang van de Enquêtecommissie bij het verkrijgen van de door haar gevorderde onderzoeksdossiers. De Enquêtecommissie kan zelf de door Deloitte verhoorde personen en leveranciers voor verhoor oproepen. Deloitte is bereid hun namen aan de Enquêtecommissie door te geven. Daarmee wordt ook voorkomen dat de door Deloitte verhoorde personen niet de rechten kunnen uitoefenen die de WPE hen uitdrukkelijk toekent, zoals het verruimde verschoningsrecht van de artikelen 18 en 19 WPE en de (beperkte) immuniteit van artikel 24 WPE.
Daarnaast zou toewijzing van de vordering onevenredige schade toebrengen aan het belang van de uitoefening van het beroep van forensisch accountant, zodat artikel 18 WPE aan een toewijzing van de vordering aan de weg staat. De forensisch accountant kan alleen opereren als hij geheimhouding aan de door hem geraadpleegde bronnen kan garanderen. Een doorbreking van die garantie zal ertoe leiden dat een belangrijk deel van zijn bronnen niet meer beschikbaar zal zijn. De mogelijkheden van een forensisch onderzoek worden daardoor aanmerkelijk beperkt. Tot slot heeft de Enquêtecommissie andere mogelijkheden om aan eventueel nog gewenste informatie te komen. Haar verzoek is daarom in strijd met het subsidiariteitsbeginsel, aldus tot slot Deloitte.
Beoordeling van het geschil:
Deloitte heeft geweigerd aan deze verplichting te voldoen en heeft onder meer als verweer aangevoerd dat zich in het onderzoeksdossier verhoren van mensen bevinden, die - onder belofte van geheimhouding - tegenover Deloitte verklaringen hebben afgelegd en informatie hebben verstrekt in het kader van het onderzoek. Daarbij is niet aan de orde geweest de vraag of aan die mensen een verschoningsrecht toekwam, terwijl daarbij evenmin een rol heeft gespeeld of de afgelegde verklaring tegen die persoon of tegen derden als bewijs in rechte kan gelden. Deze vragen behoefden ook geen beantwoording, aangezien de verklaringen werden afgelegd en de informatie werd verstrekt onder de belofte van strikte geheimhouding. Door het overleggen van die verklaringen en/of informatie zouden deze in de openbaarheid kunnen komen, terwijl de in artikel 18, 19 en 24 WPE gegeven waarborgen voor getuigen niet gelden ten aanzien van deze verklaringen en/of informatie, aangezien deze niet zijn afgelegd tegenover of overhandigd aan de Enquêtecommissie. Dit verweer slaagt.
Nu de WPE aan getuigen in bepaalde gevallen een verschoningsrecht geeft en een -zij het beperkte - immuniteit aan hen verschaft, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat deze waarborgen worden omzeild door het opeisen van
BESLISSING IN KORT GEDING De voorzieningenrechter:
Gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 25 juli 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.
Coll.: