RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/120067-01 Datum uitspraak: 12 september 2002 op tegenspraak INTERLOCUTOIR VONNIS van de rechtbank Amsterdam, achtste meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [H.] op 10 oktober 1940, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], en aldaar feitelijk verblijvende. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2002. 1. Telastelegging Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd. Onder de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek ter terechtzitting zal in verband daarmee dienen te worden hervat. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. De raadsman heeft feiten en omstandigheden aangevoerd die naar zijn oordeel aanleiding hadden kunnen zijn voor het voeren van een niet-ontvankelijkheids- of onrechtmatig verkregen bewijsverweer doch die, om verdachte moverende redenen van medisch-psychologische aard, uitsluitend zijn voorgedragen als strafmaatverweer. De rechtbank is evenwel van oordeel dat zij zich dienaangaande ambtshalve ten principale dient uit te laten. Zij is zich er daarbij van bewust dat zij het belang van een zorgvuldige rechtspleging, ook met het oog op de berechting van andere gevallen, laat prevaleren boven het belang dat verdachte om genoemde redenen heeft bij een snelle afdoening van zijn strafzaak. De raadsman heeft aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de rekeninggegevens van de KB Lux die door autoriteiten in België aan de Nederlandse fiscus zijn verstrekt door werknemers van KB Lux zijn gestolen dan wel verduisterd, hetgeen zou neerkomen op een strafbare schending van het Luxemburgse bankgeheim. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat onduidelijk is op welke wijze de Belgische justitiële autoriteiten die gegevens vervolgens in handen hebben gekregen. De raadsman is van mening dat de lezing van de Belgische autoriteiten hieromtrent ongeloofwaardig is, hetgeen naar het oordeel van de raadsman ook is geconstateerd door het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, dat naar aanleiding van een klacht een onderzoek heeft verricht. De raadsman heeft het desbetreffende verslag van dit Comité van 27 juli 1999 op verzoek van de rechtbank overgelegd, zodat het thans onderdeel van het dossier uitmaakt. De raadsman meent dat het Belgische opsporingsapparaat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid over de schreef is gegaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Het opsporingsonderzoek in Nederland heeft een aanvang genomen met de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van Richtlijn 77/799/EEG. Deze gegevens bestaan uit kopieën van microfiches waarop gegevens van Nederlandse houders van een rekening bij KB Lux staan vermeld. In beginsel is de Nederlandse rechter niet gehouden de rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens door de Belgische autoriteiten te onderzoeken. Deze mag er immers op vertrouwen dat een verdragsstaat zijn opsporingsbevoegdheden in overeenstemming met de verdedigingsrechten van het EVRM zal uitoefenen. Dit is slechts anders indien er sterke aanwijzingen zijn dat die verdragsnormen zijn geschonden en wel zodanig dat door een mogelijk gebrek in de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek verdachte is geschaad in een belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen. Gelet op de inhoud van het verslag van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten en het verhandelde ter terechtzitting valt thans niet uit te sluiten dat een situatie als voornoemd zich hier voordoet. Teneinde zich daaromtrent een definitief oordeel te kunnen vormen heeft de rechtbank behoefte nader te worden geïnformeerd omtrent feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de verkrijging van de rekeninggegevens door de Belgische opsporingsdienst. Derhalve is het onderzoek niet volledig geweest en dient het te worden heropend, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen ter zake relevante informatie aan het dossier toe te voegen. De rechtbank heeft daarbij het oog op een schriftelijke verslaglegging in de vorm van een proces-verbaal, waarin zo gedetailleerd mogelijk en met opgave van de redenen van wetenschap dient te worden gerelateerd op welke wijze de rekeninggegevens door de bewuste werknemers aan de KB Lux zijn ontfutseld en hoe die gegevens vervolgens in handen van de Belgische justitie zijn gekomen. Met name met betrekking tot dit laatste dient het verslag van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten leidraad te zijn. In het proces-verbaal dient te worden ingegaan op de vraag of enige Nederlandse justitiële en/of fiscale opsporingsautoriteit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.