RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: [nummer] Datum uitspraak: 24 februari 2004 op tegenspraak VONNIS van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], [woonplaats], feitelijk verblijvende op het [adres], [woonplaats]. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 september 2003, 5 januari, 19 januari, 22 januari, 26 januari, 28 januari, 29 januari en 10 februari 2004. 1. Telastelegging Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 15 september 2003 gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd. De steller van de telastelegging heeft in het onder 2 en 3 telastegelegde de term gebruikt: Inspecteur der directe belastingen. De rechtbank zal dit ten aanzien van feit 2 lezen als: inspecteur van de eenheid (grote) ondernemingen en ten aanzien vn feit 3 als de inspecteur eenheid Particulieren/Ondernemingen, zijnde een verbetering waardoor de belangen van de verdediging niet worden geschaad. De rechtbank komt tot deze interpretatie omdat de term inspecteur der directe belasting als voorkomend in artikel 2 van de Organisatiebeschikking Rijksbelastingdienst (Stcrt 1964, nr 254) in etappes is vervangen door de Organisatieregeling Belastingdienst (Stcrt 1989, nr 21) waarin in artikel 3 en 4 wordt gesproken van eenheden (grote) ondernemingen, respectievelijk Particulieren/Ondernemingen. Vanaf 1994 tot 2003 gold de Uitvoeringsregeling Belastingdienst (Stcrt 1994/114) waarin genoemde begrippen bleven gehandhaafd. In dit vonnis gebruikt de rechtbank voor navolgende woorden of begrippen afkortingen als volgt: ABN AMRO Bank N.V.: de bank Van Doyer & Kalff: D&K Oxbridge Investments Limited: Oxbridge Vennootschapsbelasting: Vpb Inkomensbelasting: IB Vermogensbelasting: VB Aangifte voor de vennootschaps-Belasting voor het jaar 1992: Vpb 92 Bijlage: D/ Ambtshandeling: AH/ Getuigeverklaring: G/ Wetboek van Strafrecht: Sr Wetboek van Strafvordering: Sv Algemene Wet inzake Rijks-belastingen: AWR US Dollars: $ Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. EVRM Bij de vermelding van de wettige bewijsmiddelen zullen zowel de term "bewijsmiddel" als een meer uitgebreide aanhaling worden gebruikt. 2. Voorvragen 2.1. Geldigheid dagvaarding: De raadsman heeft namens zijn cliënt betoogd dat de dagvaarding onder 1 nietig verklaard dient te worden omdat dit onderdeel - zakelijk samengevat - niet voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. De rechtbank verwerpt dat verweer. De dagvaarding voldoet ten aanzien van het onder 1 daarin opgenomen telastegelegde feit van artikel 140 Sr aan de daaraan te stellen eisen. Naar opvatting van de rechtbank is de dagvaarding voor wat betreft de verweten gedragingen voldoende duidelijk voor verdachte en kan hij begrijpen waarvan hij wordt beschuldigd en kan hij zich daartegen verweren. De telastelegging is voldoende duidelijk in plaats en tijd, voldoende feitelijk uitgewerkt, niet onleesbaar en niet innerlijk tegenstrijdig. Ook is voldaan aan het bepaalde in de tweede volzin van artikel 261 lid 1 Sv jo artikel 6 lid 3 onder a EVRM. Daarbij geldt dat nu - naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ondermeer NJ 1986/389 ) - de omschrijving "deelnemen aan een organisatie" (in de thans te berechten strafzaak nader uitgewerkte rechtspersonen en natuurlijke personen) telkens mede feitelijke betekenis toekomt aan de eis van artikel 261 Sv is voldaan. Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat de door de raadsman geponeerde stelling dat de in de telastelegging gebruikte term oogmerk (door hem aangeduid als "onvoorwaardelijke opzet eis") niet ziet op artikel 261 Sv, maar alleen betrekking kan hebben op de vraag welke vorm van opzet moet worden aangenomen in verband met een bewezenverklaring van art. 140 Sr. Het heeft derhalve betrekking op een van de vragen van artikel 350 Sv en ziet dus niet op 261 Sv. 2.2. Ontvankelijk van de officier van justitie ten aanzien van feit 5. Verdediging. De verdediging heeft geconcludeerd dat de officier van justitie ten aanzien van feit 5 niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dat feit inmiddels is verjaard. Daartoe voert de raadsman aan dat ingevolge artikel 70 sub 2 Sr voor een misdrijf als het onderhavige een verjaringstermijn geldt van zes jaar. Indien als laatste betaling (AH/116) zou worden genomen 31 januari 1996, zou - ter stuiting van de verjaring - een daad van vervolging hebben moeten plaatsvinden vóór 31 januari 2002. De nadere vordering GVO, die is aan te merken als een daad van vervolging, is gedateerd 21 februari 2003 en derhalve te laat. Bij dupliek heeft de raadsman nog aangevoerd dat als niet 31 januari 1996 als aanvangsdatum zou mogen worden aangehouden, deze datum in elk geval dient te liggen vóór 21 februari 1997 en dat daarmee evenzeer het feit is verjaard. De officier van justitie. De officier van justitie stelt daar tegenover dat de door de raadsman genoemde datum van 31 januari 1996 niet relevant is te achten en dat alleen van belang is de omstandigheid dat verdachte tot 1 januari 1999 in dienst is geweest bij de bank en dat verdachte de door hem gedane betalingen - ondanks diverse interne onderzoeken - al die tijd heeft verzwegen. Zo bezien - zo stelt de officier van justitie - betreft het een omissiedelict dat, in elk geval voor een deel, nog niet is verjaard. Rechtbank. Bij de bespreking van dit verweer neemt de rechtbank als uitgangspunt dat in dit geval de termijn van de verjaring aanvangt (ingevolge artikel 71 Sr) op de dag na die waarop het feit is gepleegd, en dat op grond van artikel 70 sub 2 Sr bij artikel 328ter Sr een verjaringstermijn van zes jaar moet worden aangehouden. Naar opvatting van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte in de telastegelegde periode een bankrekening aanhield bij de bank Credit Européen te Luxemburg waarop gelden stonden in NLG, BEF, LUF, CH en USD en aan welke rekening creditcards verbonden waren tot het gebruik waarvan onder meer verdachte gerechtigd was. Op deze rekening zijn tussen 1 januari 1992 en 1 januari 1999 bedragen gestort waarover verdachte heeft beschikt (zie D/430). Voorts staat vast dat verdachte in oktober 1996 samen met [getuige 1] (G28/01) een reis heeft gemaakt vanuit Nederland naar Curaçao waarbij hij met genoemde [getuige 1] vanuit Curaçao via Miami naar Nassau (Bahamas) is gevlogen, alwaar zij enkele dagen hebben verbleven alvorens via Curaçao weer terug te vliegen naar Nederland. Dit verblijf op de Bahamas, dat ook voor verdachte een privé-karakter droeg, was op uitnodiging van [medeverdachte 1] in zijn functie van directeur van Oxbridge, en was voor verdachte en [getuige 1] kosteloos zoals blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en zoals ook volgt uit de verklaring van de [getuige 2] (G45/01) en de daarop betrekking hebbende stukken (D/217). Bij overeenkomst van 4 oktober 1996 (D/208) getekend te Nassau heeft verdachte als verkoper voor de bank of een van haar dochtervennootschappen D & K met "full authority to act for seller" een optieovereenkomst gesloten met Oxbridge vertegenwoordigd door meergenoemde [medeverdachte 1]. Vast staat voorts dat er jaarlijks een overeenkomst tot verkoop van een kasgeldvennootschap is gesloten waarbij de bank partij was van D & K, namelijk 09/12/1992; 27/10/1993; 15/11/1994; 11/12/1995; 01/09/1995 en 11/09/1996, waarbij steeds een betaling aan verdachte volgde kort na het afsluiten van de overeenkomst (AH/105, blz. 1 juncto D/698a, 698d, 698e1,698e2, 698f, 698g en de daarin voorkomende verwijzingen). Er was daarbij sprake van een reeks van betalingen die in direct verband stonden met het afsluiten van de opeenvolgende overeenkomsten. Vast staat dat door de bank Rentafixe N.V. in het leven is geroepen met de uiteindelijke bedoeling die vennootschap jaarlijks een dochtervennootschap te laten oprichten en te verkopen, de zogenaamde Egg (I) tot en met Egg X transacties. Voor zover die transacties jaarlijks zijn uitgevoerd heeft verdachte daarbij een actieve rol gespeeld (D/208). Vast staat ook dat verdachte bij het afsluiten van de eerste Egg-transactie geld heeft ontvangen. Hoewel van de Egg II transactie dat niet is vast te stellen, mag uit het succesvol afsluiten van deze transactie worden afgeleid dat verdachte ook daarvoor geld heeft ontvangen, nu uit de stukken op geen enkele wijze is af te leiden dat zulks niet het geval zou zijn geweest. De rechtbank leidt uit de door verdachte gegeven reactie (D/594 - aangetroffen tijdens doorzoeking bij [medeverdachte 2]) getiteld "reactie op de neerslaglegging d.d. 29/01/1998 van het beoordelingsgesprek 27/01/1998" af dat in dat gesprek nadrukkelijk de Oxbridgecase ter sprake is gekomen. Uit deze bijlage blijkt niet dat verdachte uit zichzelf iets heeft gezegd over de door hem uit de Oxbridge-transacties ontvangen gelden. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat verdachte bij brief van 27 juni 1997 (D/577) van de Belastingdienst bij monde van [ambtenaar] onder meer het navolgende is medegedeeld: "Ik wijs u er slechts op dat uw toekomstige betrokkenheid bij transactie met [medeverdachte 1] - gelet ook op de u thans bijgebrachte wetenschap - ertoe zal leiden dat de bank bij het bestrijden van de mogelijk onwenselijke fiscale gevolgen zeker niet buiten schot zal kunnen blijven". Nadien is verdachte nadrukkelijk door de bank aangesproken op de Oxbridge-transacties en is er ook nog een nader gesprek geweest met genoemde [ambtenaar]. Naar opvatting van de rechtbank moet het tijdstip waarop de verjaring aanvangt worden geijkt aan de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol dat verdachte, gelet op zijn hoge functie bij de bank en zijn eigen verantwoordelijkheid niet in een dagelijkse ondergeschiktheidsrelatie stond en kan er dus ook niet van worden uitgegaan dat verdachte wekelijks verantwoording voor zijn handelen diende af te leggen bij zijn superieuren. Dat betekent dat verdachte een redelijke termijn had om zelfstandig melding te maken van betalingen die hem in privé waren gedaan. Het beoordelingsgesprek in januari 1998 was daarvoor een aangewezen moment. Nu vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan, is de termijn van de verjaring niet aangevangen voor 27 januari 1998. Daarmee valt de vervolging ter zake van 328ter Sr binnen de hiervoor gegeven termijnen en kan de officier van justitie in zijn vordering worden ontvangen en wordt het verweer verworpen. 3. Waardering van het bewijs 3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 4 is telastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. 3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 telastegelegde: in de periode vanaf 1 januari 1992 tot en met 11 april 2000 te Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie (dossier HA 9925), zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en American Energy B.V. (voorheen Anterra Beheer B.V.) en Oxbridge Investments Limited en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - het doen van onjuiste aangifte Vennootschapsbelasting (artikel 68 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (oud)) en - omkoping van anderen dan ambtenaren (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht), welke deelneming bestond uit het verrichten van handelingen en het bijwonen van besprekingen betreffende de aankoop en/of verkoop van kasgeldvennoootschappen en/of het verrichten van (voorbereidende) handelingen betreffende de aankoop en/of verkoop van immateriële activa en/of het overboeken en/of het ontvangen van het kasgeld van voormelde kasgeldvennootschappen naar en/of op buitenlandse bankrekeningen en/of het leggen en/of onderhouden van contacten; ten aanzien van het onder 3 telastegelegde: op - 9 november 1994, tweemaal, (bijlagen) D/B1 en D/B2) en - 1 november 1996, (bijlage D/B3) en - 17 oktober 1997, (bijlage D/B4) en - 4 juli 1998, (bijlage D/B5), in Hilversum telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen (voor wat betreft de jaren 1992 en 1993 en 1994) en de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen en Vermogensbelasting (voor wat betreft de jaren 1995 en 1996) voor zichzelf onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens opzettelijk onjuist opgegeven, door middel van een telkens door, verdachte, ingevuld (ondertekend) en bij de Inspecteur van de eenheid (grote) ondernemingen te Hilversum ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting over respectievelijk 1992 (bijlage D/B1) en 1993 (Bijlage D/B2) en 1994 (Bijlage D/B3) en 1995 (bijlage D/B4) en 1996 (bijlage D/B5), zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, dat zijn belastbaar inkomen respectievelijk fl.316.889,- over het jaar 1992 (bijlage D/B1) en fl.330.717,- over het jaar 1993 (bijlage D/B2) en fl. 379.277,- over het jaar 1994 (bijlage D/B3) en fl.408.076,- over het jaar 1995 (bijlage D/B4) en fl.432.192,- over het jaar 1996 (bijlage D/B5) bedroeg, terwijl dat belastbaar inkomen in werkelijkheid telkens meer bedroeg dan het aangegeven bedrag, zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven; ten aanzien van het onder 5 telastegelegde: op tijdstippen in de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1999 te Amsterdam, meermalen, anders dan als ambtenaar, immers werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Van Doyer & Kalff B.V. en ABN/AMRO Bank N.V., naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekkingen heeft gedaan dan wel zal doen, te weten het bemiddelen bij de aankoop en/of verkoop van diverse vennootschappen aan Oxbridge Investments Limited en/of het sluiten van overeenkomsten met Oxbridge Investments Limited en/of het overleggen met de belastingdienst, telkens een gift heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw telkens heeft verzwegen tegenover zijn werkgever. Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 4. Het bewijs Bespreking bewijsverweren. ten aanzien van het onder 3 telastegelegde: Namens de verdediging is aangevoerd dat de uit Guernsey afkomstige gegevens niet kunnen worden gebruikt voor een bewezenverklaring van feit 3, zoals door de officier van justitie in zijn requisitoir vermeld. Zulks geldt volgens de verdediging eveneens voor datgene dat daar rechtstreeks uit voortvloeit, waarbij hij doelt op het gebru[ambtenaar van de belastingdienst][controlerend ambtenaar belastingdienst], (gehoord bij de RC op 3 maart 2003) van het cijfermateriaal bij het opstellen van het fiscale rapport [verdachte] (D/677) als ook op de gesignaleerde geldtransacties van Guernsey naar Luxemburg. De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat nu geen toestemming is verkregen voor gebruik voor fiscaalstrafrechtelijke doeleinden, de uit de rechthulpverzoeken aan Guernsey ontvangen gegevens niet gebruikt kunnen worden voor feit 3. Naar opvatting van de rechtbank betreft dit alle bescheiden die verkregen zijn in het kader van het rechtshulpverzoek aan Guernsey, dus zowel de stukken en de vruchten daarvan, als de verklaringen van de getuigen die in dat kader in Guernsey zijn gehoord (G 51 t/m 54). Zulks geldt dus evenzeer voor gesignaleerde geldtransacties van Guernsey naar Luxemburg voorzover de onderbouwing daarvan plaatsvindt door middel van uit Guernsey afkomstig bewijsmateriaal. Ten aanzien van het vermeende gebruik door [ambtenaar van de belastingdienst] van cijfermateriaal ten behoeve van het fiscale rapport [verdachte] overweegt de rechtbank als volgt. In AH/148 is uiteengezet hoe de gang van zaken is geweest met betrekking tot het bezoek van [ambtenaar van de belastingdienst] aan Guernsey in juni 2001. Uit die ambtshandeling blijkt dat officier van justitie Van der Werff toestemming heeft gegeven voor de aanwezigheid van [ambtenaar van de belastingdienst], doch dat daarvoor vooraf toestemming benodigd was van de autoriteiten op Guernsey. Uit AH/148 maakt de rechtbank op dat de toestemming gevraagd en verkregen is, met dien verstande dat [ambtenaar van de belastingdienst] niet bij getuigenverhoren aanwezig mocht zijn. Uit genoemde AH/148 blijkt dat ook. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat [ambtenaar van de belastingdienst] informatie verkregen uit Guernsey heeft doorgespeeld aan de belastingdienst of dat hij cijfermateriaal gebruikt zou hebben ten behoeve van het fiscaal rapport.. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het opgestelde fiscaal rapport [verdachte] om die reden uit te sluiten van bewijs. ten aanzien van het onder 3 en 5 telastegelegde: De rechtbank zal in gezamenlijkheid behandelen de vraag voor welke aan verdachte telastegelegde feiten de gegevens die in vervolg op de rechtshulpverzoeken aan Luxemburg zijn verkregen mogen worden gebruikt. De officier van justitie en de verdediging verschillen van inzicht als het gaat om de feiten 3 en 5. De raadsman meent -samengevat - dat die gegevens voor het bewijs niet mogen worden gebruikt; de officier van justitie komt tot een tegenovergestelde opvatting. Het onderzoek in Luxemburg heeft een aanvang genomen met een door de bevoegde officier van justitie te Amsterdam op 6 juni 2001 getekend rechtshulpverzoek (D/617), waarbij wordt verwezen naar de artikelen 51, 140 en 225 Sr en de artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. In dat rechtshulpverzoek wordt onder meer op pagina 2 vermeld: "Deze fiscale oplichting is in het kort gezegd als volgt opgezet en uitgevoerd: In de vennootschappen is een grote vordering op de aandeelhouder aanwezig. Deze vordering wordt rentedragend gemaakt en er wordt gezorgd voor een financiële instelling, te weten ABN/AMRO Bank (hierna de bank), die voor één dag eigenaar wordt, en die de rentelast kan absorberen. Het geld dat nodig is voor de betaling van de vennootschapsbelasting over de rentewinst bij de vennootschappen wordt door de bank aan deze BV's ter beschikking gesteld vlak voor de verkoop aan Oxbridge. [verdachte] was in 1992 hoofd fiscale zaken bij de bank. Na de verkoop wordt het geld verdeeld door overboekingen naar bemiddelaars en de vermoedelijke beneficial owners. Ook de personen die de 'beneficial owners' hebben bijgestaan, zoals [verdachte] van de bank, ontvangen vermoedelijk geldbedragen via buitenlandse bankrekeningen." Op pagina 3 van dat verzoek is onder meer opgenomen : "(..) Het vermoeden bestaat dat deze Nederlandse personen de beloning welke zij ontvangen voor hun werkzaamheden voor deze criminele organisatie bij banken in Luxemburg hebben ondergebracht met het doel deze inkomsten en tegoeden buiten het bereik van de Nederlandse fiscus te houden" en "Ten aanzien van [verdachte]: Het onderzoek heeft uitgewezen dat [verdachte] een bankrekening in Luxemburg heeft gebruikt voor zijn ontvangen gelden. Het betreft in casu de Credit Européen te Luxemburg (.). Kort uiteengezet vermoed ik dat de bankrekening bij de Credit Europeen door [verdachte] gebruikt wordt om gelden vanuit de Oxbridge organisatie te gebruiken. Vermoedelijk wordt dit geld via buitenlandse banken, zoals vanuit Guernsey, Liechtenstein en of de Bahamas, op de rekening (..) ten name van [verdachte] gestort." Bij brief van 28 mei 2002 (D/648) hebben de Luxemburgse autoriteiten laten weten dat de resultaten van het uitgevoerde onderzoek mogen worden gebruikt - samengevat - voor niet andere dan de reeds aangegeven feiten. Bij aanvullend rechtshulpverzoek van december 2001 (D/654) en in vervolg op onderzoek verricht in Luxemburg tussen 20 en 23 november 2001, wordt om nadere informatie verzocht. Bij brief van 29 november 2002 herhaalt de officier van justitie het verzoek, waarop wordt gereageerd bij brief van 3 december 2002. Naar opvatting van de rechtbank is onder de omschrijving in het eerste rechtshulpverzoek aan Luxemburg, waarin artikel 140 Sr wordt vermeld ook te omvatten de later geconcretiseerde verdenking ter zake van artikel 328ter Sr. In het verzoek wordt immers al aangegeven dat het vermoeden bestaat dat verdachte, die in dienstbetrekking werkt bij de bank, gelden die hij heeft ontvangen als beloning voor activiteiten in het kader van de criminele organisatie, heeft gedeponeerd op buiten Nederland - waaronder Luxemburg - geopende bankrekeningen. Het aanvullende rechtshulpverzoek en de daarop nog gevolgde correspondentie richten zich duidelijk en onmiskenbaar op een verdere verdieping - mede in vervolg op de verrichte onderzoeken - van de bij het onderzoek betrokken geldstromen en hebben evenzeer betrekking op de periode waarin verdachte in dienstbetrekking zijn functie bij de bank vervulde. De lezing die de raadsman geeft van de berispelijke brief van 3 december 2002 (als ook overgelegd bij pleidooi) is naar opvatting van de rechtbank onjuist. Niet is daarin te lezen dat er nog afzonderlijke toestemming nodig is om de resultaten van de rechtshulpverzoeken te kunnen gebruiken voor artikel 328ter Sr. De enige voorwaarde die wordt gesteld is dat er sprake moet zijn van dubbele strafbaarheid en een gevangenisstraf van ten minste zes maanden. Naar de rechtbank ambtshalve heeft vastgesteld is aan die voorwaarde voldaan. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat naar opvatting van de rechtbank alle - direct en indirect - uit Luxemburg verkregen resultaten voor het bewijs mogen worden gebruikt voor de aan verdachte verweten gedragingen onder 1, 3 en 5. 4.1 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt zoals hierna wordt aangegeven. ten aanzien van het onder 1 telastegelegde: Criminele organisatie: Voor de bewezenverklaring dat verdachte met anderen deel uitmaakte van een criminele organisatie dient naar het oordeel van de rechtbank allereerst vast te staan dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Niet vereist is dat er sprake is van een rechtspersoon, noch dat de organisatie steeds uit dezelfde personen bestaat De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn. Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel. De term deelneming in artikel 140 Sr heeft niet dezelfde betekenis als in artikel 47 Sr. Voor deelneming is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist dat de deelnemer zelf (een van) de door de organisatie beoogde misdrijven heeft gepleegd, noch dat hij aan de verwezenlijking van het misdrijf in concreto heeft deelgenomen. Het gaat niet om de betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit maar om de betrokkenheid bij de organisatie. De rechtbank is van oordeel dat aan de volgende twee voorwaarden moet zijn voldaan wil van deelneming sprake zijn: 1) De deelnemer moet deel uitmaken van, behoren tot de organisatie; en 2) de deelnemer moet betrokken zijn geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie; daarbij gaat het niet enkel om het leveren van een bijdrage aan het functioneren van de organisatie, maar om het leveren van een bijdrage aan de realisering van de criminele doelstelling. Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven. De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van de rechtbank gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemers in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Bewijsoverweging: Gelet op de in de aanhef van dit onderdeel geformuleerde uitgangspunten en de bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen opgemerkt zal worden onder de Vpb aspecten (4.2), betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van (ex)kasgeldvennootschappen door middel van het doen van opzettelijke onjuiste aangiften Vpb en - voor zover van toepassing - niet ambtelijke omkoping. Dat gebeurde in de periode 1992 tot en met 1996 volgens een vast patroon. Voor verdachte geldt dat hij naar het oordeel van de rechtbank tot de organisatie behoorde en betrokken is geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Uit voorgaande bewijsmiddelen vloeit tot slot voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie. 4.2.0.Opzettelijk onjuiste aangifte vennootschapsbelasting 4.2.1. algemene uitgangspunten De rechtbank stelt voorop dat de aan- en verkoop van aandelen in kasgeldvennootschappen (verder de aandelentransactie) in de periode waarop de telastelegging betrekking heeft, niet strafbaar was. De rechtbank verstaat in het verband van deze strafzaak onder een kasgeldvennootschap een vennootschap die geen activiteiten ontplooit en - waarvan ten tijde van de aandelenoverdracht de activa bestaan uit een of meer (zeer grote) vorderingen op haar (middellijke) aandeelhouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.