Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen Voorlopige voorzieningen UITSPRAAK in de gedingen met reg. nrs. AWB 04/3579 VEROR en AWB 04/3639 VEROR van Stichting Gay Business Amsterdam 1998, gevestigd te Amsterdam, verzoekster sub 1, en Bar Vivelavie B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster sub 2, hierna gezamenlijk ook aangeduid als verzoeksters, beide vertegenwoordigd door mr. C.E. Vonhoff, tegen de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. Fidom en D. Kattouw. Tevens waren namens verzoekster sub 1 [belanghebbende1] en namens verzoekster sub 2 [belanghebbende2] ter zitting aanwezig. Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: Upstream Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, vergunninghouder, vertegenwoordigd door [voorzitter]. 1. PROCESVERLOOP Ter griffie van de rechtbank is op 2 augustus 2004 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster sub 1 van 29 juli 2004, gericht tegen het besluit van verweerder van 27 juli 2004. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 04/3579 VEROR. Op 4 augustus 2004 is ter griffie van de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen van verzoekster sub 2. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster sub 2 van 4 augustus 2004 tegen hetzelfde besluit van verweerder van 27 juli 2004. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 04/3639 VEROR. Het onderzoek is gesloten ter zitting van 5 augustus 2004. 2. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de ongewijzigde uitvoering van het besluit te dienen belang. Bij besluit van 28 juni 2004 heeft verweerder aan verzoekster sub 1 vergunning verleend voor het organiseren van diverse evenementen in Amsterdam gedurende de periode 5 tot en met 8 augustus 2004 onder de naam Gay Pride, een en ander zoals staat aangegeven in de bij het besluit gevoegde bijlage. Tot de vergunde evenementen behoren onder meer een grachtenoptocht via de route Westerdok, Prinsengracht, Amstel, Oude Schans, Oosterdok op 7 augustus 2004 van 14.00 tot 18.00 uur en een straatfeest in de Paardenstraat op dezelfde datum van 17.00 tot 24.00 uur. Verzoekster sub 2 is organisator van het vergunde straatfeest in de Paardenstraat, in welk kader aan haar een tapontheffing is verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder vergunning verleend voor de organisatie van een besloten feest in en rond het pand Amstel 138 te Amsterdam. De vergunning houdt onder meer in dat vanuit het pand met geluidsapparatuur versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht op 7 augustus 2004 van 14.00 tot 23.00 uur. Verzoeksters kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en hebben daartoe het volgende aangevoerd. Nu vanuit het pand van vergunninghouder muziek ten gehore wordt gebracht op zaterdag 7 augustus 2004 is er sprake van interfererende muziekstromen. Dit is in strijd met het beleid van verweerder. Verzoekster sub 1 heeft onder meer vergunning voor het ten gehore brengen van muziek vanaf de boten die deelnemen aan de grachtenoptocht. De muziek die vergunninghouder ten gehore mag brengen zal interfereren met de muziek vanaf de boten. Verzoekster sub 2 heeft ten behoeve van het straatfeest aan de Paardenstraat investeringen gepleegd, die zij hoopt terug te verdienen door middel van de verkoop van drank. Gelet op de geringe afstand tussen dit evenement en het pand Amstel 138, slechts 30 meter, zal ook hier sprake zijn van interfererende muziekstromen. Als gevolg hiervan zal het door verzoekster sub 2 geplande feest ernstig worden verstoord en zullen bezoekers wegblijven. Naar de mening van verzoekster sub 2 heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden en is er sprake van schending van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. Anders dan voorgeschreven heeft vergunninghouder de vergunning niet tijdig aangevraagd en is de vergunning niet ingepast in het overigens voor het evenementengebied geldende beleid, op grond waarvan het andere organisaties verboden is om na 17.00 uur vanaf de wal versterkte muziek te laten horen. Verzoeksters verzoeken de rechter te bepalen dat de vergunning van vergunninghouder niet mag worden gebruikt voorzover die ziet op het ten gehore brengen van muziek op de openbare weg. De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) overweegt het volgende. Artikel 2.11, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV) van de gemeente Amsterdam bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden of te doen houden. Ingevolge het derde lid van artikel 2.11 van de APV kan de burgemeester bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning de daarin genoemde belangen in aanmerking nemen. Ingevolge artikel 2.11, vierde lid, van de APV kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften verbinden met het oog op de in het derde lid bedoelde belangen. Ingevolge artikel 2.11, vijfde lid, van de APV moet een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het tweede lid uiterlijk acht weken voor het evenement worden ingediend. De burgemeester kan van deze termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen gelet op de benodigde voorbereidingstijd de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen. De rechter stelt vast dat de aan vergunninghouder verleende vergunning eerst op 15 juli 2004 en derhalve niet uiterlijk acht weken voor het evenement is aangevraagd. Gelet evenwel op de in bovengenoemd artikellid gegeven bevoegdheid voor verweerder van deze termijn af te wijken en de ter zitting gegeven toelichting dat van deze bevoegdheid in dit geval gezien de kleinschaligheid van het evenement gebruik is gemaakt, is er naar het oordeel van de rechter geen aanleiding om de vergunningverlening op die grond onrechtmatig te achten wegens kennelijke onredelijkheid. Vervolgens overweegt de rechter dat niet gebleken is van zodanig beleid dan wel van een zodanige bestendige bestuurspraktijk met betrekking tot ‘interfererende muziekstromen’, dat verweerder op die grond niet tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan. Verzoeksters worden dan ook niet gevolgd in hun betoog dat er ingevolge dit beleid of deze bestuurspraktijk een strikte scheiding bestaat ten aanzien van het ten gehore mogen brengen van versterkte muziek vóór 17.00 uur vanaf de boten van de grachtenoptocht en na 17.00 uur op de wal. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning van vergunninghouder ziet op activiteiten buiten het gebied van de evenementen van verzoeksters. Verzoeksters bestrijden dit. De rechter is van oordeel dat -- nog daargelaten het antwoord op de vraag of het pand Amstel 138 exact binnen het gebied van de evenementenvergunning ligt – er in beginsel wel sprake is van een akoestische uitstraling naar dit evenementengebied. Gelet hierop wordt in het standpunt van verweerder geen aanleiding gezien het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.