284668 / HA RK 04-126 (NM) 1 november 2004 RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM TWEEDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER BESCHIKKING i n d e z a a k v a n: de vennootschap naar Zwitsers recht WINTERTHUR SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, gevestigd te Amsterdam, v e r z o e k s t e r, procureur: mr. Chr.H. van Dijk, t e g e n: [verweerster], wonende te [woonplaats], v e r w e e r s t e r, procureur: mr. R.V.H. Jonker. Partijen worden hierna Winterthur en [verweerster] ge-noemd. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek zal bevelen. VERLOOP VAN DE PROCEDURE De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen: - verzoekschrift, met bewijsstukken, ingediend ter griffie op 2 maart 2004; - verweerschrift, met bewijsstukken, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot het houden van een deskundigenonderzoek, ingediend ter griffie op 10 juni 2004; - proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek, gehouden op 14 juni 2004, waarvoor Winterthur en [verweerster] waren opgeroepen, en de in dat proces-verbaal genoemde stukken. De beschikking is bepaald op heden. Van de gewijzigde beschikkingsdatum zijn partijen door de griffier telefonisch op de hoogte gesteld. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Vaststaande feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten a. Op 8 april 2002 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij [verweerster], als voetgangster, en [een bestuurder van een auto], betrokken waren. De auto van [de bestuurder] voornoemd is bij Winterthur verzekerd krachtens de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM). b. Direct na het ongeval is [verweerster] onderzocht op de Eerste Hulp van het Sint Joseph Ziekenhuis te Veldhoven. Op het eerste hulp-formulier staat, voor zover leesbaar, vermeld dat [verweerster] pijn had aan haar rechterelleboog en linkerknie. c. [verweerster] heeft zich, naast het onder 1.b. vermelde onderzoek, na het ongeval door diverse (para-)medici en psychologen laten onderzoeken. Van deze onderzoeken heeft [verweerster] de volgende brieven dan wel verslagen overgelegd: - brief van [huisarts], d.d. 28 mei 2002; - brief van [fysiotherapeut], d.d. 28 mei 2002; - verslag van psychologisch expertiseonderzoek van drs. [psycholoog drs. M.], d.d. 28 maart 2003; - verslag van psychologisch onderzoek van [psycholoog drs. C.], d.d. 17 mei 2003; - brief van [radioloog], d.d. 1 augustus 2003; - verslag van neurologisch onderzoek van [neuroloog], d.d. 11 augustus 2003 en 2 september 2003. 2. Het verzoek 2.1. Winterthur legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Winterthur wenst duidelijkheid te verkrijgen omtrent de thans bij [verweerster] bestaande en gestelde beperkingen en het door haar gestelde causale verband tussen het ontstaan van deze beperkingen en het ongeval. 2.2. Winterthur stelt dat de deskundigen die [verweerster] tot nu toe heeft ingeschakeld - en dus als partijdeskundigen moeten worden aangemerkt - zich bij de door hen verrichte onderzoeken vrijwel geheel op de anamnese van [verweerster] hebben gebaseerd en nauwelijks op zelfstandig onderzoek. De conclusies van de door [verweerster] ingeschakelde partijdeskundigen zijn dan ook onvoldoende gemotiveerd en sluiten niet aan bij de overige inhoud van hun rapporten, aldus Winterthur. Voorts blijkt uit het verslag van [psycholoog drs C.] (zie 1.c.) dat [verweerster] na de aanrijding nog een aanrijding met een boom en een aanrijding met een fietser heeft gehad. Een onafhankelijke medische expertise door een neuroloog is volgens Winterthur dan ook noodzakelijk. 2.3. Voorts stelt Winterthur dat van [verweerster] mag worden verwacht dat zij de medische stukken van zowel vóór als na het ongeval in de procedure brengt en deze ook aan de medisch adviseur van Winterthur verstrekt. Er is immers geen onderzoek gedaan naar de medische voorgeschiedenis van [verweerster] en die is in het kader van de schaderegeling van evident belang, aldus Winterthur. 3. Het verweer 3.1. [verweerster] verzet zich niet tegen het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuroloog op zichzelf, maar zij maakt wel bezwaar tegen de door Winterthur voorgestelde vraagstelling, de te benoemen deskundige, alsmede tegen de door Winterthur gewenste overlegging van de volledige patiëntenkaart. [verweerster] voert daartoe het volgende aan. 3.2. [verweerster] heeft ernstige bezwaren tegen de benoeming van de door Winterthur voorgestelde deskundigen, omdat ze zonder enige uitzondering een zeer negatief beeld schetsen van letselschadepatiënten. De rechtbank zal een volkomen onafhankelijke deskundige moeten benoemen, aldus [verweerster]. 3.3. Voorts bestaan er zijdens [verweerster] bezwaren tegen de overlegging van de volledige patiëntenkaart, althans voor zover deze aan de medisch adviseur van Winterthur zou moeten worden verstrekt. Gelet op het belang van [verweerster] dat haar recht op privacy gewaarborgd dient te blijven, dient aan de deskundige slechts die informatie te worden verstrekt uit het verleden van [verweerster] die van dezelfde aard is als de na het ongeval ontwikkelde klachten. Het is volgens [verweerster] juist de onafhankelijke deskundige die moet beoordelen wat relevant is en niet een ander, zeker niet de medisch adviseur van Winterthur. Op deze wijze wordt bovendien voorkomen dat er een soort “fishing expedition” ontstaat, aldus [verweerster]. 3.4. Tot slot heeft [verweerster] diverse bezwaren tegen de door Winterthur voorgestelde vraagstelling aangevoerd. Zij stelt van haar kant zelf de “graf-vraagstelling” voor. Deze vraagstelling wordt in de praktijk veel gebruikt. 4. Zelfstandig verzoek [verweerster] 4.1. [verweerster] verzoekt de rechtbank, naast de neurologisch expertise, een orthopedisch onderzoek te bevelen en wel door [professor van der E.]. 4.2. Met betrekking tot de kosten van de te benoemen orthopeed stelt [verweerster] zich op het standpunt dat deze uiteindelijk voor rekening van de aansprakelijke partij zullen moeten komen. Aangezien de aansprakelijkheid nog niet is erkend, zal [verweerster] evenwel de kosten van dit onderzoek hebben te dragen, dit in tegenstelling tot de kosten van de te benoemen neuroloog. Deze dienen te worden gedragen door Winterthur, aldus [verweerster]. Verweer ten aanzien van zelfstandig verzoek Winterthur stemt in met het benoemen van een orthopeed in het kader van een orthopedische expertise en de door [verweerster] voorgestelde deskundige. De beoordeling 6.1. Allereerst bespreekt de rechtbank het verzoek van Winterthur. Daarna zal het zelfstandige verzoek van [verweerster] worden behandeld. 6.2. Het verzoek van Winterthur voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals neergelegd in de artikelen 203 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en is dan ook toewijsbaar, indien het ertoe kan dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus zijn procespositie beter te kunnen beoordelen. Dit laatste is het geval. Het verzoek is derhalve toewijsbaar, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen. 6.3.1. Partijen verschillen, ook na de mondelinge behandeling, van mening over de vraag of en zo ja, op welke wijze en aan wie inzage moet worden gegeven in de medische gegevens van [verweerster] van zowel vóór als ná het ongeval van 8 april 2002 (zie 1.a.). 6.3.2. Allereerst komt aan de orde de vraag of [verweerster] de onder 6.3.1. bedoelde medische informatie ter beschikking moet stellen aan Winterthur. De rechtbank is van oordeel dat er in geen geval aanleiding is te bepalen dat [verweerster] deze medische informatie ter inzage dient te geven aan Winterthur zelf, aangezien het medische informatie betreft en onvoldoende toegelicht is dat Winterthur in dit geval zelf aanspraak heeft op kennisneming daarvan. 6.3.3. Omtrent de vraag of [verweerster] gehouden is de medisch adviseur van Winterthur tot kennisneming in staat te stellen overweegt de rechtbank als volgt. Winterthur stelt dat de medische gegevens van voor het ongeval nodig zijn om te kunnen vaststellen of de door [verweerster] gestelde klachten en afwijkingen het gevolg zijn van het ongeval, mede omdat in dit geval volgens Winterthur aanwijzingen zijn gebleken van een potentieel relevante medische voorgeschiedenis en bovendien noch Winterthur, noch de door [verweerster] geraadpleegde partijdeskundigen over deze gegevens hebben kunnen beschikken. [verweerster] acht zich uit het oogpunt van privacy-bescherming niet gehouden de medisch adviseur van Winterthur inzage te geven in medische informatie van voor het ongeval. [verweerster] is wel bereid medische informatie van voor het ongeval ter beschikking te stellen aan de door de rechtbank te benoemen deskundige. 6.3.4. Bij de beantwoording van de vraag welke opvatting van partijen in dit geval de juiste is, komt het aan op een belangenafweging tussen de processuele belangen van beide partijen die worden beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), kort gezegd het recht op een eerlijk proces, en de individuele privacybelangen van [verweerster] die worden beschermd door artikel 8 EVRM. In deze belangenafweging gelden de volgende uitgangspunten. 6.3.5. Partijen zijn tot elkaar in een rechtens relevante verhouding komen te verkeren door het verkeersongeval van 8 april 2002 (zie 1.a). Voordien ontbrak tussen hen een rechtsverhouding en daarom is Winterthur niet bekend met eventuele medische gegevens omtrent [verweerster] van vóór het ongeval. Door het ongeval is, indien aansprakelijkheid komt vast te staan, Winterthur gehouden tot vergoeding van de schade van [verweerster] als gevolg van het ongeval. Zoals Winterthur terecht heeft opgemerkt tijdens de mondelinge behandeling zal bij de bepaling van de omvang van de schade in de regel relevant zijn of de schade van [verweerster] ook zou zijn ingetreden zonder ongeval, en zo ja, in welke mate. Partijen dienen, nu zij blijkens deze procedure over de afwikkeling van de schade van mening verschillen, over en weer zoveel mogelijk in staat te worden gesteld de schade af te wikkelen op een wijze die zich verdraagt met de eisen van artikel 6 EVRM. Winterthur kan, nu partijen vóór het ongeval geen rechtens relevante relatie met elkaar onderhielden, zonder informatie van [verweerster] niet beoordelen of er medische informatie over [verweerster] is uit de periode vóór het ongeval die relevant is voor de afwikkeling van de schade. Een en ander betekent dat Winterthur, teneinde zich te kunnen verweren tegen de aanspraak van [verweerster] op schadevergoeding onder de verzekering krachtens de WAM op een wijze die partijen ten opzichte van elkaar zoveel mogelijk in een processueel gelijkwaardige positie doet verkeren, aan artikel 6 EVRM in beginsel het recht kan ontlenen dat haar medisch adviseur kennis kan nemen van medische informatie omtrent [verweerster] uit de periode vóór het ongeval. Dit aan artikel 6 EVRM ontleende recht is echter niet absoluut. Nu [verweerster] zich beroept op privacy-schending in geval van verstrekking van die informatie, moet worden onderzocht of [verweerster] wordt beschermd door artikel 8 EVRM tegen de aanspraak van Winterthur op kennisneming van medische informatie omtrent [verweerster] uit de periode vóór het ongeval. 6.3.6. In een procedure als deze kan, indien [verweerster] tegen haar wil wordt verplicht mee te werken aan verstrekking van medische informatie aan de medisch adviseur van de wederpartij uit de periode vóór het ongeval, op zichzelf sprake zijn van een inbreuk op de geestelijke of lichamelijk integriteit van [verweerster] en daarmee van een schending van artikel 8, eerste lid, EVRM, dat onder andere een ieder recht geeft op respect voor zijn privé-leven. Van schending is echter geen sprake indien de privacy-inbreuk door het voorlopig deskundigenonderzoek, dat wordt gelast door de rechter in de uitoefening van openbaar gezag en bij wet is voorzien, in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Of dit het geval is, vergt een afweging van de in dit geval over en weer betrokken belangen. In deze belangenafweging is het volgende van betekenis. 6.3.7. De eventuele voorrang van het privacybelang van [verweerster] mag er in ieder geval niet toe leiden dat de procedure niet meer zou voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarom moet allereerst worden vastgesteld of artikel 6 EVRM zou worden geschonden indien de medisch adviseur van Winterthur niet in staat wordt gesteld tot kennisneming van medische informatie over [verweerster] uit de periode vóór het ongeval. Deze kwestie moet worden beoordeeld in de context van het Nederlandse procesrecht. Op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechter geen verplichting, maar een discretionaire bevoegdheid om een partij te gelasten bepaalde stukken over te leggen. Daarom zal, indien het op die kennisneming gerichte verzoek van Winterthur niet wordt gehonoreerd met een motivering in het kader van artikel 22 Rv, van schending van artikel 6 EVRM geen sprake zijn. 6.3.8. Het voorlopig deskundigenonderzoek wordt gevraagd met het oog op onder meer de vaststelling van de schade van [verweerster] als gevolg van het ongeval. Indien in de procedure waarin het voorlopig deskundigenonderzoek tot stand komt partijen niet zoveel mogelijk in een processueel gelijkwaardige positie verkeren en in de gelegenheid geraken hun standpunt omtrent de schadevaststelling zoveel mogelijk gelijkwaardig te onderbouwen, wordt ernstig afbreuk gedaan aan de strekking van het voorlopig deskundigenonderzoek, te weten dat het ertoe kan dienen de verzoekende partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden waardoor zij haar procespositie beter kan beoordelen. De ratio hiervan is dat zoveel mogelijk wordt gewaarborgd dat het voorlopig deskundigenbericht partijen dichterbij de vaststelling van de schade brengt. 6.3.9. Indien wordt volstaan met kennisneming door de te benoemen deskundige van de medische informatie omtrent [verweerster] uit de periode vóór het ongeval, wordt onvoldoende recht gedaan aan de eis dat partijen zoveel mogelijk in een processueel gelijkwaardige positie verkeren en gelijkwaardig gelegenheid krijgen hun standpunt ter zake van de vaststelling van de schade te onderbouwen. In dat geval is immers het gebruik van de medische gegevens door de deskundige voor de medisch adviseur van [verweerster] wel, maar voor de medisch adviseur van Winterthur niet controleerbaar en verkeert vervolgens [verweerster] in een betere informatiepositie bij de onderbouwing van het standpunt ter zake van de schadevaststelling dan Winterhur. Winterthur kan daarom slechts worden verplicht genoegen te nemen met kennisneming door de deskundige indien zwaarwegende belangen van [verweerster] dit eisen. 6.3.10. Het voorlopig deskundigenbericht houdt verband met de aanspraak die [verweerster] jegens Winterthur maakt op schadevergoeding. De schade zal moeten worden begroot door middel van een vergelijking tussen de situatie van [verweerster] na het ongeval enerzijds en de fictieve situatie waarin [verweerster] zou (komen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.