ECLI:NL:RBAMS:2005:AT6774
298374 / H.04.2912 (AV) 1 juni 2005 RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM EERSTE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER VONNIS i n d e z a a k v a n :
A, wonende te (woonplaats), e i s e r bij dagvaarding van 16 juli 2004, procureur mr. M.A. Hupkes, t e g e n :
B, wonende te (woonplaats), g e d a a g d e, procureur mr. A.C. Zonneveld.
Partijen worden hierna A en B ge-noemd.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast. a. Partijen zijn op 27 augustus 1998 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 27 augustus 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbe-schikking van 2 juli 2003 in de registers van de burgerlijke stand. b. Bij de echtscheidingsbeschikking van 2 juli 2003 heeft de rechtbank bepaald dat in het kader van de huwelijksgoederengemeenschap aan ieder der partijen de helft van de schulden wordt toegescheiden en heeft de rechtbank, op verzoek van B, partijen bevolen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande overige bestanddelen van de gemeenschap van goederen. Tegen deze beslissing is B in hoger beroep geko-men. Bij arrest van 11 maart 2004 heeft het gerechtshof te Amsterdam B niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het bevel tot verdeling, omdat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om een partij wiens verzoek door de eer-ste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven om die beslissing ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien. Voorts heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voorzover de rechtbank heeft bepaald dat in het kader van de huwelijksgoederengemeenschap aan ieder der partijen de helft van de schulden wordt toegescheiden. Het hof heeft daartoe overwogen dat de aard en de omvang van de boedel en de mate waarin reeds verdeling heeft plaatsgevon-den onvoldoende duidelijk is en bovendien B bij akte van 2 september 2003 afstand heeft gedaan van de gemeenschap. c. Bij akte van 4 september 2003 heeft B afstand gedaan van de gemeenschap van goede-ren waarin zij met A was gehuwd. d. A heeft op 12 juli 1996 een doorlopend krediet bij C afgesloten met een maximum van ƒ 20.000,=, waarvan hij direct een bedrag van ƒ 13.891,36 heeft opgenomen. Blijkens een rekeningoverzicht van 1 mei 2004 stond op die datum een bedrag open van € 10.642,57. e. Uit een brief van 8 juli 2004 van de Sociale Dienst aan de advocaat van A blijkt dat de schuld op naam van A aan de Sociale Dienst op voornoemde datum € 27.698,55 bedroeg (hoofdsom € 32.143,23), welke schuld is ontstaan op 1 januari 1992 door fraude (A heeft ruim vier jaar voor de huwelijkssluiting met B naast zijn uit-kering van de Sociale Dienst inkomsten genoten welke door hem niet zijn opgegeven).
A. de schulden aan de Gemeentelijke Sociale Dienst en aan C toe te delen aan A;
B. de overbedelingsvordering die A op B heeft vast te stellen op € 19.000,=;
C. te bepalen dat B de overbedelingsvordering aan A dient te voldoen in 152 maan-delijkse termijn van elk € 125,= met ingang van tien dagen na betekening van dit vonnis;
D. de proceskosten te compenseren.
3.1 A stelt daartoe -kort gezegd- dat B haar recht om afstand te doen van de gemeenschap (zoals bedoeld in artikel 1:103 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) heeft verspeeld omdat zij de goederen van de gemeenschap aan zich heeft getrokken. Zo heeft B, aldus A, de inboedelgoederen onder zich gehouden en heeft zij zich als heer en meester van die inboedel gedragen. Ook heeft B het overleg gezocht om de verdeling vast te stellen. Voorts is B blijven wonen in de voormalige echtelijke woning, zodat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:107 lid 1 en lid 2 BW, met als gevolg dat de afstand rechtens geen effect heeft. Thans is A niet meer geïnteresseerd in de inboedel; de spullen die B heeft mag ze houden.
3.2 Voorts grondt A zijn vordering tot verdeling op de onherroepelijke beschikking van het hof van 11 maart 2004, waarin het hof B niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep tegen het bevel tot verdeling. Volgens A staat hierdoor vast dat B dient mee te werken aan de verdeling van de gemeenschap waaronder begrepen de verdeling van de schulden.
3.3 Verder voert A aan dat B misbruik maakt van recht door de afstand van de gemeen-schap in te roepen. Hij stelt dat B heeft geprofiteerd van de schulden nu daarmee mede haar overkomst vanuit (plaats) naar Nederland is bekostigd, een deel is aangewend om het huwelijk van partijen te vieren en zij ook profiteert van de inboedel die daarmee is aangeschaft. Derhalve moeten volgens A de schulden bij helfte worden verdeeld.
4.1 B bestrijdt de vordering en voert aan dat door de door haar afgelegde afstandsverklaring de schulden geheel aanwassen bij A, zodat er geen schulden tussen partijen meer te ver-delen zijn. Zij betwist dat zij zich zodanig heeft gedragen dat daaruit kan worden afge-leid dat zij zich als enige rechthebbende op goederen uit de gemeenschap beschouwde. Zij heeft de door A achtergelaten inboedelgoederen in de berging gezet, en heeft A ver-zocht deze op te halen. A weigert de spullen op te halen. Verder was B tot november 2002 (het moment waarop ze kennis nam van het verweerschrift van A terzake de echt-scheidingsprocedure) niet bekend met het feit dat A omvangrijke schulden had gemaakt.
4.2 Volgens B is door de beschikking van het hof van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank overgebleven het onbepaalde bevel tot verdeling van de boedel. De verdeling zelf is niet vastgesteld en ook partijen zijn niet overgegaan tot verdeling, hetgeen im-mers een meerzijdige rechtshandeling is. Dat A uit eigen beweging bepaalde inboedel-goederen heeft meegenomen en andere achtergelaten, zonder daarover afspraken met B te maken, is feitelijk handelen dat niet als verdeling kan worden beschouwd. Een bevel tot verdeling van de gemeenschap staat volgens B niet in de weg aan het recht afstand van die gemeenschap te doen. Afstand doen van een gemeenschap kan ook pas nadat deze is ontbonden. Toen B het nevenverzoek betreffende het bevel tot verdeling bij de rechtbank indiende, had zij geen enkel benul van de enorme schuldenlast van A. Ten-slotte betwist B dat zij het overleg zocht om de verdeling vast te stellen.
BESLISSING De rechtbank:
Gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openba-re terecht-zitting van 1 juni 2005 in tegen-woordig-heid van de griffier.