RECHTBANK AMSTERDAM nevenzittingsplaats Haarlem Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Registratienummer: AWB 05/553 Uitspraakdatum: 28 juli 2005 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake het beroep van X, wonende te Z, eiser, gemachtigde A te Q, tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 maart 2004 middels een gecombineerd aanslagbiljet voor het jaar 2004 (onder meer) een aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil ten bedrage van € 812,67 (incl. BTW) opgelegd. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar van 13 januari 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 februari 2005, aangevuld bij brief van 22 maart 2005, beroep ingesteld. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2005, alwaar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde voornoemd en namens verweerder is verschenen B. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. De tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Eiser is beeldend kunstenaar. Zijn atelier is (met de ateliers van andere kunstenaars) gevestigd in een oud schoolgebouw op het adres a-straat 1 te Z. 2.2. Tot 2004 werd het reinigingsrecht bedrijfsvuil maandelijks met toepassing van het maandtarief via de energienota's van Nuon verrekend. Met ingang van 2004 wordt de aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil opgelegd via de gecombineerde aanslag. 2.3. In december 2003 zijn de belanghebbenden in (onder meer) stadsdeel Oost/Watergraafsmeer per brief geïnformeerd over de verandering in de uitvoering en heffing van het reinigingsrecht bedrijfsvuil. In deze brief is onder meer vermeld dat de heffing en invordering van het reinigingsrecht bedrijfsvuil per januari 2004 door de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam zal worden uitgevoerd en op de gecombineerde aanslag zal worden vermeld. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1. In geschil is of de aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. 3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Eiser stelt dat uit het gecombineerde aanslagbiljet niet onmiddellijk duidelijk is voor welke belastingen de op het biljet vermelde aanslagen worden opgelegd omdat die belastingen uitsluitend met afkortingen zijn aangeduid en dat de aanslag om die reden niet in stand kan blijven. Deze stelling wordt verworpen. Op de voorzijde van het aanslagbiljet is geen verklaring opgenomen van de gebruikte afkortingen. In de toelichting op de achterzijde van het aanslagbiljet wordt onder "Verordening" echter een verklaring van de afkortingen gegeven. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk aangegeven op welke belastingen het gecombineerde aanslagbiljet betrekking heeft. 4.2. Ingevolge artikel 10 van de Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsvuil Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer 2004 van de stadsdeelraad Oost/Watergraafsmeer (hierna: de Verordening) wordt - voor zover hier van belang - onder de naam reinigingsrecht bedrijfsvuil een recht geheven voor het genot van de door of vanwege de gemeente verstrekte dienst. Ingevolge artikel 11 van de Verordening is - voor zover hier van belang - degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht belastingplichtig voor het reinigingsrecht bedrijfsvuil. 4.3. Anders dan eiser heeft aangevoerd kan niet worden geoordeeld dat het in de Verordening ter zake van het periodiek inzamelen van bedrijfsafvalstoffen bepaalde tarief in strijd is met het in artikel 229b, eerste lid, Gemeentewet neergelegde voorschrift dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. De in genoemd artikel neergelegde norm dient immers naar de bedoeling van de wetgever te worden toegepast op het totaal van de in een verordening geregelde rechten, in dit geval dus op het totaal van de rechten betreffende de afvalstoffenheffing en het reinigingsrecht bedrijfsvuil (zie Hoge Raad 4 februari 2005, BB 2005/397) en niet - zoals eiser voorstaat - per individuele aanbieder van bedrijfsafval. Eiser heeft de door verweerder in dit verband ingenomen stelling dat het totaal van de opbrengsten van de in de Verordening geregelde rechten niet uitstijgt boven de totale laten ter zake niet betwist. Strijd met het bepaalde in artikel 229b, eerst lid, Gemeentewet is ook overigens niet aannemelijk geworden. 4.4. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat tussen de tarieven die gelden voor huishoudelijk afval en die gelden voor bedrijfsafval een niet te verklaren onevenredigheid bestaat doordat aan een bedrijfshuishouding die een hoeveelheid afval produceert die vergelijkbaar is met de hoeveelheid afval die een particuliere huishouding voortbrengt, een hoger tarief in rekening wordt gebracht, terwijl het afval van genoemde bedrijfshuishouding tegelijk met het afval van de particuliere huishouding wordt opgehaald. De rechtbank overweegt in dit verband dat de inrichting van het tarief van het reinigingsrecht bedrijfsvuil is voorbehouden aan de gemeenteraad dan wel de stadsdeelraad, met dien verstande dat het tarief niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing waarop de rijkswetgever bij het aan de gemeente toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van rechten niet het oog kan hebben gehad. Voor een zo vergaand oordeel ziet de rechtbank in dit geval echter geen aanknopingspunten. 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er vanuit het atelier van eiser bedrijfsafvalstoffen zijn geproduceerd en dat deze afvalstoffen in 2004 van gemeentewege zijn opgehaald. In beginsel is de onderhavige aanslag derhalve terecht en voor het juiste bedrag opgelegd. Dit kan slechts anders zijn indien verweerder door het aan eiser opleggen van de onderhavige aanslag zou handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 4.6. Eiser heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiser woont en werkt sinds jaar en dag in stadsdeel Oost/Watergraafsmeer te Amsterdam. In alle jaren vóór 2004 werd een deel van de gemeentelijke heffingen via de energienota geheven. Voor het atelier betaalde eiser via zijn energienota onder meer een heffing ter zake van het inzamelen van afval die gelijk was aan het bedrag dat geheven werd van bewoners van het stadsdeel voor het ophalen van hun huishoudelijk afval. Met de bewuste keuze van de gemeente om de gebruikers van het oude schoolgebouw waarin eisers atelier is gevestigd gelijk te stellen met particuliere huishoudens en hen in alle jaren vóór 2004 aan te slaan voor (het lagere tarief van) de afvalstoffenheffing heeft de gemeente het vertrouwen gewekt dat ook in 2004 aan eiser een aanslag (naar het tarief van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.