RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.497.435.2007 RK nummer: 07/4619 Datum uitspraak: 19 oktober 2007 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 augustus 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 26 juli 2007 door de justitiële autoriteit, de Eerste substituut Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings te Tongeren, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans uit anderen hoofde gede¬tineerd in het Huis van Bewaring “de Boschpoort” te Breda, hierna te noemen de opgeëiste persoon.
(2)per feit een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd. Uit niets, bepaaldelijk niet uit de wetsgeschiedenis, volgt echter dat de wetgever dergelijke beperkingen heeft willen aanbrengen. Integendeel, uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de Overleveringswet heeft geleid, blijkt dat artikel 7 OLW onder meer strekt tot implementatie van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit en dat de eerstgenoemde bepaling is ontleend aan artikel 5 van de Uitleveringswet. Uit de verwijzing naar artikel 5 van de Uitleveringswet volgt dat de wetgever heeft willen aansluiten bij hetgeen in het uitleveringsverkeer met de lidstaten rechtens was. In geval van executie-uitlevering vereisten de artikelen 2, eerste lid, EUV en 2, eerste lid, BUV niet dat voor elk feit afzonderlijk een vrijheidsstraf van voldoende duur was opgelegd. Tot uitlevering kon leiden een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier respectievelijk drie maanden, opgelegd wegens twee of meer feiten. Ingevolge artikel II, eerste lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (hierna: de Overeenkomst) moest uitlevering ook worden toegestaan, indien de duur van de verscheidene straffen en maatregelen gezamenlijk minstens vier maanden bedroeg. Uit de parlementaire behandeling van de goedkeuring van de Overeenkomst blijkt dat deze bepaling een nadere verduidelijking en niet een uitbreiding van artikel 2, eerste lid, EUV behelsde en dat artikel 5 van de Uitleveringswet niet afweek van artikel 2, eerste lid, EUV noch van artikel II, eerste lid, van de Overeenkomst (Kamerstukken II, 1981, 16 433, nr. 5, p. 4-5). Daarom moet het ervoor worden gehouden dat artikel 7, eerste lid, onder b, OLW, dat naar structuur en inhoud is ontleend aan artikel 5 van de Uitleveringswet, overlevering toestaat ter zake van twee of meer - al dan niet bij verschillende vonnissen - opgelegde vrijheidsstraffen waarvan de gezamenlijke duur ten minste vier maanden bedraagt en dat deze bepaling niet vergt dat voor elk feit afzonderlijk een zodanige vrijheidsstraf is opgelegd. Deze uitleg komt overeen met de bewoordingen en het doel van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit, ter implementatie waarvan artikel 7 OLW onder meer strekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook in het midden blijven of de in het EAB vermelde opgelegde vrijheidsstraf van zes jaren een samengestelde straf (een "Gesamtrafe") of de som van de bij de onder 2 genoemde vonnissen afzonderlijk opgelegde vrijheidstraffen betreft. In beide gevallen is voldaan aan het in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, OLW gestelde vereiste aangaande de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. Ten aanzien van de eis van dubbele gekwalificeerde strafbaarheid De rechtbank begrijpt het standpunt van de officier van justitie zo, dat zij heeft willen betogen dat artikel 7, eerste lid, onder b, OLW niet meebrengt dat, in geval van een EAB dat strekt tot de tenuitvoerlegging van een ter zake van twee of meer feiten opgelegde vrijheidsstraf, de overlevering alleen kan worden toegestaan, indien al die feiten tot overlevering kunnen leiden. De rechtbank kan zich met dat standpunt verenigen. Evenmin als in het uitleveringsrecht staat de omstandigheid dat de overlevering niet kan worden toegestaan voor één of meer feiten, terwijl zij wel toelaatbaar is voor één of meer overige feiten, in de weg aan overlevering ter tenuitvoerlegging van de ter zake van al die feiten opgelegde vrijheidsstraf. Het specialiteitsbeginsel brengt in zo'n geval mee dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat gehouden zullen zijn de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf te beperken tot het deel van die straf dat betrekking heeft op de feiten waarvoor de overlevering is toegestaan. Het voorgaande ontslaat de rechtbank overigens niet van de verplichting per feit te onderzoeken of het voldoet aan de eisen van artikel 7, eerste lid, onder b, OLW. Met dat onderzoek zijn immers de belangen van de opgeëiste persoon én van de uitvaardigende lidstaat gemoeid. Indien immers de vrijheidsstraf is opgelegd ter zake van feiten die niet alle tot overlevering kunnen leiden, dan geldt voor de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat de uit het specialiteitsbeginsel voortvloeiende beperking op hun recht tot tenuitvoerlegging, terwijl indien alle feiten tot overlevering kunnen leiden van zo'n beperking geen sprake is. 4.2.2 Beoordeling van de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid 4.2.2.1 Geen dubbele gekwalificeerde strafbaarheid Een aantal van de feiten is hetzij naar het recht van België en/of Nederland niet bedreigd met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden hetzij niet strafbaar naar Nederlands recht. Naar het recht van België is niet een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld op: - de feiten 1, 2 tweede en derde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs. En vluchtmisdrijf heeft gepleegd"), 3 tweede deel ("De wachtmeesters van de rijkswacht, agenten drager van de openbare macht te hebben uitgescholden voor hoerenzonen en klootzakken en zich aldus schuldig te hebben gemaakt aan smaad"), derde deel ("Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan weerspannigheid") en vierde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs"), 4 eerste deel ("Te Genk op 20 april 2000 weerspannigheid te hebben gepleegd ten aanzien van een agent drager van de openbare macht", 5 en 11 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02; - de feiten 1 en 2 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 810/
- De omschrijvingen van feit 8 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02, en van feit 5 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01, vermelden niet de hoeveelheden van de cannabis, weed en marihuana die de opgeëiste persoon in zijn bezit heeft gehad, zodat niet kan worden vastgesteld of op deze feiten naar Nederlands recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. De omschrijving van feit 12 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02, vermeldt niet welk "verboden wapen" de opgeëiste persoon heeft gedragen, zodat niet kan worden vastgesteld of dit feit naar Nederlands recht strafbaar is. 4.2.2.2 Wel dubbele gekwalificeerde strafbaarheid De overige feiten zijn zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar. Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld. Deze feiten leveren naar Nederlands recht op: - het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd diefstal mishandeling opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten delen aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd zware mishandeling; - het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 30 januari 2001, referentie: 117/01: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele toebehoort aan een ander, vernielen; - het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 18 april 2005, referentie: 570/05: opzetheling.
- Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.
- Slotsom Nu ten aanzien van een aantal van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd. De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, gaat de rechtbank er vanuit dat een en ander niet tot gevolg zal hebben dat geen sprake meer zal zijn van een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden, zoals bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, onderdeel b, OLW.
- Toepasselijke wetsbepalingen Artikelen 300, 302, 310, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. Artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
- Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Eerste substituut Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings te Tongeren ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens: - de feiten 2 eerste deel ("Te Bree op 18 november 2000 opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte en ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tengevolge te hebben toegebracht aan [persoon1]"), 3 eerste deel ("Te Genk op 21 maart 2000 wachtmeesters van de rijkswacht te hebben bedreigd met een aanslag op personen door te zeggen:"dan zal ik wel iemand sturen om u kapot te maken"), 4 tweede deel ("en deze te hebben bedreigd met een aanslag op personen door te zeggen:"Ik poep u op de rechtbank", "Ik maak u kapot", "Ik eet u levend op"), 6, 7, 9, 10 en 13 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02; - de feiten 1 tot en met 4 en 6 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01; - het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 30 januari 2001, referentie: 117/01; - het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Hasselt, zetelend in correctionele zaken, dd 15 juli 2003, referentie: 01178/03; - het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 18 april 2005, referentie: 570/
- WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voorzover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens: - de feiten 1, 2 tweede en derde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs. En vluchtmisdrijf heeft gepleegd"), 3 tweede deel ("De wachtmeesters van de rijkswacht, agenten drager van de openbare macht te hebben uitgescholden voor hoerenzonen en klootzakken en zich aldus schuldig te hebben gemaakt aan smaad"), derde deel ("Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan weerspannigheid") en vierde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs"), 4 eerste deel ("Te Genk op 20 april 2000 weerspannigheid te hebben gepleegd ten aanzien een agent drager van de openbare macht"), 5, 8, 11 en 12 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02; - de feiten 1 en 2 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 810/01; - feit 5 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/
- Aldus gedaan door mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter, mrs.M.E.B. Terwee en J.T.H. Zimmerman, rech¬ters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 oktober
- Involge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.