Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen enkelvoudige kamer UITSPRAAK in de gedingen met reg.nrs. AWB 06/5259 WVG en AWB 06/3195 WVG van: [eisers], beide wonende te [woonplaats], eisers, vertegenwoordigd door mr. M.F. Vermaat, tegen: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar. 1. PROCESVERLOOP AWB 06/5259 WVG De rechtbank heeft op 20 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 juni 2006 (hierna ook te noemen: het bestreden besluit I). AWB 06/3195 WVG De rechtbank heeft op 20 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 12 juni 2006 (hierna ook te noemen: het bestreden besluit II). De beroepen zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 9 oktober 2007, waarna het onderzoek is gesloten. 2. OVERWEGINGEN Feiten en standpunten partijen AWB 06/5259 WVG Eiser is vanwege zijn orthopedische aandoeningen beperkt in zijn mobiliteit. Eiser heeft zich op 2 mei 2003 gewend tot verweerder met een aanvraag op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) om in aanmerking te komen voor een gesloten buitenwagen. Ter beoordeling van de aanvraag heeft verweerder het Regionaal indicatie orgaan Tot & Met verzocht om een medisch advies uit te brengen. Op 2 september 2003 heeft Tot & Met een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor de gevraagde vervoersvoorziening en dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Voorts wordt (een dubbele) aanvullend openbaar vervoer (AOV), versie deur tot deur plus, in combinatie met een scootmobiel een adequate voorziening geacht. Op grond hiervan heeft verweerder bij primair besluit van 3 oktober 2003 (hierna ook te noemen: het primaire besluit I) de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 23 december 2005 (reg.nr. AWB 04/4375 WVG) heeft de rechtbank het door eiser hiertegen ingesteld beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2004 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak onder meer het volgende overwogen: “De rechtbank stelt vast dat in het indicatierapport van 19 september 2003, dat aan het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag ten grondslag ligt, is aangegeven dat de arts van Tot & Met overleg heeft gehad met de huisarts van eiser. In dat rapport is niet aangegeven wat de inhoud van dit overleg was. In het rapport is ook aangegeven dat uit het medisch advies van 3 juni 2003, zoals aangevuld op 28 augustus 2003, van de medisch adviseur van Tot & Met blijkt dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Uit dit medisch advies blijkt ook niet wat de inhoud van het overleg was. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat de huisarts van mening is dat er een medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden en dat dit in een telefonisch onderhoud met de huisarts zeer duidelijk naar voren kwam. In het bestreden besluit beperkt verweerder zich tot de vaststelling dat uit het telefonisch overleg dat een andere adviserend arts van Tot & Met in het kader van nieuw onderzoek in bezwaar heeft gehad met de huisarts geen gegevens naar voren zijn gekomen die aanleiding geven het oorspronkelijk indicatieadvies te wijzigen. Uit het medisch advies van 2 juni 2004 dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit blijkt wederom niet wat de inhoud van het dit keer gevoerde overleg was. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder, gelet op het expliciete door eiser in bezwaar ingenomen standpunt dat zijn huisarts wel van mening is dat er een medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden, het bestreden onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat er sprake is van een onvoldoende kenbare motivering van het bestreden besluit. Eiser heeft in beroep ook aangevoerd dat verweerder de gezamenlijke vervoersbehoefte van hem en zijn echtgenote die ook een aanvraag voor een gesloten buitenwagen heeft ingediend had moeten betrekken bij de besluitvorming op de beide aanvragen. Eiser verwijst daarbij naar artikel 3.4, eerste lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten, het beleid van verweerder en de verplichting van verweerder de betrokken belangen af te wegen.” AWB 06/3195 WVG Eiseres is vanwege haar orthopedische en neurologische aandoeningen energetisch en in haar mobiliteit beperkt. Eiseres heeft zich op 18 februari 2003 gewend tot verweerder met een aanvraag op grond van de WVG om in aanmerking te komen voor een gesloten buitenwagen. Ter beoordeling van de aanvraag heeft verweerder het Regionaal indicatie orgaan Tot & Met verzocht om een medisch advies uit te brengen. Op 30 september 2003 heeft T&M een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor de gevraagde vervoersvoorziening en dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Voorts wordt (een dubbele) AOV, versie deur tot deur plus, een adequate voorziening geacht. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit primair van 27 oktober 2003 (hierna ook te noemen: het primaire besluit II) de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 23 december 2005 (reg.nr. AWB 04/4550 WVG) heeft de rechtbank het door eiseres ingesteld beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2004 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak het volgende overwogen. “De rechtbank heeft in het geding tussen de echtgenoot van eiseres en verweerder uitspraak gedaan (reg.nr. 04/4375 WVG). In deze uitspraak die is aangehecht komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing van verweerder om de afwijzing van de aanvraag van de echtgenoot van eiseres te handhaven geen stand kan houden omdat dit besluit ontoereikend is gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat ook het door eiseres bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd is nu in bezwaar expliciet is aangevoerd dat eiseres en haar echtgenote een gezamenlijke vervoersvoorziening in de vorm van een gezamenlijke gesloten buitenwagen voor ogen staat en verweerder in het bestreden besluit hier onvoldoende op ingaat.” AWB 06/5259 WVG en AWB 06/3195 WVG Naar aanleiding van voornoemde uitspraken van de rechtbank heeft verweerder het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) verzocht om een nader medisch advies uit te brengen. Op 27 februari 2006 heeft het CIZ een advies uitgebracht. De medische adviseur komt tot de conclusie dat er geen reden is de eerdere adviezen te wijzigen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 9 juni 2006 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I gehandhaafd. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het besluit van 9 juni 2006 ingetrokken en bij bestreden besluiten I en II de bezwaren (wederom) ongegrond verklaard. Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II kort weergegeven gesteld dat zowel eiser als eiseres aan het CIZ hebben opgegeven dat de vervoersbehoefte bestaat uit het zich samen buitenshuis te verplaatsen voor het doen van de dagelijkse boodschappen, het bezoeken van familie in [woonplaats] en een dochter buiten [woonplaats], het bezoeken van winkels in [woonplaats] en recreatief vervoer. Volgens verweerder kunnen eisers zowel alleen als gezamenlijk gebruik maken van het AOV voor het bezoeken van familieleden in [woonplaats]. Voor recreatief vervoer en vervoer buiten de eigen regio heeft de gemeente geen zorgplicht. Verder is het uit het aanvullend onderzoek van het CIZ gebleken dat een eerder advies van 17 oktober 2005 in stand blijft, waaruit geconcludeerd dient te worden dat het betreffende indicatieadvies met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Ten aanzien van artikel 3.4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten heeft verweerder gesteld dat dit artikel betrekking heeft op een gelijke medische indicatie waardoor er voorkomen kan worden dat er binnen één gezin twee gelijke (dure) vervoersvoorzieningen verstrekt hoeven te worden. Dit is bij eisers niet het geval nu zij zowel alleen alsmede gezamenlijk voor hun vervoersbehoefte in het kader van het leven van alledag gebruik kunnen maken van het AOV en er voor beiden, zowel individueel als gezamenlijk, geen indicatieadvies is voor een gesloten buitenwagen. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten I en II en hebben in beroep onder meer aangevoerd dat in het advies van het CIZ niet is aangegeven wat er is besproken in het nader telefonische overleg tussen de medische adviseur van het CIZ en de huisarts van eisers. Verder hebben eisers gesteld dat op grond van artikel 3.4 niet is vereist dat sprake is van een gelijke medische indicatie, maar dient er te worden beoordeeld of en in hoeverre de vervoersbehoefte van beide echtgenoten samen vallen. De rechtbank overweegt als volgt. Wettelijk kader en regelgeving Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in werking getreden en is de WVG ingetrokken. Het bestreden besluit is op grond van de WVG genomen. Ingevolge artikel 40, derde lid, van de WMO dient in het onderhavige geval met toepassing van de WVG te worden beslist. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening. In artikel 3 van de WVG is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders verantwoorde voorzieningen aanbiedt. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. Met de Verordening heeft verweerder uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WVG. Blijkens artikel 1.2 van de Verordening -voor zover hier van belang- kan een vervoersvoorziening slechts worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht; geschikt en langdurig noodzakelijk is om belemmeringen op het gebied van het zich buitenshuis verplaatsen op te heffen of aanzienlijk te verminderen; en deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Blijkens het bepaalde in artikel 3.1 van de Verordening omvat het aanbod van voorzieningen een collectief systeem van aanvullend openbaar vervoer, voorzieningen in natura, al dan niet aangepast, in de vorm van een auto, een gesloten buitenwagen, een open elektrische buitenwagen/scootermobiel of een ander verplaatsingsmiddel, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van of in verband met het gebruik van genoemde voorzieningen, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van het overbruggen van een zeer korte afstand. Het door verweerder te verstrekken pakket kan een combinatie zijn van de in dit artikel vermelde voorzieningen. Blijkens artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening worden genoemde vervoersvoorzieningen slechts toegekend wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek daartoe nopen. Ingevolge het derde lid van dit artikel houden Burgemeester en Wethouders bij de verstrekking van een vervoersvoorziening rekening met de individuele vervoersbehoefte. Blijkens het vierde lid van dit artikel wordt hierbij uitgegaan van het primaat van het collectief vervoerssysteem, indien daarmee in de individuele vervoersbehoefte kan worden voorzien. Op de voet van artikel 3.4, eerste lid, van de Verordening wordt, voorzover de vervoerbehoeften van echtgenoten samenvallen, zo mogelijk één vervoervoorziening toegekend. Bij de uitvoering van de WVG en de Verordening voert verweerder beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels Wet Voorzieningen Gehandicapten (Gemeenteblad 2001, afd. 3, volgnr. 6, in werking getreden op 29 juni 2001, hierna: Beleidsregels). In deze Beleidsregels is in paragraaf 1.1. onder meer bepaald dat WVG voorzieningen zijn gericht op het bevorderen van de zelfstandigheid van gehandicapten en worden verleend met het doel de mogelijkheden te vergroten voor personen om zich te verplaatsen. In paragraaf 4.2 is bepaald dat men moet uitgaan van de individuele beperkingen van de gehandicapte. Het gaat om een voorziening-op-maat. Als in een individueel geval sprake is van een vervoersbehoefte die niet of niet volledig door het collectieve vervoerssysteem wordt gedekt, kan een belanghebbende in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening. In paragraaf 4.2.1 is bepaald dat bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt uitgegaan van het leven van alle dag. Uitgangspunt van dit beleid is dat de gehandicapte kan deelnemen aan het “leven van alle dag”. Dit betekent dat iemand in staat moet worden gesteld in ieder geval datgene te doen dat mensen van dag tot dag plegen te doen wanneer het gaat om het zich verplaatsen buitenshuis, zoals het doen van dagelijkse boodschappen, het bezoeken van bijeenkomsten, op visite gaan, winkelen of het zo maar buiten zijn. Voorzien moet worden in vervoer buitenshuis, dat noodzakelijk is om in overwegende mate in het dagelijks bestaan te voorzien. Dit is in de regel korte afstandsvervoer. Wanneer een belanghebbende bezigheden als deze in overwegende mate niet kan verrichten en geen gebruik kan worden gemaakt van het aanvullend openbaar vervoer, is sprake van een zodanig isolement dat een vervoersvoorziening gewettigd is. In paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels staat onder meer het volgende. Bij een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen gaat het om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de woning en op de iets langere afstand. Voor betrokkene moet een medische noodzaak aanwezig zijn tot bescherming tegen weersinvloeden. Uitgangspunt van deze voorziening is dat hiermee alle vervoersbehoeften op korte afstand en de iets langere afstand kunnen worden ingevuld omdat het openbaar vervoer, aanvullend openbaar vervoer en andere verplaatsingsmiddelen (bijvoorbeeld fiets, taxi, scootmobiel) niet in aanmerking komen. Voorts heeft verweerder indicatiecriteria en richtlijnen voor indicatieadviseurs vastgesteld voor de verstrekking van een gesloten buitenwagen op grond van de WVG. Als criterium wordt onder meer gesteld dat er sprake moet zijn van een door medisch onderzoek aangetoonde noodzaak tot bescherming tegen weersinvloeden welke niet is te ondervangen door adequate kleding. Hierbij geldt als richtlijn voor de indicatieadviseurs dat in de beoordeling over bescherming tegen weersinvloeden het voorkomen van gezondheidsschade en aandoeningen die leiden tot functionele beperkingen een doorslaggevende rol spelen. In dit geding staat ter beoordeling van de rechtbank de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de voorziening in de vorm van verstrekking van een gesloten buitenwagen heeft afgewezen. Beoordeling van de bestreden besluiten AWB 06/5259 WVG Het bestreden besluit I is gebaseerd op het advies van het CIZ van 27 februari 2006. Het CIZ heeft in dit verslag vooreerst opgemerkt dat van een eerder telefonisch overleg tussen de huisarts van eiser en de medische adviseur van Tot & Met (nu CIZ) van 2 juni 2004 een gespreksnotitie is gemaakt en deze alsnog bij het verslag gevoegd. Uit deze notitie blijkt ten aanzien van eiser het volgende: “... toenemende klachten bij koud en vochtig weer. Coll. (huisarts,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.