Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen meervoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 07/797 WW tussen: [eiser], wonende te Engeland, eiser, vertegenwoordigd door mr. G. Raaben, en: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. van de Meer. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 21 februari 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 15 november 2007. 2. OVERWEGINGEN Eiser was werkzaam hij de [firma]. Per 1 oktober 2002 is het dienstverband beëindigd. Vervolgens is aan eiser per 2 december 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 37,5 per week. Op 19 januari 2004 is een huisbezoek afgelegd bij eiser door een medewerker van het directoraat Fraude, Preventie en Opsporing. Eiser was niet thuis. Door de aldaar aangetroffen persoon werd echter medegedeeld dat eiser naar “het bedrijf” was. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar eisers recht op WW. In het kader van het onderzoek zijn er waarnemingen verricht, verklaringen afgenomen en is informatie bij de Belastingdienst en Kamer van Koophandel ingewonnen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage werknemersfraude van 6 juni 2006. Uit het onderzoek komt naar voren dat eiser werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten zonder daarvan volledig melding te hebben gemaakt. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit van 8 augustus 2006 eisers recht op een WW-uitkering over de periode van 2 december 2002 tot en met 31 oktober 2004 ingetrokken, omdat eiser gelet op zijn werkzaamheden en betrokkenheid bij Eurotrek BV niet als werkloos kan worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder bij besluit van 2 oktober 2006 de over voornoemde periode teveel verstrekte WW-uitkering geheel van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten van 8 augustus 2006 en 2 oktober 2006 gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser per 2 december 2002 werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige, waarvan hij geen melding heeft gemaakt, en uit dien hoofde niet als werknemer kan worden aangemerkt. Volgens verweerder was eiser voorafgaand aan zijn werkloosheid uit de dienstbetrekking met [firma], te weten 1 oktober 2002, voor betrekkelijk weinig uren werkzaam voor Eurotrek BV. Gelet op de bevindingen van het onderzoek, met name de verklaring van [persoon 1] en de toename van de omzetcijfers in 2003 en 2004, acht verweerder het aannemelijk dat eiser na 1 oktober 2002 in de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels werkzaam was voor Eurotrek BV. Daarnaast was eiser 7 dagen per week, 24 uur per dag bereikbaar en beschikbaar via mobiele telefoon en e-mail. Het aantal uren dat eiser gemiddeld per week beschikbaar was voor klanten is achteraf niet meer op controleerbare en verifieerbare wijze vast te stellen. Gezien de verklaring van [persoon 1] en eisers eigen verklaring gaat verweerder er echter van uit dat dit aantal substantieel was. Hierbij wordt gesteld dat het opstellen van een ondernemersplan, het bezoeken van beurzen en dealers en de uren dat eiser beschikbaar was voor klanten, ook uren zijn die aangemerkt moeten worden als gewerkte uren voor Eurotrek BV. Verder heeft verweerder gesteld dat eisers werknemerschap geheel of gedeeltelijk is geëindigd door de uitbreiding van de werkzaamheden voor Eurotrek BV. Gezien de verklaringen acht verweerder het aannemelijk dat eiser op of omstreeks 2 december 2002 voor meer uren voor Eurotrek BV heeft gewerkt dan het aantal niet aftrekbare uren plus het gemiddeld aantal arbeidsuren van 37,5 uur per week. Nu eiser tot 26 januari 2004 geen opgave heeft gedaan van de gewerkte uren, kan niet op een controleerbare en verifieerbare manier worden vastgesteld of en tot wanneer eiser recht had op een WW-uitkering. Dit risico komt echter voor rekening van eiser. De aan eiser aanvankelijk per 2 december 2002 toegekende WW-uitkering is dan ook terecht ingetrokken en teruggevorderd, aldus verweerder. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft in beroep gesteld dat hij zijn werkzaamheden ten behoeve van Eurotrek BV vanaf de oprichting steeds heeft verricht naast zijn bestaande dienstbetrekking bij [firma]. Eiser is vanaf 2002 meer betrokken geweest bij (de verdere ontwikkeling van de activiteiten van) Eurotrek BV. Zijn managementwerkzaamheden zijn daarbij voornamelijk gericht geweest op het verder inrichten van het ondernemersplan, met name op de uitbreiding van de in- en verkoop van campers. Volgens eiser moeten de werkzaamheden in de periode van 26 weken voorafgaand aan de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op 2 oktober 2006 worden geduid als niet aftrekbare uren, welke hij inschat op gemiddeld 12 uur per week. Deze uren dienen bij de vaststelling van de WW buiten beschouwing te blijven. Na eisers ontslag bij [firma] zijn de werkzaamheden van eiser voor Eurotrek BV enigszins toegenomen, naar circa 20 uur per week. Eiser was weliswaar volledig beschikbaar, maar niet volledig werkzaam voor Eurotrek BV. De door verweerder aangeduide werkzaamheden (opstellen ondernemingsplan, bezoeken van beurzen en dealers, beschikbaarheid voor klanten) zijn geen dagelijks doorlopende activiteiten en zijn verricht in de loop van de jaren, aldus eiser. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden ervan is uitgegaan dat eiser in de periode van 2 december 2002 tot en met 31 oktober 2004 gedurende het aantal niet aftrekbare uren per week plus het gemiddeld aantal arbeidsuren van 37,5 uur per week werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, en op die grond de WW-uitkering heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Artikel 8, eerste lid van de WW bepaalt dat een persoon, wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer behoudt, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Het tweede lid bepaalt dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd. Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan verweerder op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW herziet verweerder, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, een dergelijk besluit of trekt het in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.