← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2008:BK8674

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 07/1631 AW uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. H.J. Weekers, en het bestuur van de stichting Waternet, verweerder, gemachtigde: mr. Andela.

  1. Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 19 september 2006 eiseres geplaatst op de functie van Teamleider Vestigingsondersteuning bij de sector Afvalwater. Op 7 maart 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 oktober 2006 (het bestreden besluit 1). Bij besluit van 3 april 2007 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen en het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit 2). De rechtbank heeft het besluit van 3 april 2007 aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van eiseres geacht wordt mede tegen het bestreden besluit 2 te zijn gericht. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 een beroepschrift ingediend. Het geding is, gevoegd met andere gedingen van eiseres, geregistreerd onder nummers AWB 07/3264 AW en AWB 07/1629 AW, behandeld ter zitting van 22 oktober
  2. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.J. Weekers, verbonden aan ARAG rechtsbijstand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela, verbonden aan Vijverberg Juristen en [persoon 1], werkzaam bij verweerder. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
  3. Overwegingen Ten aanzien van het bestreden besluit 1(het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar) De rechtbank is niet gebleken van enig procesbelang bij het doen van een uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Gelet op het vorenstaande zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk worden verklaard. Bij toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door eiseres betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
  4. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met deze procedure heeft moeten maken. Deze kosten worden overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 80,50 (1 punt van € 322,00 voor indiening van het beroepschrift maal wegingsfactor 0,25). Ten aanzien van het bestreden besluit 2 Eiseres was sinds 6 september 2001 in dienst bij de Dienst Waterbeheer en Riolering (DWR) als Hoofd Klantencontacten bij Algemene Zaken. Na een time-out per juli 2005 heeft eiseres zich op 21 oktober 2005 ziekgemeld. In het kader van haar re-integratie is zij in het jaar 2006 als Teamleider Vestigingsondersteuning bij de sector Afvalwater gaan werken. Per 1 januari 2006 zijn de DWR en het Waterleidingbedrijf gefuseerd tot de Stichting Waternet. In het kader van deze fusie dienden alle medewerkers opnieuw geplaatst te worden. De oude functie van eiseres zou per 1 oktober 2006 vervallen en voor haar diende een passende nieuwe functie binnen de nieuwe organisatie te worden gezocht. Bij brief van 11 april 2006 zijn alle medewerkers van de Stichting Waternet geïnformeerd over de plaatsing binnen Waternet op basis van de Sociale Paragraaf Waternet. Alle medewerkers hebben bij brief van 30 mei 2006 het formatieschema Waternet 2009 en het functieboek ontvangen. Bij brief van 6 juni 2006 is eiseres op de hoogte gesteld van haar voorlopige plaatsing als Teamleider Vestigingsondersteuning binnen de afdeling Managementondersteuning van de sector Afvalwater. Eiseres heeft bij brief van 29 juni 2006 haar bedenkingen tegen deze plaatsing ingeleverd. Tevens heeft zij twee voorkeursfuncties genoemd. Bij het primaire besluit van 19 september 2006 is eiseres definitief geplaatst op de functie Teamleider Vestigingsondersteuning bij de sector Afvalwater. Verweerder acht deze functie passend. Op de voorkeurfuncties van eiseres zijn medewerkers afkomstig uit hun eigen sector geplaatst, in overeenstemming met artikel 5 van de Sociale Paragraaf Waternet, terwijl deze functies voor de andere twee medewerkers bovendien beter passend waren dan voor eiseres. De rechtbank overweegt als volgt. De oude functie van eiseres, Hoofd Klantencontacten (schaal 11), is in de nieuwe organisatiestructuur komen te vervallen. Eiseres is geplaatst op de functie Teamleider C, sector Afvalwater, afdeling Managementondersteuning, team Vestigingsondersteuning (schaal 11). De nieuwe functie van Teamleider Vestigingsondersteuning is volgens eiseres niet passend. Zij stelt daartoe in het beroepschrift dat zij niet heeft gemerkt, dat er zoveel mogelijk rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, wensen en bestaande vooruitzichten. De rechtbank overweegt dat uit deze stelling -voor zover de stelling feitelijk al juist is- niet de conclusie kan worden getrokken dat derhalve de functie niet passend zou zijn. De rechtbank begrijpt dat de ambitie en voorkeur van eiseres bij een andersoortige sector liggen (zij heeft immers geen enkele affiniteit met Afvalwater en zou graag een functie bekleden die verband houdt met klanten), maar dit maakt niet dat de functie Teamleider Vestigingsondersteuning niet passend zou zijn. Nu eiseres verder geen inhoudelijke argumenten in dit opzicht naar voren heeft gebracht, slaagt de beroepsgrond van eiseres niet. De vraag is vervolgens of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiseres niet te plaatsen op een van haar twee voorkeursfuncties (beide schaal 12). Op de functie van haar eerste voorkeur, Afdelingshoofd C Frontoffice bij de sector Klant, Markt & Relaties, is mevrouw [persoon 2] geplaatst. Op de tweede voorkeursfunctie van eiseres, Teamleider B Projecten bij de sector Onderzoek & Projecten, is de heer [persoon 3] geplaatst. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij ten onrechte buiten de herplaatsingsprocedure is gehouden. Zij heeft pas op 9 juni 2006 een pakket thuisbezorgd kregen, terwijl er geen enkel vooroverleg of adviesgesprek heeft plaatsgevonden. Zij heeft niet, in tegenstelling tot andere medewerkers, de mogelijkheid gehad om vooraf haar voorkeuren kenbaar te maken. De rechtbank kan in tegenstelling tot verweerder niet uit de brief van 3 april 2006 afleiden dat eiseres haar voorkeuren kon opgeven. De beroepsgrond van eisers is echter naar het oordeel van de rechtbank feitelijk niet juist. In het kader van de re-integratie van eiseres is getracht haar op een andere functie te plaatsen. Zoals de gemachtigde van eiseres in zijn brief van 11 april 2006 schrijft, heeft eiseres - weliswaar later dan rond 3 maart 2006 maar in ieder geval voorafgaand aan 11 april 2006 - in het kader van haar re-integratie informatie over andere functies ontvangen. Eiseres wist dat zij zich op deze andere functies moest gaan oriënteren in het kader van haar re-integratie. Eiseres heeft niet na ontvangst van deze informatie haar voorkeursfuncties aan verweerder duidelijk gemaakt; dit zou mogelijk te maken te hebben met door eiseres gestelde miscommunicatie over de re-integratie. Het feit dat eiseres deze voorkeuren niet heeft opgegeven, maakt overigens niet dat zij daardoor in een achterstandspositie is geraakt ten opzichte van andere medewerkers. De andere medewerkers hebben immers deze mogelijkheid om zich van te voren te oriënteren op andere functies en eventueel een voorkeur op te geven niet gehad, met uitzondering van mevrouw [persoon 2], waarover hierna meer. Voorts heeft eiseres in beroep aangevoerd dat zij niet volgens de herplaatsingsprocedure en met inachtneming van alle zorgvuldigheidsnormen is herplaatst. Ook deze stelling gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Eiseres is evenals de andere medewerkers bij brief van 6 juni 2006 geïnformeerd over haar voorlopige plaatsing binnen de Stichting Waternet, waarbij zij en ook alle andere medewerkers in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen in te dienen dan wel voorkeuren voor andere functies kenbaar te maken. Niet gebleken is dat de plaatsing van mevrouw [persoon 2] en de heer [persoon 3] op onjuiste gronden is geschied. Mevrouw [persoon 2] werkte voorheen bij DWR, in de vroegere sector “Klant en Markt”. Zij is één op één overgegaan naar de nieuwe sector “Klant, Markt & Relatie”. Verweerder heeft meegedeeld dat er inderdaad met mevrouw [persoon 2] gesprekken zijn gevoerd vóór verzending van de algemene informatiebrief 11 april
  5. Zij is voorafgaande aan de uitvoering van de reorganisatie deze functie gaan vervullen in het kader van projectmatige werkzaamheden bij de nieuw op te richten sector, en is vervolgens in de algemene plaatsingsronde definitief op deze functie geplaatst. De rechtbank acht deze gang van zaken, gelet op de toelichting van verweerder, niet onzorgvuldig. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat eiseres een sterkere aanspraak op deze functie kan maken dan mevrouw [persoon 2]. De heer [persoon 3] werkte voorheen bij het Waterleidingbedrijf bij de sector Projecten. Met hem zijn géén voorafgaande gesprekken gevoerd en hij heeft dus ook niet van te voren kunnen kiezen, zoals verweerder uitdrukkelijk ter zitting heeft gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. De rechtbank kan zich vinden in de stelling van verweerder dat de nieuwe functie van de heer [persoon 3] beter passend voor de heer [persoon 3] was dan voor eiseres, nu de heer [persoon 3] immers al kennis en ervaring met projecten had opgedaan. Het probleem voor eiseres in deze reorganisatie is geweest dat haar eigen functie verviel. Ze had in dit opzicht ontegenzeggelijk een nadeel, maar dit maakt de door verweerder gevolgde procedure nog niet onzorgvuldig. Daarbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat het bij een reorganisatie altijd een kwestie is van puzzelen, passen en meten en dat nu eenmaal niet iedereen op de functie van zijn (eerste) voorkeur geplaatst kan worden. Ten slotte heeft eiseres in beroep aangevoerd dat er geen toetsbare belangenafweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de passendheid van de functie. De rechtbank overweegt dat de Adviescommissie inderdaad een dergelijke omissie in de primaire besluitvorming aanwezig achtte, maar dat verweerder in het bestreden besluit 2 daaraan wel voldoende overwegingen heeft gewijd. Ook overigens acht de rechtbank het bestreden besluit 2 op de juiste gronden genomen en niet in strijd met zorgplicht, goed werkgeverschap en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
  6. Beslissing De rechtbank: Ten aanzien van het bestreden besluit 1: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent), te betalen door de Stichting Waternet aan eiseres. Ten aanzien van het bestreden besluit 2: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 24 november 2008 door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. VM. Behrens, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Afschrift verzonden op: DOC: C

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.