Tussenbeslissingen inzake [JB] d.d. 9 maart 2009 Overwegingen naar aanleiding van preliminaire verweren Bij de beoordeling van de navolgende verweren is het volgende kader relevant. Jegens [JB] zijn twee dagvaardingen uitgebracht die ter terechtzitting van 9 februari 2009 ter gezamenlijke behandeling zijn gevoegd: de dagvaarding met parketnummer 13/529088-07 (hierna: dagvaarding A) en de dagvaarding met parketnummer 13/529176-06 (hierna: dagvaarding B). Dagvaarding A is in 2007 aan [JB] uitgereikt en dagvaarding B is, hoewel met een parketnummer van eerdere datum, in januari 2009, aan [JB] uitgereikt. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging jegens [JB] ten aanzien van een aantal feiten op dagvaarding B. De raadsman heeft hiertoe diverse verweren gevoerd, welke verweren hierna worden weergegeven en telkens direct zullen worden besproken. Ten aanzien van feit 4 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan de poging tot moord door medeverdachten [JR] en/of [GlS]). De raadsman heeft aangevoerd – kort samengevat – dat dit feit reeds is tenlastegelegd onder feit 1 van dagvaarding A (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan de moord door medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], hierna: feit 1). Het verweten feitelijk handelen van [JB] blijft hetzelfde, te weten: het leveren van een wapen ten behoeve van de liquidatie van de heer [TvdB]. Derhalve was de geëigende weg voor het openbaar ministerie die van een vordering wijziging tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten aanzien van feit 1. Door echter op een nieuwe dagvaarding feit 4 als een apart feit te presenteren, wordt bewust de wettelijke regeling omzeild en deze handelwijze is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de raadsman stelt, feit 4 niet ‘hetzelfde feit’ betreft als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als feit 1. In feit 4 wordt bij een andere gebeurtenis aangesloten, een tweede wapen genoemd en voorts een ander schuldverwijt jegens verdachte gemaakt. Het openbaar ministerie staat het mitsdien vrij dit verwijt in een nieuw feit neer te leggen. Ten aanzien van feit 5 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van overdracht van wapens en munitie). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd – kort samengevat – dat ook dit feit reeds is tenlastegelegd in feit 2 van dagvaarding A (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan moord door het verstrekken van een Glock en patronen en/of door naar een ander te rijden, waarna die ander een Kalashnikov en patronen heeft overhandigd, hierna: feit 2). Aangezien het feitelijk aan verdachte verweten handelen dezelfde levering van wapens en munitie betreft, wordt opnieuw de regeling van artikel 313 Sv omzeild, aldus de raadsman. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat, voor zover het betreft de in feit 5 verweten overdracht van de Glock 45 en patronen, kan worden vastgesteld dat dit verwijt reeds in feit 2 primair is neergelegd. In zoverre zal het openbaar ministerie ter zake van feit 5 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Echter voor het overige, derhalve ten aanzien van de verweten overdracht van de Kalashnikov, is het openbaar ministerie wel ontvankelijk. Immers, aan verdachte wordt hier een ander feitelijk en juridisch handelen verweten dan in feit 2 primair en subsidiair. Nu hier geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr, kan het openbaar ministerie dit als nieuw feit op dagvaarding B aanbrengen. Ten aanzien van feit 2 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van wapenhandel, dan wel voorbereiding daartoe). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd – kort gezegd – dat dit dossier in een zeer laat stadium van het geding is aangebracht, waardoor tijdsdruk in de procedure ontstaat die maakt dat de behandeling van de zaak op gespannen voet komt te staan met het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verband met een eerlijk proces. Het onlangs ter onderbouwing van dit feit overgelegde dossier is immers verre van volledig en bevat een misleidend proces-verbaal van relaas, zodat diverse onderzoekshandelingen noodzakelijk zijn, aldus de raadsman. Subsidiair vraagt de raadsman mitsdien om dit feit 2 (om praktische redenen tezamen met feit 1 en 3) af te splitsen. De rechtbank verwerpt dit verweer, wijst het subsidiaire verzoek af en overweegt daartoe als volgt. Hoewel genoemd proces-verbaal van relaas inderdaad enkele manco’s lijkt te bevatten, is daarmee niet gezegd dat het dossier onvoldoende basis zou bieden voor behandeling van de zaak. Tevens is niet gebleken dat hierbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is gehandeld. De officier van justitie heeft voorts ter terechtzitting aangekondigd op zeer korte termijn een aanvulling op het dossier te versturen, onder meer betreffende de punten die door de raadsman als onvolledig zijn aangeduid. De raadsman heeft in repliek aangegeven zijn onderzoekswensen na bestudering van deze aanvulling in te dienen. De inhoudelijke behandeling van dit feit staat eerst gepland over enkele maanden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn thans geen feiten en/of omstandigheden bekend die aanleiding geven te veronderstellen dat onvoldoende tijd resteert om in deze zaak de benodigde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten. Niet valt in te zien derhalve dat de verdachte door deze gang van zaken niet een eerlijk proces zou krijgen als bedoeld in artikel 6 EVRM, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van feit 2. Het belang van het onderzoek rechtvaardigt voorts een gevoegde behandeling van dit feit met de overige aan verdachte tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 6 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van deelneming aan een criminele organisatie). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat – kort gezegd – dit verwijt tardief wordt gemaakt, aangezien de verdachte sedert april 2007 in voorarrest zit en de aan dit verwijt ten grondslag liggende feiten al lang bekend zijn; het openbaar ministerie heeft derhalve te lang gewacht. De rechtbank verwerpt dit verweer. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat het aan dit feit ten grondslag liggende dossier (hierna: ‘artikel 140 Sr-dossier’) eerst onlangs is afgerond, zodat de tenlastelegging dienaangaande ook pas kortgeleden kon worden geconcipieerd. Het onderliggende dossier moet worden bezien als de resultante van alle eerdere onderzoeksbevindingen, waaronder die van zeer recent, eind 2008, afgesloten onderzoeken. De rechtbank meent dat dit op zichzelf geen onredelijke uitleg geeft aan de omstandigheid dat het onderhavige verwijt eerst thans aan verdachte wordt gemaakt. Gelet op de buitengewone omvang van het Passage-onderzoek, afgezet tegen de beschikbare capaciteit bij politie en justitie, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het onderzoek in de verschillende deelonderzoeken opeenvolgend heeft plaatsgevonden en dat ook de vervolgingsbeslissingen successievelijk – en (soms) in een later stadium – tot stand zijn gekomen. Van bewuste vertraging van de kant van de politie en/of het openbaar ministerie is niet gebleken. Overigens geldt dat de inhoudelijke behandeling van dit feit eerst over een aantal maanden gepland staat. Er zijn thans geen feiten en/of omstandigheden bekend die aanleiding geven te veronderstellen dat onvoldoende tijd resteert om in deze zaak de benodigde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten. Voorts heeft de raadsman betoogd – kort gezegd – dat vervolging van [JB] ter zake van dit feit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu de medeverdachte [GlS] niet voor dit feit wordt vervolgd, terwijl uit de bewoordingen van de tenlastelegging volgt dat het openbaar ministerie genoemde [GlS] wel als een deelnemer aan de criminele organisatie aanmerkt. In antwoord heeft de officier van justitie dit laatste ter terechtzitting bevestigd. De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooropgesteld dient te worden dat naar geldend recht krachtens het opportuniteitsbeginsel het openbaar ministerie in beginsel vrijheid van handelen toekomt in haar vervolgingsbeslissingen. Alleen in gevallen dat een vervolgingsbeslissing evident strijd oplevert met beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel, kan dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die vervolging leiden. Daarvan is hier geen sprake. In het kader van de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en [GlS] heeft het openbaar ministerie toegezegd, uitgaande van de juistheid en volledigheid van zijn verklaringen omtrent zijn eigen betrokkenheid, [GlS] voor niet meer feiten te vervolgen dan die in de overeenkomst zijn neergelegd en die derhalve zijn meegewogen voor de in zijn zaak te formuleren strafeis. Uit de bewoordingen van de officier van justitie ter terechtzitting, gelijk hiervoor aangehaald, volgt dat het ‘artikel 140-dossier’ eerst recent en derhalve geruime tijd ná het sluiten van de overeenkomst met [GlS], gereed is gekomen en ook eerst nadien heeft geleid tot het besluit van het openbaar ministerie een aantal verdachten te vervolgen voor de deelneming aan een criminele organisatie. Ten tijde van het doen van die vervolgingsbeslissingen, onder andere jegens [JB], kon het openbaar ministerie menen gebonden te zijn aan genoemde door haar gedane toezegging jegens [GlS], terwijl een dergelijke toezegging niet was gedaan jegens [JB] met wie geen overeenkomst is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hier mitsdien geen rechtens gelijke gevallen, die ertoe dwingen dat het openbaar ministerie, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet had mogen besluiten [JB] wel en [GlS] niet te vervolgen ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. Geldigheid dagvaarding De raadsman heeft betoogd dat (de rechtbank begrijpt: indien de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mocht besluiten) feit 4 van dagvaarding B nietig dient te worden verklaard, omdat het strijdig is met feit 1 van dagvaarding A. Nu de beide feitomschrijvingen onderling tegenstrijdig zijn, kan verdachte zijn verdediging niet adequaat inrichten, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer. Reeds omdat hier sprake is van twee verschillende feiten vermag de rechtbank niet in te zien hoe deze onderling tegenstrijdig kunnen zijn. Het komt de rechtbank voor dat het voor verdachte in redelijkheid voldoende duidelijk moet zijn wat hem, tegen de achtergrond van het dossier, onder beide feiten wordt verweten. Overwegingen aangaande de voorlopige hechtenis Vordering gevangenneming Door het openbaar ministerie is een vordering gevangenneming ter zake van feit 6 van dagvaarding B (bevattende, kort gezegd, het verwijt van deelneming aan een criminele organisatie) ingediend. De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze vordering, op de volgende twee gronden die de rechtbank direct bespreekt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.