RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 07/3981 ZFW uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen: [eiser], wonende te [woonplaats] (België), eiser, en de Raad van bestuur van het College voor zorgverzekeringen, verweerder, gemachtigden: mr. F. van Woerden-Poppe en mr. R.G. van der Wissel. 1. Procesverloop Bij brief van december 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij op grond van Verordening (EEG) 1408/71 recht heeft op medische zorg in zijn woonland ten laste van Nederland en dat hij daarvoor een bijdrage is verschuldigd. Bij brief van juni 2006 heeft verweerder eiser geïnformeerd over de van toepassing zijnde woonlandfactor. Bij besluit van 28 september 2007, opnieuw bekend gemaakt op 1 oktober 2007, (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de brieven van december 2005 en juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 7 oktober 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/3981 ZFW. Bij besluit van 22 september 2008 (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en een nieuw besluit genomen, waarbij eisers bezwaren ongegrond zijn verklaard. Bij brief van 28 oktober 2007 heeft eiser onder vermelding van procedurenummer AWB 07/3981 ZFW een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Daarbij heeft eiser een brief van verweerder van 6 juli 2007 overgelegd. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/4422 ZFW. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2009. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. 2. Overwegingen Ten aanzien van procedure AWB 07/4422 ZFW Bij brief van 28 oktober 2007 heeft eiser onder vermelding van procedurenummer AWB 07/3981 ZFW nadere gronden van zijn beroep ingediend. Deze brief is door de rechtbank aangemerkt als een (nieuw) beroepschrift tegen de brief van verweerder van 6 juli 2007 en geregistreerd onder nummer AWB 07/4422 ZFW. Bij eiser is voor de tweede maal griffierecht in rekening gebracht. Naderhand is gebleken dat deze brief een voorzetting van procedure 07/3981 is en dat ten onrechte een tweede procedure is aangemaakt. De rechtbank heeft daarom procedure AWB 07/4422 ZFW opgeheven en de daarbij behorende stukken in het dossier van procedure AWB 07/3971 ZFW gevoegd. Voorts heeft de rechtbank opdracht gegeven om het griffierecht geheven in procedure AWB 07/4422 ZFW terug te storten naar eiser. Ten aanzien van het bestreden besluit I Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en een nieuw besluit genomen op eisers bezwaren. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het bestreden besluit I, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit II een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met het bestreden besluit II niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser, wordt het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Feiten Eiser woont sinds 1 juli 2007 in België. Daarvoor woonde hij enige tijd in Schotland. Hij ontving tot 1 augustus 2008 een FPU-pensioen en sinds 1 augustus 2008 een pensioen op grond van de Algemene Oudersdomswet (AOW) en een pensioen van Pensioenfonds ABP. Het orgaan in Schotland heeft het E121-formulier niet bevestigd. In België heeft eiser het E121-formulier niet ingediend bij het orgaan van de woonplaats. Juridisch kader Artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) luidde - ten tijde hier van belang en voor zover hier aan de orde - als volgt: 1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan. 2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd. 5. Bij ministeriële regeling: a. kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, door een orgaan dat pensioen of rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen; b. kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak, bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren. Artikel 28 van Verordening (EEG) 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna ook: de Verordening) luidt -voor zover van belang- als volgt. Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat 1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. (…) 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.