RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 10/242 WET uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, gemachtigde mr. A. Caddeo, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IBG), verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2009 (het bestreden besluit). De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2010. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is – met kennisgeving – niet verschenen. Overwegingen 1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure. 2.1. Verzoeker heeft verweerder op 7 augustus 2008 verzocht om buiteninvorderingstelling van het lesgeld voor het schooljaar 2008-2009. 2.2. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat verzoeker op de datum van inschrijving, 1 augustus 2008, rechtmatig in Nederland verbleef als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, j, of k, van de Vreemdelingenwet . Verzoeker voldoet daardoor niet aan de in artikel 2 van de Beleidsregel buiteninvorderingstelling lesgeld asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen (de beleidsregel) gestelde voorwaarde voor toepassing van de in artikel 9b van de Les- en cursusgeldwet (LCW) neergelegde hardheidsclausule. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht afgezien van het houden van een hoorzitting. 2.4. Bij brief van 15 januari 2010 heeft de deurwaarder in opdracht van verweerder verzoeker bericht dat beslag gelegd zal worden op zijn roerende zaken indien verzoeker niet uiterlijk 20 januari 2010 een bedrag van € 700 voldoet. 2.5. Verweerder heeft bij brief van 26 januari 2010 aangevoerd dat verzoeker niet tot de doelgroep van de beleidsregel behoort, omdat uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat verzoeker per 29 augustus 2007 geen verblijfstitel (meer) heeft. 3.1. Verzoeker heeft de rechter verzocht het bestreden besluit te schorsen in die zin dat het verweerder wordt verboden executoriale maatregelen dan wel vergelijkbare maatregelen te treffen zolang de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan op het beroep. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat de beslaglegging vexatoir is en nergens toe kan leiden, omdat verzoeker geen inkomsten en/of vermogen heeft. Verzoeker woont bij derden in, die last zullen ondervinden van de beslaglegging, waardoor de kans bestaat dat verzoeker door hen uit de woning zal worden gezet. 4.1. Ingevolge artikel 9b van de LCW kan de IBG voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). 4.2. Ter invulling van de beleidsvrijheid die verweerder op grond van artikel 9b van de LCW toekomt, heeft zij de beleidsregel vastgesteld. 4.3. Volgens artikel 2 van de beleidsregel is de beleidsregel van toepassing op lesgeldplichtige vreemdelingen die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.