RECHTBANK AMSTERDAM Sector Kanton Locatie Hilversum zaak- en rolnummer: 621416 CV EXPL 04-3111 vonnis van: 19 mei 2010 f.no.: 574 Vonnis van de kantonrechter i n z a k e Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, nader te noemen: Dexia, gemachtigde: dw. P. Swier, t e g e n [gedaagde in conventie], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie eiseres in reconventie, hierna: [gedaagde in conventie], gemachtigde: mr. O.H.A. Mo-Ajok, e n [tussenkomende partij], wonende te [woonplaats], tussenkomende partij, hierna: [tussenkomende partij], gemachtigde: mr. O.H.A. Mo-Ajok. De procedure 1.1. Op 25 november 2009 heeft de kantonrechter een in deze zaak gewezen tussenvonnis uitgesproken. Voor het verloop van de procedure tot dan toe, verwijst de kantonrechter naar hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis is overwogen. 1.2. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft op een 5 februari 2010 een comparitie en een getuigenverhoor plaatsgevonden. Ter comparitie is [naam 1] namens Dexia verschenen, bijgestaan door mr. R.M.J. Vermeer. Voort zijn verschenen [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] in persoon, bijgestaan door diens gemachtigde mr. Mo-Ajok. Van hetgeen besproken is ter comparitie heeft de griffier aantekening gehouden. Zoals blijkt uit het proces-verbaal, heeft Dexia ter comparitie een akte genomen, waarbij zij producties heeft overgelegd en heeft Dexia tevens een akte houdende een vermindering van haar eis genomen. Mr. Mo-Ajok heeft de eis in reconventie mondeling gewijzigd, waartegen mr. Vermeer bezwaar heeft gemaakt. 1.3. Vervolgens hebben [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] een conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende akte conclusie na enquête genomen. 1.4. Daarop heeft Dexia een conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende conclusie na enquête genomen. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. Gronden van de beslissing 2. De feiten in conventie en in reconventie Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast: 2.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen. 2.2 [gedaagde in conventie] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia: Nr Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd Termijnbedrag 1 [contractnr.] 23-09-1999 Korting Kado € 24.876,11 120 mnd € 114,75 2 [contractnr.] 30-09-199 WinstVerDriedubbelaar € 4.805,59 36 mnd € 23,15 De in de procedure betrokken lease-overeenkomsten zullen hierna als individuele overeenkomst worden aangeduid met het betreffende nummer uit de linker kolom van bovenstaande tabel en gezamenlijk als ‘de lease-overeenkomsten’. 2.3. De eerste betaling door [gedaagde in conventie] aan Dexia op grond van de lease-overeenkomsten vond plaats op 29 oktober 1999 en is verricht ten laste van een zogenoemde en/of-rekening op naam van [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij]. In totaal heeft [gedaagde in conventie] op grond van de lease-overeenkomst 1 € 6.081,75 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en € 1.065,52 aan dividenden en andere voordelen ontvangen. In het kader van lease-overeenkomst 2 heeft [gedaagde in conventie] in totaal € 833,40 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. 2.4. De lease-overeenkomsten zijn inmiddels geëindigd. Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld waaraan de kantonrechter de volgende gegevens ontleent: Nr. Contractnr Datum eindafrekening Saldo eindafrekening Waarvan achterstallige termijnen I [contractnr.] 24-09-2004 € 8.814,06 € 803,25 II [contractnr.] 18-12-2002 € 1.563,90 € 0 [gedaagde in conventie] heeft de saldi op de eindafrekening niet aan Dexia voldaan. 2.5. [tussenkomende partij] heeft [gedaagde in conventie], met wie hij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de lease-overeenkomsten. 2.6. Bij brief van 20 maart 2003 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [tussenkomende partij] met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomsten vernietigd en terugbetaling gevorderd van alle door [gedaagde in conventie] betaalde termijnen binnen een termijn van 14 dagen. 3. Het geschil in conventie in conventie 3.1 Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in conventie] veroordeelt aan Dexia tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 521,30 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 dagen na de eindafrekening, alsmede het bedrag van € 2.818,11 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 dagen na de eindafrekening, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal bepalen. 3.2 [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] hebben de vordering en de gronden daarvan bestreden op gronden die – voor zover van belang – hierna aan de orde zullen komen. in reconventie 3.3 Naar de kantonrechter begrijpt hebben [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] na wijziging van eis gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, a. voor recht verklaart dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd; b. Dexia veroordeelt tot restitutie van alle door [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] aan Dexia betaalde maandtermijnen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de desbetreffende maandbetaling tot aan de dag van voldoening; c. Dexia veroordeelt de registratie in het BKR-register door te halen; c. Dexia veroordeelt tot betaling van € 350,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; d. Dexia veroordeelt in de kosten van het geding. 3.4 Dexia heeft deze vordering bestreden op gronden die – voor zover van belang – hierna aan de orde zullen komen. 4. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie Eiswijziging in reconventie 4.1. Ter comparitie hebben [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] hun eis bij monde van hun gemachtigde aldus gewijzigd, dat de vordering op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW niet slechts betrekking heeft op lease-overeenkomst 2, zoals bij conclusie van eis in reconventie nog was aangevoerd, maar ook op lease-overeenkomst 1. De gemachtigde van Dexia heeft zich hiertegen verzet, stellende dat een dergelijke eisvermeerdering bij akte of conclusie dient te geschieden. Vervolgens is voormelde eisvermeerdering in de na de comparitie genomen conclusie aan de zijde van [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] verwoord. Daarmee is het door Dexia opgeworpen bezwaar komen te vervallen. Nu er ook overigens geen gronden zijn die nopen tot het oordeel dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, zal de vordering in reconventie zoals gewijzigd worden beoordeeld. Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW 4.2. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) worden de onderhavige overeenkomsten aangemerkt als huurkoop. 4.3. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten van toepassing is, zodat [gedaagde in conventie] voor het aangaan van de lease-overeenkomsten de toestemming van [tussenkomende partij] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, r.o. 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [tussenkomende partij] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid. Verjaring 4.4. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [tussenkomende partij] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten. 4.5. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring. 4.6. Dexia heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. De kantonrechter kan Dexia in deze stelling niet volgen. Immers, die stelling moge in veel gevallen juist zijn maar is onvoldoende om deze bekendheid ook aan te nemen als, zoals in casu, die bekendheid gemotiveerd wordt betwist. 4.7. Verder heeft Dexia in dit verband aangevoerd dat een adviseur van Dexia, de heer [naam 2], op verzoek van [gedaagde in conventie] kort na 14 maart 2000 bij [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] thuis is geweest om tekst en uitleg te geven over de uitkering van dividend. Volgens Dexia wist [tussenkomende partij] in elk geval vanaf dit moment van het bestaan van de lease-overeenkomsten. Ten slotte heeft Dexia aangevoerd dat betalingen van de op grond van de lease-overeenkomsten verschuldigde bedragen hebben plaatsgevonden vanaf een en/of-rekening die op naam van [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] stond. Daaruit volgt volgens Dexia dat [tussenkomende partij] op de hoogte was van de lease-overeenkomsten, met ingang van de (oudste) ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. 4.8. [gedaagde in conventie] hebben hier tegenover gesteld dat [tussenkomende partij] eerst in het najaar van 2002 naar aanleiding van de door Dexia verzonden eindafrekening op de hoogte raakte van de lease-overeenkomsten. Zij hebben erkend dat betalingen aan Dexia van een en/of-rekening hebben plaatsgevonden. 4.9. Zoals de kantonrechter ter comparitie reeds te kennen heeft gegeven, wettigt het vaststaande feit dat [gedaagde in conventie] via een en/of-rekening betalingen aan Dexia heeft verricht het (bewijs)vermoeden dat [tussenkomende partij] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de onderhavige lease-overeenkomsten. Immers, die bankafschriften waren mede aan [tussenkomende partij] gericht, zodat er voldoende grond is om te vermoeden dat hij van de inhoud ervan heeft kennisgenomen. Hetgeen [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] hiertegen nog hebben aangevoerd, kan de kantonrechter niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd. [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] zijn evenwel in de gelegenheid gesteld om tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren. Zij heeft hiertoe twee getuigen doen horen, te weten [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij]. 4.10. [tussenkomende partij] en [gedaagde in conventie] hebben beiden verklaard dat [gedaagde in conventie] de lease-overeenkomsten buiten medeweten van [tussenkomende partij] heeft afgesloten dat zij [tussenkomende partij] pas toen het haar uit de door Dexia verstuurde eindafrekening bleek dat er een restschuld was ontstaan van die lease-overeenkomsten heeft verteld. Verder hebben de beide gehoorde getuigen verklaard dat [gedaagde in conventie] de gezinsfinanciën verzorgde, dat zij alle post opende, behalve post die typisch voor [tussenkomende partij] was en dat [tussenkomende partij] geen bankafschriften opende, alsmede dat [tussenkomende partij] niet over een bankpasje beschikte en dat hij van [gedaagde in conventie] zakgeld in contanten ontving. 4.11. Ofschoon hieruit kan worden afgeleid dat [tussenkomende partij] niet door middel van raadpleging van een bankafschrift op de hoogte is geraakt van het bestaan van de lease-overeenkomsten, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] niet erin zijn geslaagd het hierboven onder 4.9 verwoorde bewijsvermoeden te ontzenuwen. Naar het oordeel van kantonrechter moet namelijk zo zeer worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de afgelegde getuigenverklaringen, dat zij geen bewijs ten voordele van [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] kunnen opleveren. 4.12. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat de getuigenverklaringen op wezenlijke onderdelen onderling inconsistent zijn. Zo heeft [tussenkomende partij] als getuige verklaard dat nadat hij op de hoogte was gebracht van de lease-overeenkomsten, hij degene was die actie ondernam en daarvoor op de site van Tros Radar had gekeken. [gedaagde in conventie] heeft in dit verband evenwel verklaard dat [tussenkomende partij] er niets van snapte en dat zij toen zelf dingen is gaan volgen, bekijken en doen, dat zij het initiatief heeft genomen om wat aan de lease-overeenkomsten te doen, dat zij naar Tros Radar heeft gekeken en dat het haar toen duidelijk werd dat zij ‘ook zo iets had’. Verder heeft [tussenkomende partij] als getuige verklaard dat hij en [gedaagde in conventie] bij grote uitgaven van te voren met elkaar bespreken of die uitgaven gedaan kunnen worden en, zo nee, wanneer wel. Volgens hem gaat dit zo ook met kleding, schoeisel, een mobiele telefoon of een bril voor hemzelf. [gedaagde in conventie] heeft hieromtrent echter verklaard dat zij weet of er op een bepaald moment wel of niet iets gekocht kan worden omdat zij degene is die de financiën doet en dat zij dit soort zaken (dus) niet vooraf met [tussenkomende partij] bespreekt. Verder vindt de kantonrechter de verklaring van [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] dat laatstgenoemde door de toen op de Antillen verblijvende echtgenoot van een zuster van [gedaagde in conventie] was gemachtigd voor een girorekening in Nederland, moeilijk te rijmen met hun beider stelling dat [gedaagde in conventie] degene was die de financiën beheerde. De reden die [tussenkomende partij] hiervoor heeft gegeven, te weten ‘dat dit mannenzaken zijn’, roept op dit punt veeleer nog meer vragen op dan dat het een passende verklaring geeft. Ten slotte oordeelt de kantonrechter het zonder nadere uitleg, die evenwel ontbreekt, onaannemelijk dat desondanks de omstandigheid dat de maandlasten van de lease-overeenkomsten dermate hoog waren dat, naar [gedaagde in conventie] heeft verklaard, ‘op andere dingen’ moest worden bezuinigd, [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] gedurende de looptijd van de lease-overeenkomsten nimmer daarover met elkaar hebben gesproken. 4.13. Het voorgaande voert tot de slotsom dat [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] niet erin zijn geslaagd tegenbewijs te leveren en het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat [tussenkomende partij] al meer dan drie jaar voor de datum van de vernietigingsbrief – 20 maart 2003 – wist van het bestaan van de lease-overeenkomsten, zodat het recht die overeenkomsten te vernietiging reeds was verjaard toen hij dat door middel van de zojuist genoemde brief uitoefende. Dit brengt mee dat thans de overige gronden waarmee [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] de lease-overeenkomsten hebben aangevochten, moeten worden beoordeeld. Dwaling, bedrog, onvoorziene omstandigheden, misbruik van omstandigheden 4.14. In zijn arrest van 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad voor soortgelijke geschillen een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, die de kantonrechter overneemt. In essentie komt dit in de onderhavige zaak neer op het volgende. 4.15. Dexia heeft middels het als productie overgelegde informatiemateriaal voldoende duidelijk gemaakt dat er sprake was van het verstrekken van een geldlening, dat aan de lease-overeenkomst koersrisico’s waren verbonden en dat het risico bestond van een tekort (restschuld) in het geval dat de overeenkomst (tussentijds) zou worden beëindigd en de waarde van de effecten ontoereikend zou zijn om de aankoopsom volledig te voldoen. Op die grond faalt het beroep op dwaling. Mitsdien faalt ook het beroep op bedrog. Van opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie is immers geen sprake geweest. Dit laat onverlet dat – zoals hierna nog aan de orde komt – op Dexia uit hoofde van haar bijzondere zorgplicht een waarschuwingsplicht van andere aard rust. 4.16. Er is geen sprake van misbruik van omstandigheden, nu uit het in dit verband aangevoerde niet volgt dat Dexia wist of moest begrijpen dat [gedaagde in conventie] door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het aangaan van de lease-overeenkomst en het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen Dexia wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden. 4.17. De door [gedaagde in conventie] en [tussenkomende partij] aangevoerde omstandigheden leiden in dit geval niet tot een ander oordeel. Zorgplicht, causaal verband en eigen schuld 4.18. In zijn eerdergenoemde arrest van 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad ook uitgangspunten en een beoordelingskader geformuleerd wat betreft de volgende vragen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.