vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector Kanton Locatie Amsterdam Rolnummer: 976678 CV EXPL 08-25005 Vonnis van: 1 april 2010 F.no.: 568 Vonnis van de kantonrechter i n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUCLAIM B.V., gevestigd te Brummen, eiseres, nader te noemen: EUclaim, gemachtigde: J.M. van Meggelen, t e g e n de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, gedaagde, nader te noemen: KLM, gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers. VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 13 mei 2009 is een tussenvonnis gewezen, waarbij de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast. De comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden. Partijen hebben nadere stukken overgelegd. De kantonrechter verwijst naar de rolmededeling van 26 augustus 2009. Partijen hebben vervolgens beide nog een (nadere) akte ingediend. Hierna is opnieuw vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Voor de vaststaande feiten, de vordering en het verweer verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 13 mei 2009. Het lijkt niet langer zinvol dat partijen persoonlijk op een zitting komen om nadere inlichtingen te verstrekken en de mogelijkheid van een schikking te onderzoeken. De kantonrechter acht zich voldoende voorgelicht om in de onderhavige zaak te beslissen. 2. De kantonrechter verwerpt het verweer van KLM, dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vorderingen van de passagiers aan EUclaim. Uit de inhoud van de onderhavige akte van cessie blijkt voldoende dat de cessie tot doel had de vorderingen van de passagiers daadwerkelijk te doen overgaan op EUclaim. De omstandigheid dat de tegenprestatie van EUclaim voor de overdracht afhankelijk is van de uitkomst van de procedure, is niet voldoende voor het oordeel dat in dit geval geen sprake zou zijn van een geldige titel van overdracht. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking, dat EUclaim blijkens de akte van cessie onder meer op zich heeft genomen een eventuele incassoprocedure te financieren. EUclaim moet in dit licht geacht worden het juridisch en economisch risico van de passagiers te hebben overgenomen. 3. De kantonrechter volgt KLM tegen deze achtergrond voorts niet in haar verweer dat EUclaim in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard voor zover deze betrekking heeft op het minderjarige kind van de passagiers, [naam 1]. Aan KLM kan worden toegegeven dat de ouders op de voet van artikel 1:345 BW een machtiging van de kantonrechter zouden behoeven om voor [naam 1] in rechte op te treden. In dit geval is hiervan echter geen sprake. Mede gezien hetgeen hiervoor onder 2. werd overwogen moet worden aangenomen dat de ouders de vordering van [naam 1] - daarbij handelende in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van deze laatste - hebben overgedragen aan EUclaim. Gronden om aan te nemen dat deze overdracht niet rechtsgeldig zou hebben plaatsgevonden zijn niet gebleken. Als uitgangspunt geldt derhalve dat EUclaim thans een eigen vordering indient. Zij behoefde hiervoor geen machtiging van de kantonrechter. 4. KLM heeft voorts als verweer aangevoerd, dat zij in dit geval niet tot compensatie van de passagiers was gehouden, omdat deze in Curaçao al bijstand en compensatie hadden ontvangen als bedoeld in artikel 3 lid 1 onder b van EG-verordening 261/2004 (hierna: de verordening). Dit artikel bepaalt voor zover van belang: 1. Deze verordening is van toepassing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.