← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6922

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 09/3870 WIA uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen, eiseres, gemachtigde: mr. A.J.G. Tazelaar, tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: [gemachtigde] Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2009 heeft verweerder aan eiseres de verplichting opgelegd om het loon aan haar werknemer [werknemer] door te betalen tot 13 maart

  1. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 juli 2009 ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni
  2. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, door [naam 1] en door [naam 2]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen
  3. Feiten en omstandigheden 1.
  4. De heer [werknemer] (hierna: de werknemer) is op 16 april 2007 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als eerste platformmedewerker. 1.
  5. Op 5 december 2008 heeft werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. 1.
  6. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft verweerder het tijdvak waarin de werknemer jegens eiseres als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken, vanwege het feit dat door eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de WIA in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de WIA. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder de uitkeringsaanvraag van de werknemer op grond van de WIA opgeschort. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. 1.
  7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het loonsanctiebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit richt zich het beroep.
  8. Juridisch kader 2.
  9. Artikel 25 van de WIA bevat bepalingen over de re-integratieverplichtingen en de verplichte loondoorbetaling door de werkgever. In het negende lid is bepaald – voor zover hier van belang – dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak verlengt gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. 2.
  10. Ingevolge artikel 65 van de WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht. 2.
  11. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Staatscourant 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Staatscourant 2006, 224; hierna: de Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. 2.
  12. Ingevolge artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. In het tweede lid is bepaald dat de werkgever verplicht is zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.
  13. Beoordeling van het geschil 3.
  14. Niet in geschil is dat de werknemer na 15 augustus 2004 - te weten op 16 april 2007 - arbeidsongeschikt is geworden. Gelet op artikel 123b, eerste lid, van de Wet WIA is artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dus van toepassing in dit geval. 3.
  15. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder al dan niet terecht de op eiseres rustende loonbetalingsverplichting heeft verlengd. Daarbij is van belang of eiseres tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen. 3.
  16. Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling door het UWV van de geleverde re-integratie-inspanningen het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Er is sprake van een bevredigend resultaat wanneer is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De betreffende werkhervatting moet bovendien een structureel karakter hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. Het is mogelijk dat ondanks daartoe ondernomen inspanningen een dergelijk resultaat niet haalbaar is. Volgens de Beleidsregels is in die situatie ook sprake van een bevredigend resultaat wanneer de werknemer tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode is ingeschakeld in arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het loon vóór de ziekte. Ook hier geldt dat de hervatting een structureel karakter moet hebben. Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling vooral worden gekeken naar datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is ook het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. In zijn uitspraak van 28 oktober 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer BK 1570, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de Beleidsregels aangemerkt als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), over de uitleg van de artikelen 65 en 25, negende lid, van de WIA. De CRvB heeft dit beleid redelijk geoordeeld. 3.
  17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. In de periode die hier ter beoordeling staat is het immers niet gekomen tot een werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De werknemer heeft enkele malen vervangend werk verricht, waaronder zeven maanden bij de afdeling Odd Sizes. Hoewel de werknemer eiseres heeft verzocht hem dit werk structureel aan te bieden, heeft hij het vervangende werk als gevolg van het interne re-integratiebeleid niet langer dan zeven maanden kunnen verrichten. De werknemer heeft de tijdelijke vervangende werkzaamheden verricht zonder dat daar loonwaarde aan was toegekend (namelijk op arbeidstherapeutische basis). Vervolgens is met ingang van 16 januari 2009 een extern re-integratietraject (tweede spoor) gestart via re-integratiebureau Salto, omdat de tijdelijke werkzaamheden en de begeleiding bij sollicitaties niet hebben geleid tot het verkrijgen van een baan binnen het bedrijf van eiseres. 3.
  18. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van werkhervatting met een structureel karakter binnen het eigen dan wel een ander bedrijf, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Gelet op de duurzaam benutbare mogelijkheden van de werknemer ten tijde hier van belang, was het aangewezen om de werknemer definitief te plaatsen in een passende functie, met bijbehorende loonwaarde. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder het aspect loonwaarde heeft kunnen betrekken bij de beoordeling of sprake is van een bevredigend resultaat. Immers, uit de Beleidsregels volgt dat met het aspect loonwaarde het resultaat van de re-integratie-inspanningen kan worden gemeten. Zo kan onder omstandigheden arbeid tegen een loonwaarde van 65% van het oude loon worden aangemerkt als een bevredigend resultaat. 3.
  19. Vervolgens staat ter beoordeling van de rechtbank of verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 3.
  20. De conclusie van verweerder met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van eiseres is neergelegd in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 2 maart 2009 en de bezwaararbeidsdeskundige van 14 juli 2009 en 21 december
  21. Samengevat komt het erop neer dat eiseres volgens verweerder niet voortvarend genoeg te werk is gegaan. Beoogd wordt een actieve en initiërende rol van eiseres om arbeidsongeschikte werknemers te herplaatsen in structureel aangepast werk binnen het eigen bedrijf. De re-integratie heeft zich in dit geval niet gericht op een structurele herplaatsing in passend werk per einde wachttijd, terwijl de werkgever wettelijk verplicht is om passend (gemaakt) werk aan te bieden. Verweerder acht het niet redelijk dat geen loonwaarde is toegekend aan de verrichte werkzaamheden. Het werken op arbeidstherapeutische basis kan slechts kortdurend worden toegepast en heeft als functie het opbouwen naar meer uren. Het beleid van eiseres – inhoudende de arbeidsongeschikte werknemer tijdelijk werkervaring/arbeidstraining te laten opdoen (zogenoemde BIM-functies) en de werknemer te begeleiden bij sollicitaties op vacante bestaande functies (zonder aanpassingen) zonder dat er loonwaarde wordt toegekend – heeft verwijtbaar vertragend gewerkt op de re-integratie van de werknemer binnen het eigen bedrijf (eerste spoor). Wanneer eiseres voortvarender te werk was gegaan, dan had de werknemer geen WIA-uitkering hoeven aan te vragen, aldus verweerder. 3.
  22. Eiseres heeft samengevat aangevoerd dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Zij bestrijdt dat haar re-integratieprocedure, die werkhervatting in tijdelijk werk biedt, een feitelijke kans op structureel werk verhindert. Het re-integratiebeleid is ontwikkeld met instemming van de Ondernemingsraad, teneinde arbeidsongeschikte werknemers de mogelijkheid te bieden tijdelijk werkzaam te zijn. De tijdelijke werkhervatting bevordert het re-integratieproces voor arbeidsongeschikte werknemers die uiteindelijk kunnen terugkeren naar het eigen werk. Bij inzet op een BIM-plek en bij afwijzing van een sollicitatie gaat het zoeken naar passend structureel werk gewoon door, aldus eiseres. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat er voor lager opgeleiden die niet meer op het platform werkzaam kunnen zijn, zoals de werknemer zeer weinig arbeidsmogelijkheden binnen de onderneming resteren. Er zijn niet voldoende formatieplaatsen beschikbaar om alle arbeidsongeschikte werknemers aan passend werk te helpen. Door eiseres wordt bestreden dat haar inspanningen niet feitelijk waren gericht op structurele werkhervatting van de werknemer in aangepast werk. Verder heeft eiseres bestreden dat het tweede spoor niet op het juiste moment zou zijn ingezet. Pas nadat re-integratie binnen het eigen bedrijf niet heeft geleid tot het gewenste resultaat en rekening houdende met de voorkeur van de werknemer voor re-integratie binnen het eigen bedrijf, is het tweede spoor ingezet. 3.
  23. De rechtbank stelt vast dat eiseres in korte tijd behoorlijke re-integratie-inspanningen heeft verricht. Niet valt echter in te zien waarom de werknemer ten tijde van het primaire besluit slechts werkzaam is geweest in tijdelijk vervangende werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis en waarom hij niet definitief is geplaatst in een passende of passend gemaakte functie waartoe de werkgever op grond van artikel 7:685a van het BW gehouden is. De rechtbank wijst in dit verband ook op de Beleidsregels, waaruit volgt dat het werken op arbeidstherapeutische basis een zeer adequate aanpak kan zijn, mits dit voor een korte periode gebeurt (in de regel niet langer dan zes weken) en mits deze periode wordt gebruikt om in de praktijk te beoordelen welke arbeidsmogelijkheden de werknemer heeft. Na afloop van die periode moeten werkgever en werknemer, in overleg met de bedrijfsarts, kiezen voor hetzij een reguliere arbeidsinschakeling, hetzij een andere wijze van re-integratie. Eiseres heeft in dit verband nagelaten de arbeidsdeskundige van de arbodienst te vragen om onderzoek te doen naar ander (passend) werk binnen het eigen bedrijf. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat het interne re-integratiebeleid (ondanks de daaraan ten grondslag liggende intenties) van eiseres in dit geval vertragend heeft gewerkt op de re-integratie van de werknemer. Het beleid sluit niet aan bij de Beleidsregels met betrekking tot het voeren van een actief beleid gericht op structurele herplaatsing van de werknemer. In dit geval was ten tijde van belang geen sprake van een concreet einddoel. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat eiseres heeft nagelaten om in een vroeg stadium adequaat onderzoek in te stellen naar de functionele mogelijkheden in relatie tot de reële herplaatsingsmogelijkheden binnen het eigen bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres uiterlijk vanaf de eerstejaarsevaluatie – 26 januari 2008 – duidelijk moeten zijn dat zij haar re-integratie inspanningen diende te richten op het zogenoemde tweede spoor, omdat er op dat moment niet met grote stelligheid vanuit kon worden gegaan dat de werknemer op korte termijn weer volledig geschikt zou zijn voor zijn eigen werk en er op langere termijn in ieder geval twijfel bestond of dit haalbaar zou zijn. Door verweerder is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 3.
  24. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat een deugdelijke grond voor het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen ontbreekt. Eiseres heeft wel gesteld dat voor de werknemer geen passende functie kon worden gecreëerd waarin hij structureel kon hervatten, maar die stelling is nauwelijks onderbouwd. Gelet op de grootte van het bedrijf van eiseres (die in beginsel ook ruimte biedt voor aanpassingen in de organisatie) is die stelling ook niet op voorhand aannemelijk. 3.
  25. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. P.H.A. Knol en M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober
  26. De griffier, De voorzitter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Afschrift verzonden op: DOC:B SB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.