← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6940

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 10/4460 WWB de voorzieningenrechter op 5 oktober 2010 in de zaak tussen [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, gemachtigde mr. E. van den Boogaard, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigde mr. D. Mulders. Zitting hebben: mr. H.P. Kijlstra, voorzieningenrechter, R.E. Toonen, griffier. Verzoekster is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek toe; - schorst het besluit van 13 september 2010 tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- te betalen aan verzoekster en draagt verweerder op aan verzoekster het griffierecht van € 41,- te vergoeden. Overwegingen Verzoekster ontvangt een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Deze uitkering heeft verweerder met ingang van 30 augustus 2010 ingetrokken omdat zij niet de medewerking heeft verleend die nodig is voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB). Verweerder baseert zich daarbij op de rapportage van 2 september 2010 waarin staat dat verzoekster tijdens een huisbezoek heeft geweigerd een kledingkast te openen. De inhoud van die kast vonden de handhavingmedewerkers van verweerder van belang om te kunnen beoordelen of de heer [naam 1], de vader van twee van de kinderen van verzoekster, woonachtig is op hetzelfde adres. Verzoekster heeft bezwaar aangetekend tegen de intrekking. Partijen zijn het er over eens dat er geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek. Partijen zijn het er ook over eens dat de handhavingmedewerkers verzoekster voor het binnentreden van de woning er op hebben gewezen dat weigeren van het huisbezoek geen gevolgen heeft voor haar uitkering. Verzoekster heeft daarna toestemming gegeven voor het huisbezoek. Er is, aldus partijen, dan ook sprake van een in beginsel rechtmatig huisbezoek op basis van “informed consent”. Tijdens het huisbezoek hebben de handhavingsmedewerkers aan verzoekster gevraagd of zij de kledingkast wilde openen. Verzoekster heeft daar geen toestemming voor gegeven. In de rapportage staat dat verzoekster ook nadat de handhavingsmedewerkers haar op de mogelijke gevolgen van haar weigering voor haar bijstandsuitkering hadden gewezen, bleef weigeren de kast te openen. Verweerder heeft ter zitting het standpunt van verzoeker onderschreven dat in een situatie als deze opnieuw een “informed consent” nodig is. De handhavingmedewerkers moeten, aldus verweerder, verzoekster dan ook wijzen op de mogelijke gevolgen van een weigering de kast te openen. Verzoekster betwist echter dat verweerder haar op de mogelijke gevolgen van de weigering heeft gewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de rapportage voldoende blijkt dat verzoekster daarop is gewezen. Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het aan verweerder om te bewijzen dat er sprake is van “informed consent” voorafgaand aan het afleggen van een huisbezoek. Naar voorlopig oordeel van de rechter rust, gelet op deze jurisprudentie, de bewijslast ten aanzien van “informed consent” tijdens het afleggen van een huisbezoek ook op verweerder. De rechter stelt vast dat verweerder niet volstaat met een verwijzing naar de rapportage van beëdigde handhavingmedewerkers om aan de bewijslast ten aanzien van het “informed consent” voorafgaand aan het afleggen van een huisbezoek te voldoen. Verweerder hanteert daarvoor een formulier daarvoor dat de betrokkene dient te ondertekenen. De rechter betwijfelt, gelet op deze werkwijze van verweerder en gelet op de standpunten van verweerder zoals hierboven omschreven, of verweerder kan volstaan met een verwijzing naar de rapportage om te voldoen aan de bewijslast ten aanzien van het “informed consent”, in dit geval de “informed refusal”, tijdens het afleggen van het huisbezoek. De rechter stelt verder vast dat op het door verzoekster ondertekende formulier “toestemming huisbezoek” niet staat genoteerd dat haar nogmaals om toestemming is gevraagd noch dat zij op de mogelijke gevolgen van de weigering is gewezen. Ook in het handgeschreven verslag van 30 augustus 2010 dat door verzoekster is ondertekend, staat geen notitie over een mededeling aan verzoekster over de gevolgen van haar weigering. De rechter is van oordeel dat verweerder zich in de bezwaarprocedure moet buigen over het standpunt van verzoekster dat onder de hiervoor omschreven omstandigheden de weigering van verzoekster niet kan leiden tot intrekking van de uitkering. Gelet op het standpunt van verweerder zelf over het “informed consent” tijdens het afleggen van een huisbezoek, de jurisprudentie inzake de bewijslast ten aanzien van het “informed consent” en de twijfel die de rechter hiervoor heeft uitgesproken ziet de rechter aanleiding het verzoek toe te wijzen. de griffier de voorzieningenrechter Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden op: D: B SB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.