RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 09/4978 WW44 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen: [eisers], wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde: mr. F. Frank en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Noord van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigde: mr. Y.A. van Baak. Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], wonende te [woonplaats], vergunninghouder, gemachtigde: mr. H.G. Tienstra. Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder ontheffingen en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee woningen aan de [adres] te [woonplaats]. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, die ter zitting tevens eiseres heeft vertegenwoordigd. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Inleiding 1.
- Vergunninghouder heeft op 12 december 2008 een aanvraag voor een bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van twee woningen aan de [adres] (hierna: het bouwplan). 1.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten behoeve van het bouwplan op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) binnenplanse ontheffing (voor uitbouwen) en ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro (voor koekoeken) van het vigerende bestemmingsplan "Beschermd Dorpsgezicht Durgerdam” (hierna: het bestemmingsplan) en bouwvergunning verleend. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de uniforme openbare voorbereidingsprocedure). In het kader van die procedure hebben eisers hun zienswijze gegeven op het voornemen om ten behoeve van het bouwplan ontheffingen en bouwvergunning te verlenen.
- Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid 2.
- Eisers hebben zich op het stadpunt gesteld dat verweerder de aanvraag van vergunninghouder niet in behandeling had mogen nemen, omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Eisers hebben hiertoe aangevoerd dat er civielrechtelijke redenen zijn die met zich brengen dat vergunninghouder nimmer gebruik van de vergunning zal kunnen maken. 2.
- De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 oktober 2009 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BK1371), dat voor de vraag of vergunninghouder als belanghebbende is aan te merken, bepalend is of zich de situatie voordoet dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier niet voor. De omstandigheid dat de iep, die op eisers perceel staat, mogelijk door het realiseren van het bouwplan schade op zal lopen of zelfs verloren zal gaan en de omstandigheid dat eisers mogelijk hinder van de te bouwen woningen zullen ondervinden dan wel dat na realisering van het bouwplan mogelijk sprake zal zijn van onrechtmatig handelen jegens hen, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat het bouwplan (hierdoor) nimmer door vergunninghouder kan worden verwezenlijkt. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat vergunninghouder belanghebbende is bij de aanvraag om bouwvergunning en heeft de aanvraag ook terecht in behandeling genomen. Indieningsvereisten 2.
- Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat de aanvraag van vergunninghouder niet voldeed aan de indieningsvereisten. Op grond van bijlage 2.2 van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab), welke op 1 oktober 2010 is komen te vervallen, moeten alle tekeningen voorzien zijn van een duidelijke maatvoering. Daargelaten of de bouwtekeningen aan deze eisen voldeden, volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan vereisten, gesteld bij het Biab, niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2007 (LJN BB1774). Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, ziet de rechtbank in het in beroep aangevoerde onvoldoende grond. Schoorstenen 2.
- Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd of het bouwplan, waar het de schoorstenen betreft, wel in overeenstemming is met de planvoorschriften. 2.
- Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het bouwplan aanvankelijk in strijd was met de planvoorschriften. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat uit de planvoorschriften volgt dat de bouwhoogte, inclusief ondergeschikte bouwdelen als schoorstenen, maximaal 8 meter vanaf dijkniveau mag bedragen en dat op grond van artikel 36 van de planvoorschriften, overschrijding van deze maatvoering voor schoorstenen mogelijk is met 0,2 m. De in het bouwplan opgenomen schoorstenen en de vlaggenstok waren evenwel hoger dan 8,2 meter. 2.
- Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, nu vergunninghouder naar aanleiding van die constatering het bouwplan heeft aangepast door de schoorstenen en de vlaggenstok aan de voorzijde met 0,8 m te verlagen, de overschrijding van de maatvoering is opgeheven. Het bouwplan is op dit punt dan ook niet (langer) in strijd met de planvoorschriften te achten. Door verweerder is terecht gesteld en door eisers is ook niet weersproken dat deze wijziging van het bouwplan, een wijziging van ondergeschikte aard betreft, nu de wijziging zowel in bouwtechnisch als stedenbouwkundig opzicht beperkt is en het bouwvolume als gevolg van de wijziging niet verandert. Lift 2.
- Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de lift, die tussen de twee op te richten woningen zal worden gebouwd, in strijd is met artikel 3 van de planvoorschriften en dat verweerder hiervoor geen ontheffing heeft verleend. 2.
- De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben onderbouwd waarom de lift in strijd met artikel 3 van de planvoorschriften moet worden geacht. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gemotiveerd aangegeven waarom van strijd met artikel 3 van het bestemmingsplan geen sprake is. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat de lift ten behoeve van de woonfunctie is en zodoende past in de bestemming/functie voor Waterstaatsdoeleinden en woningen en ook voor wat betreft de bouwbepalingen als goot- en nokhoogte past in artikel 3 van de planvoorschriften, zodat geen ontheffing behoefde te worden verleend. Eisers hebben dit standpunt van verweerder niet weersproken en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om dit standpunt voor onjuist te houden. Aanhoudingsplicht 2.
- Eisers hebben zich daarnaast nog op het standpunt gesteld dat, nu er een ontwerpbestemmingsplan in voorbereiding was, waarin de huidige bebouwingsmogelijkheden niet zijn opgenomen, verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanhoudingsplicht, die er ook volgens verweerder is, mocht worden doorbroken. 2.
- De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn verweerschrift gemotiveerd heeft toegelicht dat er in dit geval geen aanhoudingsplicht gold en dat hij er bij het bestreden besluit abusievelijk vanuit is gegaan dat dit wel het geval was. Nu het standpunt van verweerder dat er geen aanhoudingsplicht was de rechtbank niet onjuist voorkomt en eisers dit standpunt ook niet hebben weersproken, ziet de rechtbank ook hier geen aanleiding om het standpunt van verweerder voor onjuist te houden. 2.
- De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de ontheffingen te verlenen, heeft kunnen komen. Koekoeken 2.
- Eisers hebben ter zitting verklaard dat zij de beroepsgrond ten aanzien van de verleende ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro voor het aanbrengen van de koekoeken, intrekken, zodat de rechtbank deze beroepsgrond niet zal bespreken. Uitbouwen 2.
- Een deel van de uitbouwen wordt gerealiseerd buiten het bouwvlak, dat op de plankaart is aangeduid met ´A´. De bestemming buiten het bouwvlak A is ´Waterstaatsdoeleinden en tuinen´. Op gronden met deze bestemming mogen, op grond van artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften, ten dienste van de bestemming, met kappen afgedekte gebouwen bevattende garages en bergingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in stand worden gehouden en opgericht worden. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met dit artikel, omdat het in dit geval gaat om aanbouwen en niet om `met kappen afgedekte gebouwen bevattende garages en bergingen`, die het bouwvlak A overschrijden. 2.
- Ingevolge artikel 17, zesde lid, aanhef en onder A, sub 1, van de planvoorschriften is verweerder, indien het terreingedeelte met bestemming A (..) kleiner is dan 80 m2, bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede lid voor het, aan de van de weg afgekeerde zijde, vergroten van het op een erf aanwezig hoofdgebouw met dien verstande dat: a. noch het bebouwd oppervlak, noch het totale vloeroppervlak wordt vergroot met meer dan 30% van de oppervlakte van het terreingedeelte met bestemming A (..); b. het aaneengesloten bebouwde oppervlak ten hoogste 80 m2 mag bedragen; (..) In geschil is of het bouwplan voldoet aan de voorwaarden die aan binnenplanse vrijstelling zijn gesteld. 2.
- In dit verband is allereerst in geschil of het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder A, sub 1, onder a, van de planvoorschriften. 2.15.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide terreingedeelten met de bestemming A, indien tezamen op de kaart gemeten, 11,5 mm (diep) bij (2 x 6 mm =) 12 mm (breed) zijn. Het gebouw dat mag worden neergezet in overeenstemming met het bestemmingsplan mag, op grond van artikel 2 van de planvoorschriften, een halve meter groter zijn dan in mm op de kaart gemeten. Indien de terreingedeelten A tezamen worden gemeten, kennen deze een oppervlakte van 11,5 mm bij 12,0 mm. In werkelijkheid dient aldus van een totale oppervlakte van (12 m bij 12,5 m = ) 150 m2 te worden uitgegaan, waarvan 30% een oppervlakte van 45 m2 betreft. Nu het bebouwd oppervlak van de beide uitbouwen - na aanpassing van het bouwplan op ondergeschikte punten - (2 x 5,10 m x 2,04 m =) 20,80 m2 bedraagt en deze in twee lagen worden gebouwd, is het totale vloeroppervlak (2 x 20,80 m =) 41,6 m2, hetgeen binnen het toegestane percentage van 30 % past, aldus verweerder. 2.15.
- Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte bij het meten van het terreingedeelte A op de plankaart, de dieptelijn waarmee de terreingedeelten op de kaart zijn afgebakend, heeft mee gemeten. Zij zijn van mening dat de terreingedeelten A, indien gemeten op de kaart, een afmeting van 11 mm bij 12 mm kennen en dat, gelet op artikel 2 van de planvoorschriften, in werkelijkheid dus van een totale oppervlakte van (11,5 m bij 12,5 m = ) 143,75 m2 dient te worden uitgegaan, waarvan 30% een oppervlakte van 43,13 m2 betreft. Indien van een diepte van 11,5 mm van de terreingedeelten A wordt uitgegaan, overschrijden niet alleen de uitbouwen, maar ook de hoofdgebouwen, die 11,80 m diep zijn, de terreingedeelten A. Bij de overschrijding van 41,6 m2 die verweerder heeft berekend, dient aldus nog (0,3 m diepte x 5,75 m breedte x 2 woningen x 2 bouwlagen =) 6,9 m2 te worden opgeteld. De uitbreiding komt dan neer op 48,5 m2, hetgeen meer dan 30% is, aldus eisers. 2.15.
- De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat uit artikel 2 van de planvoorschriften volgt dat bij de afmetingen, zoals gemeten vanaf de kaart, indien omgezet naar een werkelijke afstand in meters, een halve meter dient te worden opgeteld. In geschil is slechts of verweerder de lijn, waarmee de diepte van de terreingedeelten A op de plankaart is aangegeven, tot de terreingedeelten A behoort dan wel bij het meten buiten beschouwing had dienen te worden gelaten. De rechtbank stelt vast dat eisers hun standpunt dat de lijn niet tot de terreingedeelten A behoort en verweerder aldus van onjuiste afmetingen is uitgegaan, niet hebben onderbouwd. Zij hebben immers slechts gesteld dat verweerder ten onrechte de lijn van 0,5 mm bij de metingen heeft betrokken, maar hebben niet aangegeven uit welke bepalingen van de planvoorschriften zou volgen dat het op deze wijze meten in strijd is met de planvoorschriften. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om het uitgangspunt van verweerder voor onjuist te houden dat ook de lijn van 0,5 mm, waarmee de terreingedeelten A zijn afgebakend op de plankaart, moet worden meegenomen bij de vaststelling van de oppervlakte van die terreingedeelten. 2.15.
- Nu eisers niet hebben gesteld dat verweerders berekening van de oppervlakte van de uitbreiding, indien gebaseerd op het uitgangspunt dat de terreingedeelten A een gezamenlijke oppervlakte van (12 m x 12,5 m) 150 m2 kennen, niet voor juist kan worden gehouden, kan verweerder in zijn standpunt worden gevolgd dat het totale vloeroppervlak door de uitbouwen niet wordt vergroot met meer dan 30% van de oppervlakte van de terreingedeelten A. De beroepsgrond van eisers dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder A, sub 1 onder a, van de planvoorschriften geen binnenplanse ontheffing voor de uitbouwen had kunnen verlenen, slaagt dan ook niet. 2.
- Aangezien de lift binnen het geheel van de twee aaneengesloten terreingedeelten A zal worden gebouwd, kunnen eisers evenmin in hun stelling worden gevolgd dat de terreingedeelten door deze lift (in de breedte) worden overschreden. 2.
- Eisers hebben voorts gesteld dat verweerder voor de uitbouwen geen ontheffing kon verlenen, omdat er op het erf nog helemaal geen hoofdgebouw aanwezig is en artikel 17, zesde lid, van de planvoorschriften slechts een vrijstellingsmogelijkheid biedt voor het vergroten van het op het erf aanwezige hoofdgebouw. Nu verweerder in zijn verweerschrift gemotiveerd heeft toegelicht dat met ‘aanwezig’ niet ‘feitelijk aanwezig’ wordt bedoeld en eisers dit standpunt onweersproken hebben gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit standpunt van verweerder voor onjuist te houden. 2.
- In geschil is voorts of het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder A, sub 1, onder b, van de planvoorschriften. 2.18.
- Eisers hebben in dit verband gesteld dat voor de uitbouwen geen binnenplanse ontheffing kon worden verleend, omdat de beide woningen aan elkaar worden geschakeld door een lift, waardoor sprake zal zijn van één aaneengesloten bouwoppervlak dat meer dan 80 m2 bedraagt. 2.18.
- Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat het bouwplan op dit punt niet in strijd is met de planvoorschriften. Uit voornoemd artikel volgt immers dat het aaneengesloten bebouwde oppervlak ten hoogste 80 m2 mag bedragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat deze begrenzing per terreingedeelte geldt. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan na revisie is verkleind, hetgeen - zoals verweerder onweersproken heeft gesteld - een wijziging op ondergeschikte punten inhoudt. Aangezien het bouwplan na de revisie een oppervlakte van in totaal minder dan 160 m2 kent en de oppervlakte aan aangesloten bebouwing, omdat de beide woningen qua afmetingen gelijk zijn, aldus per terreingedeelte minder dan 80 m2 zal zijn, is het bouwplan niet in strijd met het genoemde planvoorschrift. Dat de lift de twee bebouwingsoppervlakten met elkaar verbindt, maakt dit niet anders. 2.
- In geschil is verder of verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder C, van de planvoorschriften, ontheffing voor de uitbouwen heeft mogen verlenen. In dit artikellid is bepaald dat de hiervoor besproken ontheffing slechts mag worden verleend indien geen afbreuk wordt of zal worden gedaan aan de waarde van het beschermd dorpsgezicht. Eisers stellen dat sprake is van afbreuk aan deze waarde. 2.19.
- De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder, gelet op de inhoud van de ter zake afgegeven adviezen van de welstandscommissie en het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (de Rijksdienst), waaruit volgt dat met het bouwplan geen afbreuk wordt gedaan aan de waarde van het beschermd dorpsgezicht, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op dit punt geen strijd is met de planvoorschriften. Waarom verweerder zich op deze adviezen heeft kunnen baseren, zal in het navolgende nog aan de orde worden gesteld. 2.
- Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was om binnenplanse ontheffing voor de uitbouwen te verlenen. Belangenafweging 2.
- Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder, gelet op de (civielrechtelijke) belangen die eisers hebben, niet tot het verlenen van ontheffing voor de uitbouwen heeft mogen overgaan. Zij stellen dat verweerder de door hen gestelde belangen onvoldoende heeft mee laten wegen bij zijn besluit om ontheffing te verlenen. 2.21.
- De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan bij het verlenen van een ontheffing alle relevante belangen in kaart dient te brengen, de in geding zijnde civielrechtelijke belangen daaronder begrepen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt evenwel dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat slechts aanleiding is wanneer een dergelijke belemmering evident is, aangezien de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2010, te vinden op rechtspraak.nl onder LJN: BL7028, en van 28 april 2010, LJN BM2614). 2.21.
- Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter als hiervoor bedoeld zich in dit geval voordoet. De beantwoording van de vraag, of na realisering van het bouwplan onredelijke hinder in de zin van artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) optreedt in de vorm van het onthouden van licht, of ongeoorloofd zicht als bedoeld in artikel 50 van Boek 5 van het BW, of een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 162 van Boek 6 van het BW jegens eisers zal worden begaan, is niet evident en de burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om die vraag te beantwoorden. Ook de beantwoording van de vraag of de iep op het perceel van eisers na realisering van het bouwplan schade zal lijden en of vergunninghouder aldus in strijd met artikelen uit het BW zal handelen, is niet evident te achten. De rechtbank wijst in dit verband nog op het door eisers overgelegde advies van Groenadvies Amsterdam B.V. van 11 augustus 2009, waaruit blijkt dat, indien er bepaalde voorzorgsmaatregelen worden getroffen, het niet zo hoeft te zijn dat de boom daadwerkelijk schade zal lijden of zelfs verloren zal gaan. Ook hier geldt dat de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om hierover te oordelen. Verweerder heeft in de door eisers genoemde civielrechtelijke argumenten dan ook geen aanleiding behoeven te zien om het verlenen van ontheffing voor de uitbouwen te weigeren. 2.21.
- Ten aanzien van de vermindering van lichtinval, bezonning, uitzicht en privacy door het bouwplan overweegt de rechtbank voorts nog het volgende. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen vermindering van lichtinval, bezonning, uitzicht en privacy als gevolg van het bouwwerk dat binnen de maatvoering van het bestemmingsplan zonder ontheffing vergund had kunnen (moeten) worden en de effecten die het gevolg zijn van het met een ontheffing vergunde. Alleen een onevenredige toename van de extra vermindering van lichtinval, bezonning, uitzicht en privacy als gevolg van de ontheffing zou deze niet redelijk kunnen maken. De bouwhoogte van het bouwplan is (thans) in overeenstemming met het bestemmingsplan en maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen onderdeel uit van de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat de bezonningstudie van 2 juni 2009, die eisers in het geding hebben gebracht, ziet op de op te richten woningen als geheel en niet op de schaduwwerking als gevolg van de ontheffing die is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk (gemaakt) dat de effecten op het gebied van lichtinval, bezonning, uitzicht en privacy, als gevolg van de ontheffing voor de uitbouwen, van dien aard zijn dat verweerder de ontheffing niet in redelijkheid had kunnen verlenen. Welstand 2.
- De rechtbank stelt vast dat de welstandscommissie op 14 januari 2009 een gemotiveerd advies heeft uitgebracht. Na wijziging van het bouwplan op ondergeschikte punten door vergunninghouder heeft de welstandscommissie op 25 februari 2009 opnieuw een (ditmaal ongemotiveerd) advies uitgebracht. Nu aan het welstandsadvies van 25 februari 2009, anders dan eisers aannamen, een gemotiveerd welstandsadvies vooraf is gegaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers in hun stelling te volgen dat slechts sprake is van een stempeladvies dat dermate gebrekkig is dat verweerder op basis daarvan geen bouwvergunning heeft kunnen verlenen. Ten aanzien van de door eisers ter zitting ingenomen stelling dat ook het gemotiveerde welstandsadvies ontoereikend is, overweegt de rechtbank dat verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, LJN BI2952). De rechtbank is niet gebleken dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Eisers hebben geen tegenadvies van een deskundige overgelegd en hebben niet gemotiveerd aangegeven waarom het welstandsadvies volgens hen in strijd is met de daarvoor geldende criteria. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op de adviezen van de welstandscommissie en het advies van de Rijksdienst, waarin wordt geconcludeerd dat met het bouwplan geen afbreuk wordt gedaan aan de waarde van het beschermd dorpsgezicht, heeft mogen baseren. Monumentenvergunning 2.
- Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat eisers evenmin in hun stelling kunnen worden gevolgd dat voor het bouwplan een monumentenvergunning is vereist. Uit de enkele omstandigheid dat de woningen in de nabijheid van de monumentale woning van eisers zullen worden gebouwd, volgt niet dat voor het bouwplan ook een monumentenvergunning is vereist. Dat de monumentale woning van eisers door de realisering van het bouwplan dusdanig zal worden verstoord dat wel een monumentenvergunning is vereist, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat aan de binnenzijde van hun monumentale woning de lichtinval en het uitzicht door het bouwplan teniet zal worden gedaan, zoals eisers hebben gesteld, acht de rechtbank onvoldoende om van een verstoring in vorenbedoelde zin uit te gaan. Van andere verstoringen, als hiervoor bedoeld, is de rechtbank niet gebleken. Verklaring van geen bezwaar van het Hoogheemraadschap 2.
- Ingevolge artikel 3, derde lid, van het bestemmingsplan volgt dat een bouwvergunning alleen verleend mag worden indien het Hoogheemraadschap heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting uitdrukkelijk gesteld dat het Hoogheemraadschap heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bouwplan. Verweerder heeft er in dit verband nog op gewezen dat het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden bij besluit van 19 augustus 2010 aan vergunninghouder ook een watervergunning voor het bouwplan hebben verleend. De rechtbank overweegt dat het tot de verantwoordelijkheid van verweerder, als vergunning verlenende instantie, behoort om te controleren of het Hoogheemraadschap de vereiste verklaring heeft afgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er, nu verweerder uitdrukkelijk heeft gesteld dat het Hoogheemraadschap de verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven en eisers hier slechts tegenover hebben gesteld dat zij dit niet hebben kunnen controleren, onvoldoende objectieve grond om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat de vereiste verklaring is afgegeven. 2.
- Uit het voorgaande volgt dat al hetgeen namens eisers is aangevoerd, niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Het bestreden besluit houdt in rechte stand. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. van Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december
- de griffier de rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B SB O