vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 460054 / HA ZA 10-1709 Vonnis van 27 april 2011 in de zaak van 1. [A], 2. [B], beiden wonende te --, eisers in conventie, verweer
§ 14
lid 10 UAV heeft [C & D] recht op betaling, berekend op de wijze in § 14 lid 10 UAV vermeld. [A] c.s. is dientengevolge aan [C & D] EUR 67.261,18 verschuldigd. Daarnaast maakt [C & D] aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten, conform rapport Voorwerk II, van EUR 2.500,-- en de wettelijke handelsrente. 3.
- [A] c.s. voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling in conventie en in reconventie 4.
- Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie, bestaat aanleiding de vorderingen gezamenlijk te behandelen. 4.
- [C & D] heeft het werk beëindigd met haar brief van 21 augustus
- Vast staat dat het werk vanaf 6 april 2009 tot aan deze brief meer dan twee maanden ononderbroken vertraagd is geweest. Uit hetgeen [C & D] naar voren heeft gebracht blijkt dat het de vertraging in deze periode is waarop zij haar beëindiging van het werk in onvoltooide staat baseert. Dit brengt met zich dat hetgeen zich voorafgaand aan deze periode heeft afgespeeld en hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht in beginsel, voor zover hierna niet anders vermeld, buiten beschouwing kan blijven. 4.
- Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen (§ 14 lid 8 UAV). [A] c.s. stelt zich op het standpunt dat zij dit niet kon doen, omdat de oorzaak van de vertraging voor rekening van [C & D] komt. [A] c.s. heeft in dit verband gesteld dat [C & D] geen serieuze pogingen heeft ondernomen om het werk op korte termijn te hervatten en dat zij heeft aangestuurd op de beëindiging. [A] c.s. kan niet in deze opvatting worden gevolgd. Het volgende wordt hiervoor van belang geoordeeld: 4.3.
- Tussen partijen staat vast dat de UAV op de tussen hen geldende overeenkomst van toepassing is.
§ 14
lid 8 UAV is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen, indien – door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden – de uitvoering van het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd. Dit laatste is het geval. [C & D] heeft [A] c.s. meerdere malen om aanvullende informatie en werktekeningen verzocht en gewezen op het belang van deze informatie (zie hiervoor onder 2.5, 2.9, 2.10, 2.13, 2.15 en 2.17). [C & D] heeft ter comparitie toegelicht dat het hierbij ging om informatie betreffende bouwkundige werkzaamheden. Weliswaar beschikte zij over de bestektekeningen, maar niet over tekeningen op detailniveau, aldus [C & D]. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt niet dat [A] c.s. [C & D] tijdig in het bezit heeft gesteld van deze informatie en tekeningen, als gevolg waarvan [C & D] haar werkzaamheden niet kon verrichten. [A] c.s. heeft weliswaar hiertegenover gesteld dat [C & D] in het pand ook werkzaamheden kon verrichten waarvoor zij niet over tekeningen behoefde te beschikken, maar heeft niet onderbouwd welke werkzaamheden dit volgens hem betreft. Anders dan [A] c.s. betoogt wordt uit de door [C & D] gezonden brieven en e-mails (voor zover van belang hiervoor onder de feiten opgenomen) afdoende duidelijk over welke stukken zij nog niet beschikte. Daarnaast heeft te gelden dat, voor zover voor [A] c.s. onduidelijk was over welke stukken [C & D] nog wilde beschikken, hij deze vraag aan [C & D] kon stellen. Dit heeft hij niet gedaan. 4.3.
- [C & D] heeft onbetwist aangevoerd dat zij [A] c.s. in maart 2009 op de hoogte heeft gesteld van de slechte bouwkundige staat van het pand. Dit is een omstandigheid die voor rekening van [A] c.s., als opdrachtgever, komt. [A] c.s. heeft vervolgens ervoor gekozen derden werkzaamheden uit te laten voeren om de situatie te herstellen. Die herstelwerkzaamheden zijn in juni 2009 aangevangen en rond 24 augustus 2009 afgerond. Van [C & D] behoefde niet te worden verwacht dat zij, gelet op de instabiliteit van het pand en het gevaar dat dit met zich brengt, haar werknemers liet doorwerken terwijl de herstelwerkzaamheden door de derde aan het pand plaatsvonden. 4.
- Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat [C & D] geen serieuze pogingen heeft ondernomen om het werk op korte termijn te hervatten en dat zij heeft aangestuurd op de beëindiging van het werk. De vertraging is het gevolg geweest van voor rekening van [A] c.s. komende omstandigheden. [C & D] kon derhalve, overeenkomstig § 14 lid 8 UAV het werk in onvoltooide staat beëindigen. De door [C & D] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Wijze van afrekenen 4.
- Nu [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen dienen partijen met elkaar af te rekenen overeenkomstig § 14 lid 10 UAV (hierna: eindafrekening).
§ 14
lid 10 UAV moet de eindafrekening worden vastgesteld aan de hand van de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die [C & D] als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de door [C & D] door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van [C & D] en [A] c.s. op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet. [C & D] heeft een berekening in het geding gebracht (conclusie van antwoord in conventie / eis in reconventie, productie 40). [A] c.s. heeft diverse posten van deze berekening betwist, die hierna zullen worden behandeld. Bij de behandeling van de posten zal zoveel mogelijk de volgorde van de door [C & D] in het geding gebrachte berekening worden gevolgd. Bespaarde kosten 4.
- Naar de rechtbank uit de door [C & D] in het geding gebrachte eindafrekening begrijpt, neemt [C & D] als uitgangspunt de aanneemsom van EUR 520.000,--. Uit haar berekening volgt dat [C & D] de door haar bespaarde kosten vaststelt op EUR 352.607,75 (EUR 520.000,-- -/- EUR 167.392,25). 4.
- [A] c.s. heeft bij conclusie van antwoord in reconventie medegedeeld zijn betwisting van de volgende posten niet langer te handhaven: bouwplaats-voorzieningen, stut- en sloopwerk, ruwbouwtimmerwerk, kozijnen ramen en deuren, paragraaf 30.41 van de begroting, trappen en balustraden, dakbedekkingen. Deze posten behoeven daarom geen behandeling en kunnen onverkort bij de eindafrekening worden betrokken. 4.
- [A] c.s. heeft voor het overige verweer gevoerd tegen de volgende posten: 4.8.
- Bouwplaatskosten: Volgens [A] c.s. heeft [C & D] ten onrechte een aantal niet uitgevoerde onderdelen van het werk niet als besparing in haar eindafrekening vermeld. Verder heeft [C & D] volgens [A] c.s. maar acht weken gewerkt, zodat zij meer kosten heeft bespaard dan door [C & D] in haar eindafrekening is vermeld. Daarnaast heeft [C & D] gedurende de tijd van de vertraging al haar mensen en materiaal van het werk gehaald. Als gevolg hiervan zou zij vrijwel geen bouwplaatskosten hebben gemaakt, aldus [A]. Een en ander leidt volgens [A] c.s. ertoe dat EUR 28.403,48 aan besparingen in mindering dient te worden gebracht en niet EUR 8.461,13, zoals door [C & D] berekend. 4.8.
- [C & D] heeft niet betwist dat zij een aantal posten niet in haar berekening heeft opgenomen. Daarmee moet van de juistheid van de stelling van [A] c.s. op dit punt worden uitgegaan. De door [C & D] berekende kosten zien op elektrakabels en lampen, het opruimen van het bouwwerk/bouwterrein, parkeergeld, een projectleider, een uitvoerder/ werkbegeleider en een bouwplaatsmedewerker. Volgens [C & D] gaat het hierbij om de vaste lasten op de bouwplaats. De kosten dienen volgens haar over de gehele looptijd van het project te worden berekend. Met uitzondering van de post elektrakabels en lampen, kan echter niet worden aangenomen dat sprake is geweest van vaste lasten. De aan de door [C & D] vermelde posten verbonden kosten zullen zich slechts voordoen, indien daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht. Het verweer van [A] c.s. slaagt daarmee in zoverre, dat met betrekking tot de posten opruimen van het bouwwerk/bouwterrein, parkeergeld, projectleider, uitvoerder/werkbegeleider, bouwplaatsmedewerker moet worden uitgegaan van 14/22e deel van de begrote kosten, volgens de berekening van [A] c.s. (dagvaarding, productie 23) totaal EUR 19.679,
- Met betrekking tot de post electrakabels en lampen zal [C & D] worden gevolgd en worden uitgegaan van EUR 27,
- Met betrekking tot de door [C & D] niet in haar eindafrekening opgenomen posten zal, conform de op dit punt onbetwiste berekening van [A] c.s., worden uitgegaan van totaal EUR 8.660,
- Gelet op het vorenstaande dient het door [C & D] berekende bedrag ter zake van bouwplaatskosten te worden vermeerderd tot EUR 28.367,
- 4.8.
- Inkoopkorting (EUR 16.497,--): [A] c.s. heeft gesteld dat [C & D] ten onrechte de bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte korting in haar berekening heeft opgenomen. [A] c.s. kan hierin niet worden gevolgd. De verstrekte inkoopkorting moet worden beschouwd als een, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorziene, besparing. Nu – naar de rechtbank begrijpt – [C & D] door de beëindiging van het werk deze besparing niet heeft kunnen realiseren, behoeft niet van haar te worden verwacht dat zij deze desalniettemin aan [A] c.s. laat toekomen. Het bedrag van EUR 16.497,-- zal daarom onverminderd bij de eindafrekening worden betrokken. 4.
- De post “totaal gemaakte kosten installatiewerk [H]” (EUR 16.398,98) zal worden behandeld bij de kosten als gevolg van het niet voltooien van het werk. 4.
- [C & D] heeft ter zake van bespaarde kosten EUR 352.607,75 berekend. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.8.1 tot en met 4.9 is overwogen zal ter zake van bespaarde kosten bij de eindafrekening worden uitgegaan van EUR 388.912,
- Meerwerk 4.10.
- Meerwerkpost 3 uitloop bouwtijd (EUR 10.364,51): Deze post ziet op kosten in de periode 9 december 2008 tot 28 januari
- [A] c.s. erkent dat gedurende deze periode vertraging is opgetreden. Hij is echter van mening dat hij niet EUR 10.364,51 zoals door [C & D] is berekend, maar EUR 5.000,-- als redelijke vergoeding verschuldigd is. Hij heeft in dit verband gesteld dat de werknemers van [C & D] na de asbestconstatering van het werk zijn gehaald en vervolgens bij andere werkzaamheden konden worden ingezet. [C & D] heeft vervolgens niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden haar werknemers tijdens de vertraging hebben verricht, die het door haar berekende bedrag rechtvaardigen. Nu [A] c.s. erkent EUR 5.000,-- verschuldigd te zijn, zal dit bedrag bij de eindafrekening worden betrokken als verschuldigd door [A] c.s. 4.10.
- Meerwerkpost 13 verankeringen (EUR 1.524,60): [A] c.s. heeft betwist dat [C & D] aan 36 extra ankers werkzaamheden heeft verricht. [C & D] heeft hiertegenover geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat zij het door haar berekende meerwerk heeft uitgevoerd. Deze post kan derhalve niet worden betrokken bij de eindafrekening. 4.10.
- Meerwerkpost 15 uitloop bouwtijd (EUR 10.748,72): Volgens [A] c.s. zouden deze kosten niet zijn ontstaan, indien het ten behoeve van [C & D] uitgevoerde asbestonderzoek van december 2008 op juiste wijze – de rechtbank begrijpt dit als uitgebreider – was uitgevoerd. Daarnaast had [C & D] na de asbestsanering in maart 2009 direct haar werk kunnen hervatten, maar heeft zij dit niet gedaan, aldus [A] c.s. [C & D] claimt volgens [A] c.s. als gevolg hiervan acht dagen teveel vertraging. Het verweer dat de vertragingsschade (deels) zou zijn voorkomen als het in december 2008 uitgevoerde asbestonderzoek uitgebreider was verricht, faalt. [C & D] heeft aangevoerd dat in overleg met de bouwdirectie in eerste instantie een beperkt onderzoek (type A-inventarisatie) is uitgevoerd. Zij heeft in dit verband gewezen op haar productie 28 (zie hiervoor onder 2.7). Uit deze productie blijkt dat [C & D] [E] per e-mail heeft medegedeeld op welke wijze het asbestonderzoek is verricht en dat bij een uitgebreider onderzoek destructief onderzoek moest worden verricht (type B-inventarisatie). [E] heeft hierop medegedeeld dat naar zijn mening nader onderzoek niet nodig was. Deze mededeling moet, gelet op de omstandigheid dat [E] door [A] c.s. als directievoerder is aangesteld, voor rekening van [A] c.s. komen. Dat in december 2008 geen uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden kan [A] c.s. dan ook niet aan [C & D] tegenwerpen. De stelling dat [C & D] acht dagen te veel vertragingsvergoeding heeft berekend baat [A] c.s. niet. Hij heeft weliswaar gesteld dat [C & D] ook zonder tekeningen alvast werkzaamheden kon uitvoeren, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden dit waren. Het vorenstaande brengt met zich dat EUR 10.748,72 bij de eindafrekening zal worden betrokken. 4.10.
- Meerwerkpost 19 extra steigerhuur (EUR 11.495,--): Volgens [A] c.s. is hij minder verschuldigd dan hetgeen [C & D] heeft berekend. Hij heeft hiertoe gesteld dat hem is gebleken dat de huurprijs niet EUR 550,-- per week (zoals door [C & D] was aangeboden), maar EUR 158,-- per week bedroeg. [A] c.s. gaat hiermee ten onrechte eraan voorbij dat – zoals hij erkent – [C & D] hem heeft gevraagd of hij de steiger wilde handhaven en dat [C & D] heeft medegedeeld dat het handhaven van de steiger EUR 550,-- per week zou kosten. De steiger is hierna blijven staan, waaruit moet worden afgeleid dat [A] c.s. instemde met het handhaven van de steiger en de door [C & D] gemelde kosten. Dat [A] c.s. informatie heeft verkregen dat de steigerhuur EUR 158,-- per week zou kosten, doet aan deze instemming niet af. Bij de eindafrekening zal daarom EUR 11.495,-- worden betrokken. 4.10.
- Meerwerkpost 22 kosten afhandeling claim (EUR 18.837,25): Blijkens de toelichting van [C & D] heeft deze post betrekking op door haar gemaakte kosten voor de plaatsopneming door de Raad van Arbitrage, haar juridische kosten tot en met oktober 2009 en haar kosten voor het vaststellen van de door haar bespaarde kosten. Deze kosten kunnen niet worden aangemerkt als meerwerk, maar zullen worden behandeld onder de posten ter zake van kosten ontstaan door het niet voltooien van het werk. 4.
- [C & D] heeft ter zake van meerwerk berekend EUR 54.596,
- Gelet op hetgeen onder 4.10.1 tot en met 4.10.5 is overwogen dient hierop in mindering te worden gebracht EUR 25.726,
- Bij de eindafrekening zal ter zake van meerwerk daarom worden uitgegaan van EUR 28.870,
- Kosten als gevolg van het niet voltooien van het werk 4.
- Uit hoofde van § 14 lid 10 UAV dienen bij de eindafrekening te worden betrokken de kosten als gevolg van de niet-voltooiing van het werk. Zoals overwogen onder 4.9 en 4.10.5 dienen hier te worden behandeld de kosten van [H] B.V. en de door [C & D] gestelde kosten ter zake van het afhandelen van de claim. 4.12.
- Kosten [H] B.V. (EUR 16.398,98) Volgens [A] c.s. heeft deze post betrekking op een door [H] B.V. geoffreerde uitbreiding van het installatiewerk ad EUR 16.398,
- [A] c.s. is van mening dat [C & D] slechts recht heeft op de verhouding tussen de oude offerte van [H] B.V. en haar nieuwe offerte, derhalve EUR 5.834,
- [A] c.s. kan niet in zijn stelling worden gevolgd. Uit de als productie 44 overgelegde e-mail van 21 september 2009 van [H] B.V. blijkt dat zij aan [C & D] voorbereidingskosten in rekening heeft gebracht, alsmede omzetverlies wegens het niet doorgaan van de opdracht. [C & D] heeft onbetwist gesteld dat zij EUR 16.398,98 aan [H] B.V. heeft voldaan. Daarmee is sprake van kosten die verband houden met de beëindiging van het werk en die voor rekening van [A] c.s. dienen te komen. [A] c.s. heeft verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom [C & D] slechts aanspraak kan maken op een bedrag gelijk aan de verhouding tussen de oude offerte van [H] B.V. en haar nieuwe offerte. De kosten ad EUR 16.398,98 zullen daarom volledig bij de eindafrekening worden betrokken. 4.12.
- Uit de stellingen van [C & D] en de door haar in het geding gebrachte producties blijkt dat het ter zake van de kosten voor het afhandelen van de claim om drie posten gaat: kosten ter zake van de plaatsopneming door de Raad van Arbitrage (EUR 3.090,80), kosten juridische bijstand tot oktober 2009 (totaal EUR 15.268,75) en de kosten ter zake van het vaststellen van de bespaarde kosten (EUR 2.600,--). 4.12.
- [A] c.s. kan niet worden gevolgd in zijn algemene stelling dat voor het vorderen van de hiervoor vermelde bedragen in het geheel geen rechtsgrond bestaat. Deze rechtsgrond moet, voor zover de kosten zijn veroorzaakt door het niet voltooien van het werk, worden gezocht in § 14 lid 10 UAV. 4.12.
- De kosten voor de plaatsopneming (EUR 3.090,80) zullen bij de eindafrekening worden betrokken. [C & D] heeft onbetwist aangevoerd dat zij deze kosten heeft moeten maken, omdat [A] c.s. niet reageerde op het verzoek van [C & D] om de staat van het werk op te nemen. Gelet op deze omstandigheid moeten de kosten van de plaatsopneming worden aangemerkt als veroorzaakt door de beëindiging en dienen zij bij de eindafrekening te worden betrokken. 4.12.
- De kosten ter zake van juridische bijstand zullen niet bij de eindafrekening worden betrokken. Niet gebleken is dat deze kosten het directe gevolg zijn van het niet voltooien van het werk. 4.12.
- De kosten voor het vaststellen van de bespaarde kosten worden aangemerkt als direct veroorzaakt door het niet voltooien van het werk en dienen daarmee voor rekening van [A] c.s. te komen. [A] c.s. kan niet worden gevolgd in zijn argument dat deze werkzaamheden behoren tot de normale werkzaamheden van [C & D]. Naar het oordeel van de rechtbank behoort tot de normale werkzaamheden weliswaar het opstellen van een eindafrekening, maar ziet dit op de situatie dat het werk is opgeleverd. In het onderhavige geval is geen sprake van een situatie waarin oplevering van het werk heeft plaatsgevonden, maar vloeit de noodzaak tot het opstellen van een eindafrekening voort uit het niet voltooien van het werk. In zoverre is derhalve geen sprake van normale werkzaamheden en dienen de daaraan verbonden kosten, gelet op de oorzaak van het niet voltooien van het werk, voor rekening van [A] c.s. te komen. [A] c.s. heeft het gestelde aantal uren
(40)en het gehanteerde uurtarief (EUR 65,--) onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft in dit verband bij dagvaarding slechts opgemerkt dat de kosten niet zijn gespecificeerd. De kosten zullen bij de eindafrekening worden betrokken conform hetgeen [C & D] ter zake heeft berekend, EUR 2.600,--. 4.
- [C & D] heeft ter zake van de voormelde posten kosten van EUR 18.837,25 berekend. Gelet op hetgeen onder 4.12.4 tot en met 4.12.6 is overwogen zal de rechtbank bij de eindafrekening uitgaan van EUR 5.690,
- Daarmee zal bij de kosten als gevolg van de beëindiging worden uitgegaan van EUR 22.089,78 (EUR 16.398,98 + EUR 5.690,80). 4.
- Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de eindafrekening – de opstelling van [C & D] volgend – er als volgt uitziet: Aanneemsom EUR 520.000,-- Bespaarde kosten EUR 388.912,71 -/- --------------------- Aanneemsom minus bespaarde kosten EUR 131.087,29 Betaald door [A] c.s. EUR 200.000,-- -/- --------------------- Totaal verschuldigd door [C & D] exclusief meerwerk EUR 68.912,71 Meerwerk EUR 28.870,62 -/- --------------------- Totaal verschuldigd door [C & D] exclusief kosten a.g.v. niet voltooien werk EUR 40.042,09 Kosten a.g.v. niet voltooien werk EUR 22.089,78 -/- --------------------- Totaal door [C & D] te voldoen EUR 17.952,31 Conclusies in conventie en in reconventie in conventie 4.
- [C & D] zal in conventie worden veroordeeld tot betaling aan [A] c.s. van EUR 17.952,
- De wettelijke rente is, als inhoudelijk onbetwist, eveneens toewijsbaar en wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. 4.
- Gelet op de omstandigheid dat [C & D] gerechtigd was het werk in onvoltooide staat te beëindigen, kan [A] c.s. niet worden gevolgd in zijn stelling dat [C & D] jegens haar schadeplichtig is. Verder geldt dat [C & D] geen vergoeding verschuldigd is wegens overschrijding van de bouwtijd. De kortingsregeling betreft te late oplevering. In het onderhavige geval heeft oplevering echter niet plaatsgevonden. 4.
- De door [A] c.s. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat meer of andere werkzaamheden zijn verricht, dan die waarvoor de artikelen 237-241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te houden. in reconventie 4.
- De vordering in reconventie is in zoverre toewijsbaar, dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven. 4.
- De door [C & D] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn, gelet op de omstandigheid dat [C & D] betaling aan [A] c.s. verschuldigd is, niet toewijsbaar. proceskosten in conventie en in reconventie 4.
- Gelet op de omstandigheid dat partijen over en weer grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, bestaat aanleiding de kosten van zowel de procedure in conventie als in reconventie aldus te compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
- De beslissing De rechtbank in conventie 5.
- veroordeelt [C & D] aan [A] c.s. te betalen EUR 17.952,31 (zeventien duizend negenhonderd tweeënvijftig euro en eenendertig eurocenten), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening; 5.
- compenseert de proceskosten aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen; 5.
- verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde; in reconventie 5.
- verklaart voor recht dat [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen; 5.
- compenseert de proceskosten aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen; 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.?