RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/29 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigde mr. A.C. van Helvoort. Procesverloop Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft verweerder een aan eiser verstrekte geldlening voor de voorziening in bedrijfskapitaal van € 85.708,96 en € 4.259,56 aan rente daarover van eiser teruggevorderd (het primaire besluit). Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (bestreden besluit I). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 4 april 2011 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarbij eisers bezwaren ongegrond zijn verklaard (bestreden besluit II). De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april
- Eiser is verschenen, samen met [partner], zijn partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort. Overwegingen
- Feiten en omstandigheden 1.
- Eiser is couturier en modeontwerper. In april 2005 is hij als zelfstandig ondernemer gestart met het bedrijf [bedrijf]. Hij had een bedrijfsruimte in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. 1.
- Verweerder heeft eiser bij besluit van 11 januari 2007 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de voorziening in bedrijfskapitaal ter hoogte van € 100.000,-. 1.
- Op 8 februari 2010 heeft eiser verweerder meegedeeld dat hij geen winkelruimte meer heeft met ingang van 14 januari 2010, dat er geen bedrijfsactiviteiten meer zijn en dat zijn waardevolle spullen uit de winkel verkocht zijn. Eiser heeft de Kamer van Koophandel verzocht hem uit te schrijven uit het handelsregister. Verweerder heeft eiser en zijn voormalig partner vervolgens met ingang van 2 februari 2010 een bijstandsuitkering toegekend. 1.
- Bij brieven van 8 maart 2010 en 7 april 2010 heeft verweerder eiser gevraagd nadere gegevens te verschaffen over de bedrijfsbeëindiging. 1.
- Op 26 april 2010 heeft eiser aan verweerder doorgegeven dat hij met ingang van 1 juni 2010 weer met zijn bedrijf gaat starten. Verweerder heeft eisers bijstandsuitkering met ingang van die datum beëindigd. 1.
- Bij brief van 24 augustus 2010 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor over de beëindiging van zijn bedrijf en de terugbetaling van het verstrekte bedrijfskapitaal. Verweerder heeft eiser verder verzocht om een aantal gegevens mee te nemen. Eiser is niet verschenen. 1.
- Verweerder heeft bij besluit van 6 september 2010 het verstrekte bedrijfskapitaal van € 89.260,48 met inbegrip van de achterstallige rente terstond opgeëist. Verweerder heeft een beëindigingsonderzoek aangekondigd om te bezien of de verstrekte geldlening renteloos kan worden gemaakt. 1.
- Bij primair besluit heeft verweerder de geldlening ten bedrage van € 89.968,52 met inbegrip van achterstallige rente van eiser teruggevorderd. Bij brief van 3 november 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.
- Bij bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.
- Bij bestreden besluit II heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarbij eisers bezwaar ongegrond is verklaard. 1.
- Verweerder heeft aan bestreden besluit II ten grondslag gelegd dat eiser zijn bedrijf voor 1 juni 2010 (tijdelijk) heeft beëindigd. De geldlening is daardoor direct opeisbaar geworden. Eiser heeft verder niet alle gegevens overgelegd waar om was gevraagd in de brief van 24 augustus
- Daardoor kan verweerder niet beoordelen of de geldlening renteloos kan worden gemaakt. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de hoofdvordering en de achterstallige rente correct zijn vastgesteld. 1.
- Eiser heeft in beroep bestreden dat hij zijn bedrijf beëindigd heeft. Tevens heeft hij gesteld dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag maximaal € 71.000,- moet zijn en niet € 89.968,
- Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten € 14.291,04 en € 15.201,90 in mindering te brengen op de hoofdsom, alsmede het ingehouden vakantiegeld over juni
- Juridisch kader 2.
- Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet een belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. 2.
- Artikel 14, eerste lid, van het Bbz 2004 bepaalt dat bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal naar de regels van dit besluit wordt verleend in de vorm van een rentedragende geldlening, een renteloze geldlening, borgtocht of een bedrag om niet. 2.
- Ingevolge artikel 43, eerste lid, van het Bbz 2004, voor zover hier van belang, wordt bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep de geldlening, behoudens in het geval artikel 42 toepassing vindt, volledig terugbetaald. In afwijking daarvan blijft, op verzoek van de betrokkene en voor zover mogelijk, een geldlening onder hypothecair verband, verbonden aan de eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de onbelaste waarde van deze woning gevestigd. 2.
- Artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004 bepaalt dat indien na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de geldlening resteert en deze niet met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend, het resterende deel van de geldlening vanaf de beëindiging renteloos wordt. Gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient 50 procent van het netto inkomen boven de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de wet, besteed te worden voor aflossing van deze geldlening.
- Inhoudelijke beoordeling Ten aanzien van bestreden besluit I 3.
- De rechtbank stelt vast dat verweerder met bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit besluit niet tegemoetkomt aan het beroep. Het beroep wordt dan ook, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. 3.
- Niet gebleken is dat eiser nog een zelfstandig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I. Daarom zal de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. 3.
- De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt met het instellen van het beroep tegen het bestreden besluit I. De rechtbank begroot de proceskosten van eiser op € 437,- (1 punt voor het beroepschrift), aangezien eiser zich tot aan de zitting door een professioneel gemachtigde heeft laten bijstaan. Verweerder dient dit bedrag te betalen aan eiser. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het bestreden besluit II. Ten aanzien van bestreden besluit II 4.
- Verweerder heeft van eiser terugbetaling verlangd van de geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal inclusief de rente daarover op de grond dat eiser zijn bedrijf heeft beëindigd. Eiser heeft dat betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op dit standpunt gesteld. Uit de rapportage van 2 maart 2010 van [rapporteur] blijkt dat eiser met ingang van 14 januari 2010 geen winkelruimte meer heeft gehad, geen bedrijfsactiviteiten meer heeft uitgevoerd en alle waardevolle spullen uit de winkel heeft verkocht. Voorts acht de rechtbank van belang dat eiser met ingang van 1 februari 2010 een reguliere bijstandsuitkering heeft aangevraagd en gekregen, waarbij hij zich als ex-zelfstandige heeft gepresenteerd. Tot slot heeft eiser ter zitting bevestigd dat hij zijn bedrijf (tijdelijk) beëindigd heeft. Het gegeven dat eiser niet uitgeschreven is geweest uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en sinds 1 juni 2010 opnieuw (onder een andere naam) bedrijfsmatig actief is, leidt niet tot een andere conclusie, zodat de door eiser aangevoerde beroepsgrond faalt. 4.
- Nadat verweerder bij brief van 6 september 2010 de geldlening terstond opeisbaar heeft verklaard, heeft verweerder getracht te onderzoeken of er aanleiding bestond de geldlening renteloos te maken door onder meer bij brief van 24 augustus 2010 om een aantal nadere gegevens omtrent de bedrijfsbeëindiging te vragen. Verweerder heeft verzocht om de eindbalans van het bedrijf en bescheiden die inzicht geven in de afwikkeling van het bedrijf dan wel de verkoop van de bedrijfsmiddelen. De rechtbank stelt vast dat eiser niet alle gegevens waar in de brief van 24 augustus 2010 om was gevraagd heeft overgelegd. Hiermee heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Niet gebleken is dat eiser de gevraagde gegevens redelijkerwijs niet over kon leggen. Nu verweerder hierdoor niet heeft kunnen vaststellen of er voldoende middelen beschikbaar waren om de geldlening geheel of gedeeltelijk terug te betalen, kon verweerder de geldlening niet ingevolge artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004 renteloos maken. 4.
- Hetgeen de rechtbank onder 4.
- en 4.
- heeft overwogen, leidt tot de conclusie dat verweerder gehouden was om de geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal, met inbegrip van de rente daarover, van eiser terug te vorderen. 4.
- Eiser heeft de hoogte van het terug te vorderen bedrag betwist en heeft daartoe gewezen op verweerders brieven van 3 november
- Hierin staat vermeld dat “Het eventuele resterende deel wordt afgeboekt op de hoofdsom van vordering V 71000 (bedrijfskapitaal).” Zoals verweerder ter zitting nogmaals heeft toegelicht betreft V 71000 een identificatienummer voor de desbetreffende vordering. Eisers stelling dat uit deze brief blijkt dat de hoofdsom van de vordering volgens verweerder op dat moment € 71.000,- bedroeg, berust op een onjuiste lezing van deze zin. Eiser heeft dus er evenmin gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een eventuele terugvordering (maximaal) € 71.000,- zou bedragen. 4.
- Voorts heeft eiser gesteld dat er nog een aantal aftrekposten op de hoofdsom in mindering moeten worden gebracht in verband met verstrekkingen om niet. Eiser heeft in 2007 een gedeelte van de verstrekte geldlening om niet gekregen, omdat zijn inkomen in 2006 lager was dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Het gedeelte van het bedrijfskapitaal om niet is vastgesteld op € 14.291,04 en dit bedrag heeft verweerder in mindering gebracht op de hoofdsom. Eiser miskent dat deze verstrekking om niet eenmalig was. De in de brieven van 3 november 2009 genoemde bedragen van € 15.201,90 en € 14.898,30 zijn dan ook geen bedragen die eveneens om niet hadden moeten worden verstrekt. Deze bedragen zien op jaarnormen die worden gehanteerd bij bepaling van eventuele rentekwijtschelding. In de desbetreffende brieven is aan eiser rentekwijtschelding verleend ten bedrage van € 3.215,60 en € 3.856,
- Blijkens de bijlagen bij deze brieven zijn deze bedragen afgeboekt op de renteachterstand. Ook deze grond van eiser faalt. 4.
- Ten aanzien van eisers stelling dat het vakantiegeld van juni 2010 door verweerder is ingehouden en nu alsnog op de hoofdsom in mindering moet worden gebracht, heeft verweerder gesteld dat dit bedrag is verrekend met een andere vordering van verweerder op eiser. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat dit voor onjuist moet worden gehouden. Voor zover op de bijstandsuitkering van zijn voormalig partner maandelijks een inhouding plaatsvindt, merkt de rechtbank op dat dit het gevolg is van het feit dat die ex-partner eveneens hoofdelijk aansprakelijk is voor terugbetaling van de aan eiser verstrekte geldlening. Betalingen door de ex-partner van eiser brengen geen verandering teweeg in de aansprakelijkheid van eiser ten opzichte van verweerder voor het gehele bedrag van de terugvordering. Slotsom 5.
- De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder terecht de aan eiser verstrekte geldlening voor de voorziening in bedrijfskapitaal van € 85.708,96 en € 4.259,56 aan rente daarover van hem heeft teruggevorderd. Het beroep is daarom ongegrond. 5.
- Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding in het beroep tegen bestreden besluit I, tot een bedrag van € 437,- (vierhonderd en zevenendertig euro), te betalen aan eiser; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzitter, mrs. R.B. Kleiss en H.G. Schoots, leden, in aanwezigheid van mr. H.W. Grootendorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 april
- de griffier, de voorzitter, Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.