RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/706421-10 RK nummer: 11/2968 Datum uitspraak: 19 juli 2011 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 mei 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 28 maart 2011 (ontvangen per mail op 6 mei 2011) door de District Judge (Magistrates’ Court) van de City of Westminster Magistrates’ Court te Londen (Groot-Brittannië). [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [1977], wonende op het adres [adres] te [woonplaats], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1. Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 juli 2011. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam gehoord. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2. Grondslag en inhoud van het EAB Aan het EAB ligt een warrant of arrest at first instance van 16 maart 2011 van het City of Westminster Magistrates’ Court ten grondslag. Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van Groot-Brittannië strafbare feiten. 3. Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 4. Strafbaarheid 4.1. Ongenoegzaamheid stukken Een EAB dient, gelet op artikel 2 van de OLW, gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd te bevatten, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. Bovendien zal die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel moeten kunnen waarborgen. De rechtbank overweegt dat in het EAB is op genomen dat op 18 juni 2010 [persoon 1] is aangehouden, terwijl hij in het bezit was van 539 kilogram cannabis. Ook vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon een half jaar eerder is gezien in het gezelschap van [persoon 1]. Het is de rechtbank niet duidelijk met welk doel de Britse autoriteiten de import van cannabis hebben vermeld, te weten ter onderbouwing van de verdenking dan wel als apart feit waarvoor overlevering wordt gevraagd. Voor zover uitvaardigende justitiële autoriteiten de overlevering hebben willen verzoeken voor de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de op 18 juni 2010 aangetroffen 539 kilogram cannabis, is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel is dat de omschrijving van dit feit niet voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW, nu de uitvaardigende autoriteiten op geen enkele wijze hebben omschreven welke betrokkenheid de opgeëiste persoon vermoedelijk zou hebben gehad bij de import van de cannabis. Dat leidt ertoe dat de overlevering voor dit feit zal worden geweigerd. 4.2 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Uitgaande van de in rubriek
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.