vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector Kanton Locatie Amsterdam Rolnummer: 1073942 CV EXPL 09-27247 Vonnis van: 13 mei 2011 F.no.: 646 Vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] wonende te Amstelveen eiseres nader te noemen [eiseres] gemachtigde: mr. J. Jaab t e g e [gedaagde]agde] gevestigd te Amsterdam Zuidoost gedaagde nader te noemen [gedaagde] gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds (voorheen mr. M. Kuipers) VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 14 januari 2011 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering daarvan heeft [eiseres] een antwoordakte en akte overlegging en uitlating producties genomen, en heeft [gedaagde] bij akte op deze laatste akte van [eiseres] gereageerd. De zaak staat thans voor vonnis. GRONDEN VAN BESLISSING Feiten en omstandigheden 1. De kantonrechter blijft bij de in het tussenvonnis van 20 augustus 2010 vastgestelde feiten. Tevens staat, als gesteld en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast, dat [eiseres] volgens de gegevens van [gedaagde] tot 11 februari 2008 gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, en vanaf 11 februari 2008 (tot een latere ziekmelding in 2009) volledig arbeidsgeschikt. Beoordeling 2. Het UWV heeft in haar deskundigenoordeel van 10 maart 2008 het standpunt ingenomen dat het door de bedrijfsarts ten behoeve van [eiseres] opgestelde werkhervattingsschema ‘redelijk’ was. Dat houdt volgens het UWV in dat [eiseres] op de door de bedrijfsarts genoemde verschillende momenten in toenemende mate arbeidsgeschikt was. [eiseres] bestrijdt dat en stelt in de periode december 2007 tot en met maart 2008 volledig arbeidsongeschikt te zijn gebleven. Zij beroept zich daarbij op de rapportage van neuroloog [naam deskundige], alsmede op de omstandigheid dat haar (nieuwe) ziekmelding in 2009 door [gedaagde] wel is geaccepteerd, terwijl haar situatie in 2009 niet dan wel niet veel verschilde van die in 2008. 3. De kantonrechter is van oordeel dat er onvoldoende reden bestaat aan de juistheid van het standpunt van het deskundigenoordeel van het UWV te twijfelen. Daarbij spelen de volgende omstandigheden een rol. 4. De wetgever heeft, blijkens het bepaalde in art. 7:629a BW aan het deskundigenoordeel een belangrijke rol toegekend. Er kunnen desalniettemin redenen zijn van het deskundigenoordeel af te wijken, maar daar moeten dan goede redenen voor zijn. 5. Bij het opstellen van het deskundigenoordeel heeft geen nieuw onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts, maar wel door de arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige baseert zich op de bestaande rapportage van de verzekeringsarts, die daarbij kennis had genomen van de rapportage van de VU, derhalve de behandelend sector. Blijkbaar achtte de arbeidsdeskundige de informatie over de medische beperkingen van [eiseres] voldoende duidelijk, en richtte zijn onderzoek op de vertaling van die beperkingen naar de arbeidsmogelijkheden van haar. Die opvatting maakt niet op voorhand dat het deskundigenoordeel als onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen moet worden beschouwd. 6. Daar komt bij dat in die periode (januari tot maart 2008) geen ander, door een onafhankelijke arts-deskundige, gedaan onderzoek heeft plaatsgevonden. Het onderzoek door [naam deskundige], dat op zich uitvoerig is gemotiveerd, dateert van begin 2010. [naam deskundige] maakt er echter melding van dat de klachten die [eiseres] had reeds bestonden vóór de indiensttreding van [eiseres] bij [gedaagde]. Op basis daarvan kan uit het rapport van [naam deskundige] niet de conclusie worden getrokken dat ná de indiensttreding van [eiseres] bij [gedaagde] duidelijk sprake is geweest van een toename van klachten van haar. Daarbij maakt [naam deskundige] geen onderscheid tussen de klachten die [eiseres] had in de periode december 2007 tot 18 maart 2008, en in de periode direct volgende op 18 maart 2008. Ook [eiseres] zelf maakt geen onderscheid in haar medische situatie vlak voor en vlak na 18 maart 2008. Zij stelt dat de klachten die zij begin 2009 had, dezelfde waren als die zij had in 2007/2008. Toch heeft [eiseres] zich per 18 maart 2008 hersteld gemeld. Dat [gedaagde] de ziekmelding van [eiseres] vervolgens begin 2009 wel heeft geaccepteerd maakt dit niet anders. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat er onvoldoende objectieve gronden zijn om het deskundigenoordeel van 10 maart 2008 niet te volgen. Dat betekent dat er van dient te worden uitgegaan dat [eiseres] arbeidsgeschikt was op de momenten zoals door de bedrijfsarts bepaald, en zij een dienovereenkomstig werkhervattingsschema moest volgen. 7. [gedaagde] heeft de uren die [eiseres] tussen december 2007 en 11 maart 2008 niet heeft gewerkt terwijl zij dat volgens de bedrijfsarts wel kon en moest doen, verrekend met het [vakantiesaldo van eiseres]. [gedaagde] beroept zich daarbij op haar CAO die zulks mogelijk maakt. De kantonrechter is, mede naar aanleiding van hetgeen door partijen ter comparitie naar voren is gebracht, van oordeel dat het aanmerken van aldus niet-gewerkte uren met vakantieuren, niet op voorhand onverenigbaar is met de recuperatiefunctie van vakantie. Het huidige art. 7: 637 BW staat het nadrukkelijk toe dat tijdens ziekte vakantieuren worden opgenomen. Niet is gebleken dat de Richtlijn 2003/88/EG zich daartegen verzet. 8. Art. 7:629 lid 7 BW bepaalt dat een werkgever geen beroep kan doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen. Door [gedaagde] is niet weersproken dat de achtergrond van die bepaling is de werknemer, die geconfronteerd wordt met het voornemen van zijn werkgever het loon op te schorten of te stoppen, in de gelegenheid te stellen zijn gedrag zodanig aan te passen, dat voor dat voornemen geen grond meer bestaat. [gedaagde] betwist echter dat art. 7:629 lid 7 BW in dezen relevant is, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.