RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/3064 BESLU uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Eiland in de Amstel B.V., gevestigd te Alphen aan den Rijn, en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V., gevestigd te Den Haag, eisers, gemachtigde mr. J. Geelhoed en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder, gemachtigde mr. A.J. Tielbeke. Tevens hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], beiden wonende te [woonplaats], derde-belanghebbenden, gemachtigde: mr J.M.S. Salomons Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2011 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder aan [vertegenwoordiger eisers] bericht dat verweerder op 21 december 2010 heeft besloten de monumentenstatus van het pand Amsteleiland 2 af te halen en onder strikte voorwaarden een sloopvergunning af te geven voor het pand, waaronder de voorwaarde dat het pand na de werkzaamheden wordt teruggebouwd op het Amsteleiland. Verweerder heeft afschrift van dit besluit gestuurd naar de bewoners van het pand, de heer en mevrouw [belanghebbende 1]. Bij besluit van eveneens 25 januari 2011 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. een sloopvergunning op grond van de Bouwverordening verleend voor het slopen van een woonhuis op het Amsteleiland 2 te Amstelveen. Derde-belanghebbenden hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard, het besluit tot het afvoeren van het pand Amstelland 2 van de lijst van gemeentelijke monumenten te herroepen, het besluit tot het verlenen van een sloopvergunning voor het pand Amsteleiland 2 te herroepen en deze vergunning alsnog te weigeren (het bestreden besluit). Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september
- Eisers zijn ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger eisers], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbe [belanghebbende 2] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Overwegingen
- Verweerder heeft in het bestreden besluit de primaire besluiten herroepen. Volgens verweerder zijn de huurders, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), in het algemeen geen belanghebbenden zijn bij een besluit tot het al dan niet aanwijzen van een object als monument, omdat dit geen gevolgen heeft voor de bewoning van het aangewezen pand. Omdat in dit geval het opheffen van de status van gemeentelijk monument ten doel heeft de huurbeëindigingsovereenkomst tussen derde-belanghebbenden en eiseres Eiland in de Amstel B.V. te effectueren, waarin is bepaald dat de huurovereenkomst is geëindigd als een sloopvergunning wordt verkregen, is het belang van derde-belanghebbenden wel rechtstreeks bij de aanwijzing betrokken. Zij zijn dan ook ontvankelijk in hun bezwaar. Omdat de bevoegdheid om een object al dan niet als gemeentelijk monument aan te wijzen niet is gegeven om een nieuwbouwontwikkeling mogelijk te maken of een huurcontract te doen beëindigen, berust het besluit op détournement de pouvoir en moet het besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument worden herroepen. Gelet op deze herroeping wordt ook de sloopvergunning herroepen. Deze kan niet worden verleend als het een gemeentelijk monument betreft en geen sloopvergunning op grond van de Erfgoedverordening gemeente Amstelveen is verleend. 2.
- In beroep stellen eisers dat verweerder de huurders ten onrechte ontvankelijk hebben verklaard in hun bezwaren tegen het afvoeren van het pand van de gemeentelijke monumentenlijst. Huurders staan alleen in een contractuele relatie tot het pand. Zij hadden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 2.
- De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 met LJ-nummer BR1460, blijkt dat huurders ontvankelijk zijn bij een besluit over de gemeentelijke monumentstatus van hun pand als dat besluit gevolgen heeft voor de bewoning. Die uitspraak had niet betrekking op een aanwijzing tot monument maar op een splitsingsvergunning. Niet gesteld kan worden dat het opheffen van de status van gemeentelijk monument een rechtstreeks gevolg heeft voor de bewoning van het pand door derden-belanghebbenden als huurders. Als zij het pand dienen te ontruimen zal dit niet het rechtstreeks gevolg zijn van het besluit over de monumentstatus maar van de door hen gesloten huurbeëindigingsovereenkomst. Er is dus geen direct verband tussen het bestreden besluit en de bewoning van het pand. Eisers hebben terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2011 met LJ-nummer BQ3728, dat betrekking had op de aanwijzing tot gemeentelijk monument, en waarin de Afdeling overwoog dat huurders een afgeleid belang hebben en dus niet-ontvankelijk zijn. Verweerder heeft derde-belanghebbenden mitsdien ten onrechte ontvankelijk geacht in hun bezwaren tegen het afvoeren van dit pand van de gemeentelijke monumentenlijst. Het beroep van eisers is gegrond. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd, omdat dit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal, onder toepassing van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid, zelf voorzien in de zaak en de derde-belanghebbenden alsnog niet-ontvankelijk verklaren in hun bezwaren. Dit betekent dat het eerste primaire besluit herleeft, zodat het pand niet langer op de gemeentelijke monumentenlijst is geplaatst. Nu er geen ontvankelijke bezwaren zijn gericht tegen het eerste primaire besluit, komt de rechtbank niet toe een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. 3.
- In beroep stellen eisers voor wat betreft de sloopvergunning dat als het besluit tot het afvoeren van het pand van de gemeentelijke monumentenlijst herleeft, door het vernietigen van het bestreden besluit op dat punt, de grondslag aan de weigering van de sloopvergunning komt te ontvallen. 3.
- Derde-belanghebbenden hebben in bezwaar aangevoerd dat verweerder geen andere bedoeling heeft met het slopen dan te komen tot ontruiming van de woning zodat de ontwikkelaar zijn plannen voor het eiland kan realisering zonder last te hebben van de huurders, hetgeen détournement de pouvoir is. Dit is strijdig met het raadsvoorstel van 31 augustus 2007 en het verslag van de raadsvergadering van 26 september 2007 waarin toezeggingen zijn gedaan voor een goede oplossing voor de huurders. Bovendien is de sloopvergunning in strijd met de Bouwverordening omdat het slopen niet veilig is zolang derden-belanghebbenden in het pand wonen. 3.
- De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder geen sloopvergunning mag verlenen, omdat sprake zou zijn van detournement de pouvoir. In het algemeen is de bedoeling van een sloopovereenkomst om nieuwe bouwplannen mogelijk te maken. Daar komt bij dat derde-belanghebbenden een huurbeëindigingsovereenkomst met eisers hebben gesloten met de afspraak dat de huurovereenkomst wordt beëindigd binnen een maand na ontvangst van een kopie van de sloopvergunning. Nu derde-belanghebbenden als huurders zelf met beëindiging van de huurovereenkomst hebben ingestemd als de sloopvergunning wordt verleend, vermag de rechtbank niet in te zien dat de gemeente onzorgvuldig zou handelen door die sloopvergunning te verlenen. Verweerder moet bovendien niet alleen rekening houden met de belangen van de huurders maar ook met de belangen van eisers. 4.
- Nu het bestreden besluit wat betreft de monumentenstatus is vernietigd, is, zoals eisers terecht betogen, de grondslag aan de weigering van de sloopvergunning komen te ontvallen. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit de sloopvergunning uitsluitend herroepen vanwege het herleven van de monumentale status van het pand. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat verlening van de sloopvergunning in strijd is met de Bouwverordening omdat sloop niet veilig zou zijn als de huurders nog in het huis zitten. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de huurders het pand zullen moeten ontruimen en gaat er van uit dat eisers het pand niet zullen slopen terwijl de huurders er nog in zitten. 4.
- Het beroep van eisers is mitsdien ook voor wat betreft het alsnog weigeren van de sloopvergunning gegrond, omdat dit besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Ook dit deel van het besluit zal worden vernietigd, zodat de op 25 januari 2011 verleende sloopvergunning herleeft. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, zodat verweerder ter zake geen nieuwe besluiten hoeft te nemen en er, behoudens de mogelijkheid van hoger beroep, een einde komt aan dit geding.
- Gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht in beroep te vergoeden. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair wordt begroot op € 874,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting x wegingsfactor 1 x € 437,- per punt). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond: - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart derde-belanghebbenden alsnog niet-ontvankelijk in hun bezwaren tegen het eerste primaire besluit, inhoudende het afvoeren van het pand Amsteleiland 2 te Amstelveeen van de gemeentelijke monumentenlijst; - verklaart de bezwaren van derden-belanghebbenden tegen het tweede primaire besluit, inhoudende verlening van een sloopvergunning voor het pand Amsteleiland 2 te Amstelveen, ongegrond; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Heijman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september
- De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B SB