RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 09/4901 GEMWT uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1], wonende te [woonplaats], hierna afzonderlijk aan te duiden als: [eiser 1], gemachtigde prof. mr. P. Nicolaï, en [eiser 2] e.a., hierna afzonderlijk aan te duiden als [eiser 2] e.a., eisers, gemachtigde prof. mr. P. Nicolaï, en het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oud-Zuid, verweerder, gemachtigde mr. R. Nomden, bijgestaan door mr. A. van Buuren. Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: Exploitatie Albert Cuyp B.V. (EAC), vergunninghouder, gemachtigde mr. E.A.M. Santen, bijgestaan door mr. F. Beishuizen. Procesverloop Bij primair besluit I van 16 maart 2006 heeft verweerder het beleid “Uitgangspunten voor het verlenen van kramenzet- en verhuurvergunningen Albert Cuypmarkt 2005” (Uitgangspunten 2005) ingetrokken, de procedure tot het verlenen van kramenzet- en verhuurvergunningen gestopt en de bestaande vergunningen verlengd tot 1 juli 2008. Bij primair besluit II van 16 december 2008 heeft verweerder aan EAC een kramenzet- en verhuurvergunning verleend voor de gehele markt en de overige aanvragen afgewezen. Bij besluit van 15 september 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder, gedeeltelijk in overeenstemming met het advies van de adviescommissie bezwaarschriften (commissie) op de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] e.a. beslist. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2011. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [persoon 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A. van Buuren. Overwegingen 1. Feiten en omstandigheden. 1.1. Eisers zijn kramenzetters en –verhuurders. Voor de Albert Cuypmarkt in Amsterdam worden voor het zetten en verhuren van kramen vergunningen verleend door verweerder. In het verleden waren deze vergunningen jarenlang verleend aan EAC, [persoon 2] en [persoon 3]. Sedert 1997 heeft [eiser 1] ook een kramenzet- en verhuurvergunning voor elf plaatsen. 1.2. Bij besluit van 31 mei 2005 heeft verweerder het beleid Uitgangspunten 2005 (het beleid 2005) vastgesteld, gericht op het na openbare inschrijving verlenen van kramenzet- en verhuurvergunningen voor de Albert Cuypmarkt. 1.3. Op 13 juli 2005 heeft [eiser 1] op grond van het beleid 2005 een kramenzet- en verhuurvergunning aangevraagd. Op 16 maart 2006 heeft verweerder het primaire besluit I genomen, waarbij dit beleid werd ingetrokken. Daarbij werd overwogen dat het niet mogelijk bleek aanvragen om vergunningen op grond van het beleid 2005 te beoordelen en dat er een onderzoek moest plaatsvinden naar een beter, wel werkbaar beleid. Omdat er door de intrekking geen beleid was om aanvragen aan te toetsen, zijn als overgangsmaatregel bij het primaire besluit I alle bestaande vergunningen verlengd tot 1 juli 2008. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft verweerder de bestaande vergunningen vervolgens nogmaals verlengd, ditmaal tot 1 januari 2009. 1.4. [eiser 1] heeft tegen het primaire besluit I een bezwaarschrift ingediend. Op 15 mei 2007 is een beslissing op dit bezwaar genomen, die op 25 september 2008 door verweerder is ingetrokken bij de mondelinge behandeling van het tegen dit besluit ingestelde beroep. Daarbij is aangekondigd dat de aanvragen op grond van het inmiddels vastgestelde nieuwe beleid zouden worden beoordeeld. 1.5. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft verweerder dit nieuwe beleid vastgesteld (hierna: beleid 2008). Daarbij is besloten: I. Een kramenzet- en verhuurvergunning te verlenen via een open inschrijving; (…) III. Het advies van de Marktadviescommissie (MAC, rb.) over te nemen en te werken met één kramenzet- en verhuurvergunning voor de hele Albert Cuijpmarkt; IV. Akkoord te gaan met de selectieprocedure; V. Akkoord te gaan met de bijgevoegde inschrijvingsvoorwaarden. 1.6. Bij dit besluit is een aantal bijlagen gevoegd. Eén van de bijlagen betreft de inschrijvingsvoorwaarden. Deze bijlage begint als volgt: “INSCHRIJVINGSVOORWAARDEN KRAMENZET- EN VERHUURVERGUNNINGEN 2008 22-5-2008” Daarna zijn 28 artikelen opgenomen met voorschriften voor toekomstige vergunninghouders met de kopjes “Aan de vergunning te verbinden voorwaarden” (artikelen 1&2); “Aansprakelijkheid” (artikelen 3 t/m 5); “Bedrijfsvoering” (artikelen 6 t/m 8); “Beëindiging vergunning” (artikelen 9&10); “Huurprijsindexering” (artikel 11); “Aan de kramen te stellen eisen” (artikelen 12 t/m 15); “Kwaliteits- en veiligheidsnormen” (artikelen 16 t/m 19); “Opbouwen en afbreken van de kramen” (artikelen 20 t/m 26); “Eigen materiaal” (artikel 27) en “Slotbepaling” (artikel 28). Het stuk eindigt als volgt: “Extra’s Inschrijvers kunnen, buiten de eis dat voldaan dient te zijn aan bovenstaande voorwaarden, naar eigen inzicht alles aangeven wat zij relevant achten voor de beoordeling van hun inschrijving.” 1.7. Een tweede bijlage bij het besluit van 3 juni 2008 is een beschrijving van de selectieprocedure kramenzet- en verhuurvergunning. Voor zover relevant luidt deze als volgt: “Het stadsdeel stelt een aantal voorwaarden en eisen. Deze hebben betrekking op het te gebruiken materiaal, de te gebruiken voertuigen, het plaatsen van kramen etc. De voorwaarden en eisen zijn bijgevoegd. Inschrijvers moeten voldoen aan deze voorwaarden. De beoordeling hiervan gebeurt door het stadsdeel. De inschrijvers wordt gevraagd een prijs op te geven en verder alles wat voor de markt van belang kan zijn in hun inschrijving te betrekken. Dit laatste gaat dus verder dan het enkel zetten van een kraam die aan de voorwaarden voldoet en kan betrekking hebben op eventuele extra kwaliteit van het materiaal of op aanvullend te bieden diensten. Vervolgens worden de inschrijvingen van alle kramenzetters die voldoen aan de voorwaarden voorgelegd aan de marktadviescommissie met het verzoek één inschrijver voor te dragen voor een vergunning. De marktadviescommissie weegt in haar keuze de geboden kwaliteit en de prijs en kiest het pakket dat de markt het meest te bieden heeft. Het Dagelijks Bestuur zal in principe de keus van de marktadviescommissie overnemen. Als de marktadviescommissie geen advies kan geven zal het Dagelijks Bestuur zelf de selectie doen. De keus wordt dan primair bepaald door de prijs. Mocht er zo weinig verschil tussen de inschrijvingen zitten dat het Dagelijks Bestuur niet op basis van prijs/ kwaliteit een keus kan maken dan zal de inschrijving door loting bepaald worden. (…) De inschrijving wordt beoordeeld op de selectievoorwaarden zoals geformuleerd in artikel 5 tot met met 8, en artikel 12 tot en met 19. (…)” 1.8. Na de bekendmaking van het beleid 2008 heeft verweerder van, onder andere, [eiser 1] B.V. op 26 juni 2008 en EAC op 1 juli 2008 een (nieuwe) aanvraag ontvangen om een kramenzet- en verhuurvergunning. 1.9. Bij primair besluit II heeft verweerder aan EAC een kramenzet- en verhuurvergunning verleend en de overige aanvragen afgewezen. 1.10. Hiertegen hebben [eiser 1] B.V., [eiser 1], [eiser 1] B.V. i.o., [eiser 2] en diverse andere marktkooplieden, alle op 29 december 2008, bezwaarschriften ingediend. Verweerder heeft, op verzoek van de commissie, de aanvragers in maart en april 2009 in de gelegenheid gesteld hun aanvragen aan te vullen. Het bezwaar is, in verband met de ingetrokken beslissing op bezwaar van 15 mei 2007 mede gericht geacht tegen het primaire besluit I. 1.11. Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de bezwaren van [eiser 2] e.a. tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk zijn en dat niet aannemelijk is dat [eiser 1] op grond van zijn aanvragen 2005 en 2008 kan voldoen aan het beleid 2005 en de in het beleid 2008 genoemde inschrijvingsvoorwaarden. 1.12. Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Op de standpunten van partijen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan. 2. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid [eiser 2] e.a. 2.1 De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of [eiser 2] e.a. belanghebbende zijn als bedoeld in de artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de tegen het primaire besluit II gerichte bezwaren van [eiser 2] e.a. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat uit dit besluit geen rechtstreekse rechten of verplichtingen voortvloeien voor [eiser 2] e.a.. [eiser 2] e.a. betwisten dit. Zij willen hun kramen betrekken van [eiser 1] en niet van een door verweerder aangewezen kramenzetter. 2.3. Dit belang dat [eiser 2] e.a. stellen te hebben bij het onderhavige beroep is daarmee een belang dat slechts via een privaatrechtelijke relatie tussen [eiser 1] als verhuurder van kramen en [eiser 2] e.a. als huurders daarvan valt aan te nemen. Daarmee is dit een afgeleid belang van het belang dat [eiser 1] als rechtstreeks getroffene bij het besluit heeft. Aldus is het belang van [eiser 2] e.a. niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. 2.4. Nu [eiser 2] e.a. niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft verweerder hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en zal de rechtbank hun beroep ongegrond verklaren. Ontvankelijkheid [eiser 1] 2.5. Uit (de aanvullingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.