vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 484616 / HA ZA 11-739 Vonnis van 7 december 2011 in de zaak van [A], wonende te --, eiseres, advocaat mr. E.N. Mulder te Nijkerk, tegen de stichting STICHTING ANTONI VAN LEEUWENHOEK ZIEKENHUIS, gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. N. van den Burg te Utrecht. Partijen zullen hierna [A] en het AVL genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 mei 2011; - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 oktober 2011. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Bij een bevolkingsonderzoek in december 2006 is bij [A] een verdenking op borstkanker gebleken. Na een onderzoek in het Academisch Medisch Centrum (hierna ‘AMC’) te Amsterdam, waar [A] zelf werkzaam was als intensive-care verpleegkundige, heeft [A] zich in februari 2007 voor verdere behandeling tot het AVL gewend. 2.2. Op 14 februari 2007 heeft [A] bij het AVL gesproken met dr. [B] (hierna ‘[B]’), mammachirurg. 2.3. Op 26 februari 2007 zijn van [A] een echo en een borstfoto (hierna ook ‘mammografie’) gemaakt. Uit de mammografie is gebleken dat in de rechterborst sprake was van een zogenaamde Ductaal Carcinoma In Situ (hierna ‘DCIS’), een voorstadium van kanker waarin dit nog niet infiltreert en uitzaait. In de linkerborst was sprake van een zogenaamde Lobulair Carcinoma In Situ (hierna ‘LCIS’). LCIS wordt beschouwd als een risicofactor voor de ontwikkeling van een zogenaamd ‘invasief carcinoom’. DCIS en LCIS zijn verschillende soorten ‘mammacarcinoom’, in Nederland de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. Voor de behandeling van een mammacarcinoom is een ‘Richtlijn voor de behandeling van het mammacarcinoom’ opgesteld. Ten tijde van de behandeling van [A] in het AVL was de richtlijn uit oktober 2005 (hierna ‘de Richtlijn’) van kracht. 2.4. Op pagina 15 van de Richtlijn staat, voor zover hier relevant, opgenomen: “In retro- en prospectieve studies blijkt dat radiotherapie ook bij tumorbevattende snijvlakken effectief kan zijn. (…) Bij de MST (mammasparende therapie, toevoeging rechtbank) van het DCIS moet dan ook gestreefd worden naar tumorvrije resectievlakken. Indien na reëxcisie de resectievlakken niet vrij zijn, wordt een ablatio mammae geadviseerd.” 2.5. Op pagina 16 van de Richtlijn staat onder Advies, voor zover hier relevant, opgenomen: “De behandeling van DCIS is ablatio mammae of mammasparende therapie (MST), bestaande uit microscopisch complete tumorexcisie en radiotherapie, waarbij een boost dosis kan worden overwogen. Contraindicaties voor MST: - Multicentriciteit (de aanwezigheid van DCIS in meerdere kwadranten van de borst) - Residuale ziekte: mammografisch aangetoond of resectievlak tumorpositief (…)”. 2.6. Op 5 maart 2007 heeft er bij [A] een biopsie plaatsgevonden. Op basis van de uitslag van de biopsie is door het AVL de volgende diagnose gesteld: in de rechter borst 5 cm DCIS graad III en in de linkerborst LCIS 4 cm. 2.3. De bevindingen van dit onderzoek, de gestelde diagnose en de mogelijke behandelopties zijn op 8 maart 2007 door [B] met [A] besproken. Daarna is [A] tevens door een radiotherapeut en een plastisch chirurg over de mogelijke behandelopties geïnformeerd. 2.4. [A] heeft aan [B] aangegeven dat zij een borstsparende operatie wilde ondergaan. 2.5. Op 28 maart 2007 is deze borstsparende operatie uitgevoerd door [B] en dr. [C] (hierna ‘[C]’), plastisch chirurg. Het bij deze operatie weggenomen borstweefsel is pathologisch onderzocht door dr. [D] (hierna ‘[D]’). Uit de uitslag van dit onderzoek is gebleken dat het uit de rechterborst weggenomen weefsel DCIS graad III bevatte en het snijvlak op meerdere plaatsen niet vrij was van DCIS. Uit het onderzoek van het uit de linkerborst verwijderde weefsel kwam naar voren dat naast LCIS ook sprake was van een gebied van circa 1,5 cm met DCIS graad II. 2.6. De uitslagen van dit pathologisch onderzoek zijn op 12 april 2007 door [B] met [A] besproken. In dit gesprek zijn tevens de behandelmogelijkheden met [A] besproken. De voorgehouden beschikbare behandelingen waren - kort samengevat - bestraling of verwijdering van al het borstweefsel (een volledige borstamputatie, hierna ook ‘ablatio’ of ‘ablatio mammae’). 2.7. Na dit gesprek heeft [A] op dezelfde dag een gesprek gehad met dr. [E] (hierna ‘[E]’), radiotherapeut. Tijdens dit gesprek zijn eveneens de beide behandelopties besproken. [E] heeft in dit gesprek ook aangegeven dat er nog een mammografie gemaakt zou worden. 2.8. Op 7 juni 2007 is deze (tweede) mammografie gemaakt. 2.9. Op 22 juni 2007 is bij [A] een volledige borstamputatie (beide kanten) uitgevoerd. 2.10. Op 28 juni 2007 is [A] uit het AVL ontslagen. Op 2 juli 2007 is [A] opnieuw opgenomen met een infectie aan de geplaatste borstprotheses. Deze protheses zijn op 5 juli 2007 verwijderd. Op 8 juli 2007 is [A] wederom uit het AVL ontslagen. 2.11. Uit het pathologisch onderzoek na de operatie van 22 juni 2007 is gebleken dat in het bij deze operatie weggenomen weefsel geen sprake meer was van DCIS. Tijdens de opname van [A] tussen 2 en 8 juli 2007 is deze uitslag van het pathologisch onderzoek aan [A] medegedeeld. Tevens is in diezelfde periode de uitslag van de tweede mammografie van 7 juni 2007 aan [A] medegedeeld. Uit die uitslag volgde dat er op het mammogram geen microcalcificaties zichtbaar waren. 2.12. Na 8 juli 2007 is [A] nog enkele keren voor nacontrole in het AVL geweest. Op 29 februari 2008 heeft [A] nieuwe borstprotheses gekregen. Op 29 mei 2008 zijn wederom nieuwe protheses bij [A] geplaatst. 2.13. In 2009 heeft [A] een klacht ingediend bij de klachtcommissie van het AVL. Tot een inhoudelijke behandeling door de klachtencommissie is het niet gekomen. 2.14. Op 18 december 2009 heeft [A] via haar advocaat het AVL aansprakelijk gesteld voor de door haar gestelde schade. Het AVL heeft die aansprakelijkheid afgewezen. 3. Het geschil 3.1. [A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - primair: voor recht te verklaren dat het AVL een wanprestatie heeft geleverd en dientengevolge aansprakelijk is voor de schade die [A] lijdt, heeft geleden en nog zal lijden, een en ander op te maken bij staat; en - subsidiair: voor recht te verklaren dat het AVL onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en dientengevolge aansprakelijk is voor de schade die [A] lijdt, heeft geleden en nog zal lijden, een en ander op te maken bij staat. 3.2. [A] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat het AVL tekort is geschoten in de op het AVL rustende informatieplicht (artikel 7:448 van het Burgerlijk Wetboek, hierna ‘BW’) om als hulpverlener informatie aan [A] te verstrekken. Hierdoor heeft zij niet weloverwogen kunnen beslissen om al dan niet tot de operatie van 22 juni 2007 over te gaan, aldus [A]. 3.3. Ter onderbouwing van het primair gevorderde stelt [A] verder dat het AVL heeft gehandeld in strijd met haar plicht om als goed hulpverlener te handelen (artikel 7:453 BW) door de operatie van 22 juni 2007 uit te voeren in strijd met de geldende Richtlijn. 3.4. Als gevolg van de wanprestatie, althans het onrechtmatig handelen, van het AVL, is het AVL aansprakelijk voor de door [A] geleden schade, aldus [A]. Deze schade is het gevolg van onder meer de complicaties die [A] door de ablatio heeft gekregen, de hersteloperaties die zij vervolgens heeft moeten ondergaan en het feit dat [A] hierdoor haar baan heeft verloren en niet meer kon werken als masseuse, aldus nog steeds [A]. 3.5. AVL voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of – zoals [A] stelt en het AVL betwist – het AVL aansprakelijk is voor de gestelde schade van [A]. 4.2. Als onweersproken staat vast dat de betrokken artsen in dienst zijn van het AVL. [A] had derhalve een geneeskundige behandelovereenkomst met het AVL in de zin van artikel 7:462 BW. Geen informed consent? 4.3. [A] legt allereerst aan haar vordering ten grondslag dat zij voorafgaand aan haar operatie niet volledig door het AVL is geïnformeerd, waardoor zij niet weloverwogen een keuze voor de operatie van 22 juni 2007 heeft kunnen maken. 4.4. De rechtbank neemt bij de beoordeling hiervan de volgende maatstaf in acht. 4.5. Artikel 7:448 BW legt – kort weergegeven – op de ‘hulpverlener’ de plicht om de patiënt op duidelijke wijze in te lichten over de voorgestelde behandeling. Artikel 7:450 BW bepaalt – kort weergegeven – dat voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt vereist is. Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij daarover adequaat is geïnformeerd (de zogenaamde ‘informed consent’). Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en de risico’s daarvan, over eventuele alternatieven en over de vooruitzichten. Gebreken in die voorlichting door de hulpverlener brengen echter niet zonder meer mee dat de hulpverlener vervolgens jegens de patiënt aansprakelijk is voor eventuele schade die voortvloeit uit de behandeling. De informatieplicht van de hulpverlener strekt er – voor zover in dit verband van belang – toe de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor het al dan niet ondergaan van de behandeling. Dat een patiënt niet voor een operatie zou hebben gekozen indien de hulpverlener niet zou zijn tekortgeschoten bij het informeren van de patiënt, kan niet zonder meer worden aangenomen. Het is aan de patiënt om te stellen, en, zo nodig, te bewijzen dat hij, indien hij op een voldoende duidelijke wijze was geïnformeerd over het aan de behandeling verbonden risico, hij als redelijke patiënt in de gegeven omstandigheden niet zou hebben gekozen voor deze behandeling, of dat hij om redenen van persoonlijke aard niet voor deze behandeling zou hebben gekozen. 4.6. [A] heeft gesteld dat zij niet, althans onvoldoende, is geïnformeerd over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.