beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 496575 / HA RK 11-233 Beschikking van 8 maart 2012 in de zaak van [verzoekster], wonende te [plaats], verzoekster, advocaat dr.mr. A.J. Van te Amsterdam, tegen 1. de stichting STICHTING ANTONI VAN LEEUWENHOEK ZIEKENHUIS, gevestigd te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. W.R. Kastelein te Utrecht, 2. de naamloze vennootschap HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, advocaat mr. K.E. Verzijden te Amsterdam. Verzoekster zal hierna [verzoekster] genoemd worden. Verweersters zullen hierna ieder afzonderlijk AVL en HDI genoemd worden en zullen gezamenlijk worden aangeduid als AVL c.s. 1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek om te beslissen over een deelgeschil van 28 juli 2011, met producties, van [verzoekster], - de tussenbeschikking van 25 augustus 2011, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verweerschrift met producties van AVL, - het verweerschrift met producties van HDI, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 oktober 2011, - de brieven van 16 november 2011, 7 december 2011 en 19 december 2011 van [verzoekster] en AVL c.s. gezamenlijk, - de brief van 8 december 2011 van [verzoekster], - het aanvullend verzoekschrift om te beslissen over een deelgeschil, met producties, van [verzoekster], - de brief van 22 december 2011 van AVL, - het aanvullend verweerschrift inzake deelgeschil van AVL c.s., - de brief van 26 januari 2012 van [verzoekster]. 2. De feiten 2.1. Bij verzoekschrift van 28 juli 2011 heeft [verzoekster] een deelgeschil aan de rechtbank voorgelegd. 2.2. De beslissing is na de mondelinge behandeling van het verzoekschrift en de door AVL c.s. ingediende verweerschriften aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te geven de mogelijkheden voor een schikking te bezien. 2.3. Een email van 5 december 2011 van de raadsman van [verzoekster] aan de heer [X] (werkzaam bij schaderegelingsbureau Andriessen Expertise, hierna: de heer [X]) houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “(..) Hoewel wij het niet eens zijn met uw argumentatie, is cliënte bereid finale kwijting te verlenen tegen betaling van een schadevergoeding van € 12.500,-. Daarbij gelden als voorwaarden dat (..) de kosten van buitengerechtelijke bijstand volledig worden voldaan (anders zullen die alsnog in mindering strekken op haar schadevergoeding). Als bijlage bij dit bericht vindt u een overzicht van de tijd die ik aan de behandeling van deze zaak heb besteed. Het gaat daarbij om twee dossiers: het ‘gewone’ dossier (..) en het deelgeschildossier (..). Totaal: € 11.227,65. (..)” 3. Het deelgeschil 3.1. Het aanvullend verzoek van [verzoekster] houdt in dat zij de rechtbank verzoekt om een beslissing te nemen over de volgende twee vragen: 1) wat is een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in de periode voorafgaand aan de deelgeschilprocedure? 2) wat is een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in het kader van de deelgeschilprocedure (inclusief de onderhandelingen die tijdens de aanhouding zijn gevoerd en het opstellen van dit aanvullende verzoekschrift)? Voorts verzoekt zij de rechtbank de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten en AVL c.s. te veroordelen tot betaling daarvan. 3.2. [verzoekster] heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Bij aanvang van de rechtsbijstand door haar raadsman is tussen hen overeengekomen dat hij voor haar gefinancierde rechtsbijstand zou aanvragen, maar dat een beroep daarop niet mogelijk is als de kosten van rechtsbijstand op een derde kunnen worden verhaald. In dat geval komen de advocaatkosten voor rekening van de derde. Indien de derde de advocaatkosten niet volledig betaalt, komt het restant voor rekening van [verzoekster]. Thans is tussen partijen overeenstemming bereikt, inhoudende dat AVL c.s. een bedrag van € 12.500,00 betaalt aan [verzoekster]. [verzoekster] heeft daaraan echter de voorwaarde verbonden dat de advocaatkosten (zowel buitengerechtelijk als in het kader van de deelgeschilprocedure) volledig worden gedragen door AVL c.s. De kosten gemaakt voorafgaand aan de deelgeschilprocedure bedragen € 4.748,10 en de kosten gemaakt in het kader van de deelgeschilprocedure bedragen in totaal € 8.799,94. AVL c.s. wil slechts een gedeelte van deze kosten vergoeden, wat er (als gevolg van de met de raadsman gemaakte afspraak) toe zou leiden dat [verzoekster] een deel van de advocaatkosten voor eigen rekening zal moeten nemen. 3.3. AVL c.s. voert verweer en voert daartoe aan dat tussen partijen de aansprakelijkheid van AVL c.s. niet vast staat. Desalniettemin hebben partijen overeenstemming bereikt over betaling van een schadevergoeding van € 12.500,00 aan [verzoekster]. Partijen zijn er daarbij van uitgegaan dat over de buitengerechtelijke kosten overeenstemming zou kunnen worden bereikt, uitgaande van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten waarvan door [verzoekster] inzake het deelgeschil vergoeding was verzocht, ter hoogte van € 3.958,73. De tussen [verzoekster] en haar advocaat gemaakte afspraak over de advocaatkosten kan er niet toe leiden dat de dubbele redelijkheidstoets opzij wordt gezet. AVL c.s. verzoekt de rechtbank dan ook om te beslissen het verzoek van [verzoekster] niet te honoreren voor zover de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv het bedrag van € 5.000,00 te boven gaan en de kosten te begroten met inachtneming van het aantal uren (14,70) dat AVL c.s. wel bereid is te vergoeden. 4. De beoordeling 4.1. De rechter door wie de tussenbeschikking van 25 augustus 2011 is gewezen heeft de onderhavige beschikking niet kunnen wijzen omdat zij niet meer in één van de handelsteams van de sector civiel van deze rechtbank werkzaam is. 4.2. Het verzoek van [verzoekster] leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. In haar oorspronkelijk verzoekschrift van 28 juli 2011 verzocht [verzoekster] in het kader van de deelgeschillenprocedure te beslissen over de vraag wie van de twee verweerders aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster]. Blijkens het proces-verbaal van behandeling van dat verzoekschrift ter zitting van 27 oktober 2011 is de zaak aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te bieden een schikking te bereiken. Vervolgens heeft [verzoekster] een aanvullend verzoekschrift ingediend waarbij zij haar oorspronkelijk verzoek heeft gewijzigd. Uit de bij dat aanvullend verzoekschrift overgelegde email van 5 december 2011 blijkt dat [verzoekster], nadat partijen daarover na de zitting van 27 oktober 2011 verder onderhandeld hadden, weliswaar bereid is in te stemmen met betaling van € 12.500,00 tegen finale kwijting (kennelijk zonder erkenning van aansprakelijkheid), als zij daarenboven de kosten van buitengerechtelijke bijstand volledig vergoed krijgt. Over de omvang van die kosten van buitengerechtelijke bijstand hebben partijen vervolgens geen overeenstemming weten te bereiken. Een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot zowel te vergoeden schade (in hoofdsom) als kosten van buitengerechtelijke bijstand is daardoor niet tot stand gekomen. Uit het aanvullend verzoekschrift valt op te maken dat [verzoekster] de rechtbank thans in het kader van dit deelgeschil verzoekt met betrekking tot de kosten van buitengerechtelijke bijstand een beslissing te geven. Nu partijen elkaar blijkens de email van 5 december 2001 reeds in belangrijke mate waren genaderd over een te vergoeden bedrag in hoofdsom, maar daarover geen definitieve overeenstemming hebben weten te bereiken omdat zij verdeeld bleven over te vergoeden kosten van buitengerechtelijke bijstand, kan een beslissing over die kosten bijdragen aan het alsnog totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst. Wat is een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in de periode voorafgaand aan de deelgeschilprocedure? 4.3. [verzoekster] heeft gesteld dat voorafgaand aan de deelgeschilprocedure 15 uur aan de zaak zijn besteed, niet alleen door haar raadsman, maar ook door zijn kantoorgenote en een medisch adviseur. De kosten voor deze werkzaamheden (inclusief BTW) bedragen € 4.748,10, volgens [verzoekster]. 4.4. In artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat als vermogenschade mede voor vergoeding in aanmerking komen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.