← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7355

RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/985 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2012 in de zaak tussen [naam eiseres], te [plaatsnaam], eiseres (gemachtigde: mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Amsterdam), verweerder (gemachtigde: R. Zaagsma). Procesverloop Eiseres heeft verweerder bij brief van 31 augustus 2010 toestemming gevraagd om vanaf 1 augustus 2011 haar uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te exporteren naar Senegal. Bij brief van 21 september 2010 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat, omdat zij heeft laten weten dat ze met ingang van 1 augustus 2011 in Senegal gaat wonen, haar WAO-uitkering met ingang van 1 augustus 2011 zal worden beëindigd. Verweerder heeft het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar bij besluit van 7 maart 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni

  1. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd. Feiten 1.
  2. Eiseres ontvangt een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
  3. Eiseres heeft een zoon ([naam zoon]), geboren in 2003, die lijdt aan de stoornis PDD-NOS in combinatie met ADHD. [naam zoon] is vanwege zijn aandoeningen dagelijks aangewezen op veel hulp, begeleiding en ondersteuning. 1.
  4. De vader van [naam zoon] heeft de Senegalese nationaliteit en woont in Senegal. Hij mag niet in Nederland wonen of er langdurig verblijven. 1.
  5. In haar verzoek van 31 augustus 2010 geeft eiseres aan dat zij [naam zoon] de ondersteuning die hij nodig heeft niet volledig kan bieden. Die ondersteuning kan – aldus eiseres – door haar wel worden geboden samen met de in Senegal wonende vader en overige familie van [naam zoon]. Op grond van deze omstandigheden heeft eiseres het plan opgevat om met [naam zoon] te gaan wonen in Senegal. Het plan wordt volgens eiseres ondersteund door de behandelend psychiater van [naam zoon], zijn school en de maatschappelijke begeleiding. Eiseres stelt dat het plan uitsluitend uitvoerbaar is als zij meeverhuist. 1.
  6. Eiseres is in augustus 2011 niet verhuisd naar Senegal maar naar Spanje. Haar WAO-uitkering is niet beëindigd. Overwegingen
  7. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of verweerders brief van 21 september 2010 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  8. In verweerders brief aan eiseres van 21 september 2010 staat onder meer: “U ontvangt van ons een WAO-uitkering. Op 31 augustus 2010 heeft u ons laten weten dat u mogelijk met ingang van 1 augustus 2011 in Senegal gaat wonen. Alhoewel wij uw situatie begrijpen zal u daarom met ingang van 1 augustus 2011 geen WAO-uitkering meer ontvangen. Senegal en Nederland hebben namelijk geen verdrag gesloten over de controle op de uitkeringen. Als u weer in Nederland gaat wonen of als Nederland en Senegal alsnog een verdrag sluiten, kunt u mogelijk weer een WAO-uitkering krijgen. (…)”. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd verklaard dat deze brief niet kan worden gekwalificeerd als een besluit waarbij de WAO-uitkering van eiseres wordt beëindigd. 4.
  9. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 21 september 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb omdat deze brief niet zelfstandig op rechtsgevolg is gericht. Pas op het moment dat eiseres zich in Senegal vestigt, zal verweerder een besluit tot beëindiging van haar WAO-uitkering kunnen nemen. De brief van 21 september 2010 bevat naar het oordeel van de rechtbank slechts de informatieve mededeling aan eiseres dat haar uitkering zal worden beëindigd als zij zich in Senegal zal vestigen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) biedt de WAO geen expliciete bevoegdheid om het exportverbod buiten toepassing te laten in geval van een onbillijkheid van overwegende aard. De WAO biedt verweerder dus geen beslissingsruimte op dit punt. 4.
  10. De stelling van eiseres dat het onevenredig bezwarend voor haar is dat zij een beëindigingsbesluit van haar uitkering moet afwachten, wat in de praktijk inhoudt dat zij eerst naar Senegal moet verhuizen, alvorens zij de beëindiging van de uitkering door de rechter kan laten toetsen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Awb geeft de bestuursrechter nu eenmaal geen ruimte een informatieve mededeling die geen besluit in de zin van deze wet is, te toetsen.
  11. Nu de brief van 21 september 2010 geen besluit in de zin van de Awb is, was hiertegen geen bezwaar mogelijk. Verweerder had het bezwaar van eiseres dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Nu hij dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres en dit alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit meer te nemen op het bezwaar.
  12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart het bezwaar tegen de brief van 21 september 2010 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan eiseres; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. W.A. Swildens en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september
  13. griffier voorzitter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.