← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2934

RECHTBANK AMSTERDAM BESCHIKKING VERVALLEN VERKLARING AANWIJZING Team: Jeugd Zaak- en rekestnummers: 498600/JE RK 11-2396, 499192/JE RK 11-2481 Beschikking van de kinderrechter van bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van de verzoeken van: [moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [plaats] bijgestaan door de advocaat mr. C. Stroobach en de doventolk mevrouw S. Huft en [vader], hierna te noemen de vader, wonende te [plaats], bijgestaan door de advocaat mr. C. Stroobach en de doventolk mevrouw S. Huft tegen de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna ook te noemen: de WSS, gevestigd te Diemen, strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing, gegeven in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, [ACHTERNAAM], [A], geboren te Amsterdam op [1999], [B], geboren te Amsterdam op [2001], [C], geboren te Amsterdam op [2006], verder te noemen de minderjarigen. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de ouders en de minderjarige [A]. VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE: Op 22 augustus 2011 heeft de WSS aan de ouders een schriftelijke aanwijzing doen toekomen inzake de minderjarigen. Op 23 augustus 2011 heeft de raadsvrouw van de vader per fax een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing. Op 23 augustus 2011 heeft de raadsvrouw van de moeder per fax een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing. Het verzoekschrift met bijlagen is op 24 augustus 2011 per post op de rechtbank ontvangen. De WSS heeft geen verweerschrift ingediend. Op 2 november 2011 heeft de kinderrechter de behandeling van de verzoeken ter terechtzitting behandeld waarbij op 8 november 2011 de uitspraak is bepaald. De kinderrechter houdt rekening met de beschikking van 8 november 2011, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De zaak is voorts behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 april

  1. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Verschenen en gehoord zijn: -de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. C. Stroobach; en de doventolk mevrouw S. Huft; -de vader, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C. Stroobach en de doventolk mevrouw S. Huft; -mevrouw [D], namens de WSS. Hoewel de minderjarige [A] en haar raadsvrouw mr. H. Plantenga niet zijn opgeroepen, hetgeen wel had dienen te gebeuren, is de raadvrouw mr. H. Plantenga ter terechtzitting verschenen. GRONDEN VAN DE BESLISSING Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 9 augustus 2010 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 9 augustus
  2. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor verblijf in een AWBZ-voorziening is geldig tot 9 augustus
  3. De schriftelijke aanwijzing van de WSS gedateerd 12 augustus 2011 wordt bestreden in dier voege dat de moeder en de vader verzoeken voornoemde schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) vervallen te verklaren. De WSS, bij monde van mevrouw [D], brengt ter terechtzitting naar voren dat er enige verbetering is in het contact tussen de ouders en de hulpverlening. De ouders stellen zich beter en vriendelijker op ten opzichte van de hulpverlening. De moeder brengt éénmaal per maand op zaterdagochtend een bezoek aan de minderjarigen in het gezinshuis. Als bij de vader tweemaal de bezoeken op het kantoor van de WSS goed verlopen dan kan de vader de minderjarigen in het gezinshuis bezoeken. Er is nog wel boosheid bij de vader. Een keer kwam de vader onverwachts in het gezinshuis en waren de minderjarigen niet voldoende voorbereid. Het bezoek zelf liep wel goed en vader had zich daarbij goed gedragen. De vader vindt het moeilijk dat als de gezinsvoogd op huisbezoek komt om zijn boosheid in te houden. Hij scheldt wel eens maar daarna maakt hij zijn excuses, aldus mevrouw [D]. De ouders hadden eerst geen gehoor gegeven aan de oproep van de psycholoog om met betrekking tot [A] te komen. De ouders vinden dat [A] het zelf maar moet regelen omdat [A] een psycholoog wil en de ouders er niet achter staan. Later zijn de ouders wel naar de psycholoog gegaan. De moeder merkt op dat zij niet een oproep van de psycholoog voor [A] heeft ontvangen. De WSS, bij monde van mevrouw [D], geeft te kennen dat de ouders wel de oproep van de psycholoog hebben gekregen maar dat de ouders denken dat er niets aan de hand is. Voorts merkt mevrouw [D] op dat [A] bij de psycholoog heeft gezegd dat er niets aan de hand is. Wellicht heeft Danielle dit gezegd uit loyaliteit naar haar ouders aangezien [A] eerst zei dat zij wel met een psycholoog wilde spreken. Voor [B] zou creatieve therapie ingezet worden gelet op haar emoties. De ouders hebben daar geen toestemming voor gegeven. Voorts was er nog de kwestie van de theaterweek die nog moet komen. Ik heb aan de ouders toestemming gevraagd of [B] en [A] aan activiteiten in de theaterweek konden deelnemen. De ouders wilden daarvoor geen toestemming geven. De moeder brengt naar voren dat zij aan de WSS had gevraagd, dat als [B] en [A] naar de theaterweek zouden gaan, [C] dan bij haar kon logeren. Van de WSS mocht [C] niet thuis logeren. De moeder stelt dat zij het zielig voor [C] vindt als [B] en [A] naar de theaterweek gaan en hij niets heeft. De moeder vindt het vreemd dat [C] dan niet bij haar mag logeren. Als [C] niet thuis mag logeren dan mogen [B] en [A] ook niet naar de theaterweek omdat dat niet eerlijk is ten opzichte van [C], aldus de moeder. De vader brengt naar voren dat hij een uitgebreidere omgang wil met de minderjarigen bij hen thuis. Om de twee weken kan de omgang bij hen thuis plaatsvinden. De vader vraagt zich af waarom [A] niet thuis kan komen. Zo was er de belofte van de gezinsvoogdes dat [A] op zaterdag thuis zou komen maar dat is niet gebeurd. De moeder geeft aan dat zij begrijpt dat een theaterweek leuk is voor de meisjes maar dat het nog leuker zou zijn als [C] dan bij hen kan logeren. De WSS, bij monde van mevrouw [D], merkt op dat het bij een auditieve beperking moeilijk is om vast te stellen of er ook sprake is van een verstandelijke beperking. De ouders geven aan dat zij doof zijn maar een goed verstand hebben. De WSS, bij monde van mevrouw [D], brengt naar voren dat de ouders niet voldoende inzicht hebben in wat de minderjarigen nodig hebben en waar de minderjarigen baat bij hebben om de ontwikkeling van de minderjarigen te bevorderen. Met betrekking tot [A] merkt mevrouw [D] op dat op dit moment het nog niet zover is dat [A] zonder begeleiding de weekenden naar huis kan. Ik ben bezig een begeleider te zoeken die [A] bij de omgang thuis begeleidt, aldus mevrouw [D]. Op de vraag van de raadsvrouw mr. C. Stroobach hoe de WSS de toekomst ziet met betrekking tot de omgangsregeling geeft mevrouw [D] te kennen dat er nog geen stijgende lijn is en geeft zij tevens aan dat de WSS voornemens is om een verderstrekkende maatregel aan te vragen. Wellicht dat de wens van [A] om de weekenden bij haar ouders door te brengen binnen een voogdijregeling past. Het grootste euvel is het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen zich bevinden, aldus mevrouw [D]. De raadsvrouw van de ouders bepleit ter terechtzitting gemotiveerd om uitbreiding van de omgangsregeling. De raadsvrouw vraagt zich af wat de ouders verder moeten doen om de minderjarigen vaker te zien. De opdrachten die aan de ouders zijn gegeven hebben zij gedaan. De ouders zijn naar therapie gegaan en geven daar inzicht in. De ouders willen de minderjarigen veel vaker zien. Bij het gezinshuis weten de minderjarigen niet wie zij een knuffel moeten geven. Er is heel veel pijn en verdriet van de ouders. De ouders worden niet goed geïnformeerd. De meeste informatie krijgen de ouders via het gezinshuis en niet via de gezinsvoogdes. Zo zou [C] deze week van klas veranderen. De ouders krijgen hierover geen antwoord van de gezinsvoogdes. De moeder geeft aan dat zij noch verslagen, noch informatie over school noch antwoorden op vragen van de gezinsvoogdes krijgt. De raadsvrouw merkt op dat aangezien de gezinsvoogdes de beslissingen neemt de ouders daarom de vragen stellen aan de gezinsvoogdes. Er spelen ook communicatieproblemen tussen de ouders en de gezinsvoogdes. De ouders houden zich aan de afspraken. De bezoeken worden door WSS niet nagekomen of de WSS plant net een afspraak voor bezoek als de moeder moet werken. De WSS kan daar toch ook rekening mee houden. De ouders hebben [A] vijf weken niet gezien omdat er geen begeleiding was hetgeen de ouders frustreert. Bovendien hebben de ouders er moeite mee dat [A] éénmaal per maand naar een weekendpleeggezin gaat en niet naar de ouders. Er is al sprake van loyaliteitsproblematiek en waarom moet [A] dan op zo veel verschillende plaatsen verblijven. We zijn nu negen maanden verder en de situatie is niet veranderd. Met betrekking tot [A] dient er ook een feitelijke beslissing over de omgang te komen anders gebeurt er niets. De ouders vervreemden zo steeds meer van [A]. De moeder merkt op dat de minderjarigen nu te los van hen zijn. De raadsvrouw mr. C. Stroobach persisteert, namens de ouders, bij de onderhavige verzoekschriften. De vader brengt ter terechtzitting naar voren dat hij vorige week zaterdag [A] en [B] bij een vertelwedstrijd in Amersfoort tegenkwam. We riepen hen maar er kon geen knuffel van af. Ik zag dat [A] wel een knuffel aan de pleegmoeder gaf. Ik zei toen [A] laat maar, wij gaan naar huis. Ik ben je vader het is goed met je. De ouders geven aan dat de minderjarigen los van hen zijn. De kinderrechter vraagt aan de partijen in hoeverre de moeizame relatie tussen de ouders en de WSS een rol speelt bij de omgangsregeling. De vader brengt ter terechtzitting naar voren dat hij niet boos is op zijn kinderen. De WSS brengt ter terechtzitting naar voren dat de minderjarigen naar vader trekken en met hem knuffelen. Vader maakt ook grapjes met de minderjarigen en de minderjarigen vinden het contact met hun vader absoluut leuk. Er is ook liefde van de ouders voor hun kinderen. Ten aanzien van het incident in Amersfoort is vader eerlijk. Echter hij laadt [A] wel op met een schuldgevoel. Bij het eerste bezoek had ook zoiets dergelijks plaatsgevonden. Zo van als zij mij niet willen dan bekijken zij het maar. Vader zegt dit vanuit verdriet maar dit is wel schadelijk voor de minderjarigen. De vader stelt dat hij niet boos is op de minderjarigen. De vader merkt op dat van de zijde van de WSS ook beter gecommuniceerd kan worden. De moeder voert aan dat zij heel vaak uitbreiding van de omgang hebben gevraagd maar dat dat zij nog steeds zo weinig omgang hebben met de minderjarigen. De kinderrechter overweegt het volgende. Het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling biedt de gezinsvoogd de mogelijkheid - ter uitvoering van haar taak - een schriftelijke aanwijzing te geven, welke het doel van de ondertoezichtstelling moet dienen. De met het gezag belaste ouder(s) dienen de schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Nu bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven aan de stichting zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Wet op de Jeugdzorg een zekere beleidsvrijheid toekomt, beziet de kinderrechter- gegeven de taak van de gezinsvoogd - of de gezinsvoogd voldoende gronden heeft om de schriftelijke aanwijzing op te leggen. Indien een aanwijzing de omgang tussen ouders en kinderen betreffen geldt echter ingevolge artikel 1: 263a, tweede lid dat de kinderrechter de aanwijzing vol toetst en zelf indien daar aanleiding toe bestaat een gewijzigde omgangsregeling kan vaststellen. De kinderrechter stelt vast dat de ouders en dan met name de vader de beslissing tot uithuisplaatsing van de kinderen niet hebben geaccepteerd en boos blijven op de WSS. Enerzijds kan ouders niet het recht worden ontzegt om zich niet neer te leggen bij besluiten waar zij het niet mee eens zijn, anders bevordert deze opstelling niet een goede verstandhouding met de gezinsvoogd, hetgeen wel wenselijk is in het belang van de kinderen. Anderzijds kan wel worden vastgesteld dat ouders wel meewerken aan de voorwaarden die zijn gesteld in het kader van de omgang en dat de omgang in zijn algemeenheid op zich goed verloopt. Gezien dit laatste kan het ook in het belang van de kinderen zijn dat ouders merken dat hun inzet en meewerken aan gestelde voorwaarden leidt tot meer omgang met de kinderen. Als ouders niet merken dat hun meewerken leidt tot meer contact is het risico aanwezig dat de boosheid op de WSS toe zal nemen, hetgeen niet in het belang van de kinderen is. De kinderrechter is zich er van bewust dat een uitbreiding van de omgang enigszins beperkt zal moeten zijn en dat deze uitbreiding geëvalueerd moet worden, alvorens deze uitbreiding definitief wordt of wellicht zelfs nog iets verder kan worden uitgebreid. Alles afwegende wordt besloten dat de omgang voor alle drie de kinderen met ingang van 1 juni 2012 t/m 1 februari 2013 zal worden uitgebreid naar vier uur per twee weken, bij voorkeur in het weekend. De locatie en of de omgang onder begeleiding plaats zal vinden is ter bepaling van de WSS. De WSS zal uiterlijk begin januari 2013 een nieuw besluit ten aanzien van de omgang dienen te nemen. De opmerking van de WSS dat een verderstrekkende maatregel wordt overwegen is ter kennisgeving aangenomen en heeft geen invloed gehad op de beslissing aangezien ook bij een verderstrekkende maatregel ouders ingevolge artikel 8 EVRM omgangsrecht behouden, tenzij de belangen van het kind zich daar tegen verzetten. Mitsdien wordt als volgt beslist. BESLISSING: De kinderrechter: - verklaart de schriftelijke aanwijzing d.d. 12 augustus 2011 van de WSS ten aanzien van de omgang met de kinderen vervallen, en bepaalt dat de kinderen met ingang van 1 juni 2012 tot 1 februari 2013 gedurende vier uur per twee weken (bij voorkeur in het weekend) op een door de WSS te bepalen locatie en door de WSS te bepalen begeleiding omgang hebben met de ouders; - verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2012, in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. van Gelder, griffier.. De griffier is buiten staat te tekenen . Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.