RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/993041-10 (Promis) Datum uitspraak: 20 december 2012 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], (zich noemende: [X]) geboren te [plaats] op [1958], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 februari 2011 en 6 december 2012. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. V.S.T. Leenders en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.W.J. Kerckhoffs, naar voren hebben gebracht. 2. Tenlastelegging 2.1. Verdachte wordt – na wijzigingen van de tenlastelegging op de zittingen – ¬kort gezegd verweten dat hij tezamen en in vereniging met een of meer anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan het doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2002, 2003 en 2004 door Interstate International NV, waardoor een te laag bedrag aan belastbare winst is aangegeven met als gevolg dat te weinig belasting is geheven. 2.2. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht, en geldt als hier ingevoegd. 3. Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4. Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding Uit het dossier leidt de rechtbank af dat Interstate International NV (hierna: Interstate) op 28 augustus 2002 voor € 6.025.000,- van Marshal Sarl een pand aan het Janskerkhof in Utrecht heeft gekocht. Marshal Sarl verhuurde dit pand aan een onderneming die er een hotel en een horecabedrijf in exploiteerde. Op 2 september 2002 heeft Interstate het pand voor een bedrag van € 6.675.000,- doorverkocht aan Monumentenvennootschap De Koopman van Utrecht NV (hierna: Koopman). De transportakten voor beide transacties zijn op een en dezelfde dag gepasseerd. In de aangifte vennootschapsbelasting over 2002 (hierna: aangifte Vpb 2002) heeft Interstate een herbestedingsreserve van € 645.266 voor dit pand opgenomen. Daarmee beoogde zij een herinvesteringsreserve (hierna: HIR) te creëren. In 2003 en 2004 heeft Interstate een herinvesteringsreserve voor hetzelfde bedrag in haar jaarcijfers opgenomen. In deze zaak gaat het in essentie om de vraag of Interstate opzettelijk onjuiste aangiften Vpb over de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft gedaan en zo ja, of verdachte daaraan (mede) feitelijke leiding heeft gegeven. 4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijk requisitoir en onder verwijzing naar een bewijsmiddelenoverzicht gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit voor het belastingjaar 2002. Wat de belastingaangiften over de jaren 2003 en 2004 betreft heeft hij vrijspraak gevorderd vanwege onvoldoende bewijs van betrokkenheid van verdachte bij het doen van deze belastingaangiften. 4.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging komt op het volgende neer. De belastingaangiften zijn correct, omdat terecht een HIR is opgenomen. Ten tijde van de aankoop van het pand in 2002 bestond het voornemen in het pand voor eigen risico te beleggen. Het pand vormde daarom een bedrijfsmiddel voor Interstate. Daar veranderde niets aan door de verkoop van het pand in hetzelfde jaar. Voor zover onjuiste belastingaangiften zijn ingediend, heeft Interstate dat niet opzettelijk gedaan. De belastingaangiften waren in dat geval gebaseerd op een onjuist advies van haar belastingadviseurs, waarop zij mocht vertrouwen. Verder heeft verdachte geen feitelijk leiding gegeven aan het doen van de onjuiste belastingaangiften. Vanaf 2003 bemoeide verdachte zich nauwelijks meer met Interstate vanwege zijn vertrek naar Japan. Hij had ook geen bevoegdheid beslissingen te nemen over het indienen van belastingaangiften. Verdachte had bovendien onvoldoende fiscale kennis om te beoordelen of de belastingaangiften juist of onjuist waren. Ten slotte is als gevolg van de onjuiste belastingaangifte niet te weinig belasting is geheven. Interstate beschikte over compensabele verliezen, waardoor de te betalen belasting nihil was. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Onjuiste belastingaangifte 4.4.1 De belastingdienst heeft terecht vastgesteld dat Interstate als gevolg van het opnemen van de HIR in de belastingaangifte Vpb 2002 een onjuiste belastingaangifte heeft ingediend. Uit het dossier blijkt niet dat Interstate ten tijde van de aankoop het voornemen had zelf in het pand een hotel en horeca te exploiteren. Nu het pand voorts in zeer korte tijd is doorgeleverd, moet worden vastgesteld het pand geen bedrijfsmiddel in de zin van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: wet IB 2001) was. Dat Interstate voornemens was het pand als belegging aan te houden, doet, wat daarvan ook zij, daaraan niet af. Overigens blijkt dat ook niet uit het dossier. Evenmin is gebleken dat op het moment van verkoop van het pand het voornemen bestond binnen drie jaar in een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 3.54 wet IB 2001 te herinvesteren. Opzet 4.4.2 De vraag is vervolgens of Interstate deze onjuiste belastingaangifte opzettelijk heeft gedaan. Op 8 april 2004 heeft de belastingdienst de aangifte Vpb 2002 van Interstate ontvangen. [functie] [A] (hierna: [A]) van Brada Kuttner Advocaten & Belastingadviseurs heeft de conceptbelastingaangifte Vpb 2002 onder begeleidend schrijven van 16 maart 2002 aan Interstate t.a.v. de directie gestuurd. In deze conceptaangifte Vpb 2002 was geen HIR opgenomen. De belastingadviseur schrijft in deze brief onder meer: “Omdat de vennootschap zelf geen onroerende zaken exploiteert, is voor de behaalde boekwinst op verkoop van onroerende zaken geen herinvesteringsreserve gevormd. Indien er echter een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen aanwezig is, dan kunnen wij dit alsnog verwerken.” Uit verklaringen van [B] (hierna: [B]) en [C] (hierna: [C]) blijkt dat vervolgens op 30 maart 2004 een bespreking op kantoor van accountant THW, de accountant van Interstate, heeft plaatsgevonden, waar de concept aangifte Vpb 2002 is besproken. Bij deze bespreking waren in ieder geval [B] en [C] aanwezig. Vervolgens heeft de belastingadviseur van Interstate onder begeleidend schrijven van 2 april 2004 een herziene aangifte Vpb 2002 met daarin een HIR opgesteld en verstuurd naar de directie van Interstate. Ter toelichting schrijft de belastingadviseur in zijn begeleidende brief: “Hoewel de vennootschap thans geen onroerende zaken exploiteert, is voor de behaalde boekwinst op uw verzoek toch een herinvesteringsreserve gevormd. De directie dient er daarom voor zorg te dragen dat er een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen aanwezig is. Ook specificatie 3 (aandeelhouders) is naar aanleiding van onze laatste bespreking aangepast.” Uit deze brief volgt dat de HIR op verzoek van Interstate in de belastingaangifte Vpb 2002 is opgenomen. De belastingadviseur wijst Interstate in de brief van 2 april 2004 erop dat er een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen moet zijn. Het verweer dat Interstate zich niet bewust was dat de HIR ten onrechte werd opgenomen in de belastingaangifte, slaagt daarom niet. [C] was als fiscalist juist specifiek met het oog op fiscale onderwerpen aangesteld als (middellijk) directeur van Interstate . Hij wist, of had op zijn minst moeten weten, dat de HIR ten onrechte in de belastingaangifte werd opgenomen, te meer na de opmerkingen daarover van belastingadviseurs [B] en [A]. Dat [B] en [A] door het tuchtorgaan van de NOB een waarschuwing hebben gekregen, omdat zij de HIR niet zonder feitelijke onderbouwing in de aangifte Vpb 2002 hadden mogen opnemen, doet aan het voorgaande niet af. Uit het voorgaande volgt dat Interstate opzettelijk een onjuiste aangifte Vpb 2002 heeft gedaan door een HIR op te nemen van € 645.266. Dat geldt dus ook voor de aangiften Vpb 2003 en 2004. Feitelijke leiding 4.4.3 Verdachte is volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting van 24 februari 2011 en zijn ter terechtzitting overgelegde schriftelijke verklaring d.d. 9 november 2011 advocaat en heeft zich gedurende vele jaren zakelijk beziggehouden met vastgoedinvesteringen en vastgoedondernemingen. Hij heeft op dat vlak een expertise opgebouwd. Verder is tijdens het onderzoek ter terechtzitting de rechtbank gebleken dat verdachte intelligent en zeer nauwgezet is. Verdachte is volgens zijn eigen verklaring, die hij ter terechtzitting op 24 februari 2011 heeft afgelegd, in ieder geval vanaf 2000 betrokken geweest bij Interstate. Uit deze verklaring blijkt dat hij op enig moment aandeelhouder van Interstate is geworden, in 2002 de andere aandeelhouders vertegenwoordigde, namens Interstate onderhandelingen voerde met de huurder van het gekochte pand, [C] als directeur van Interstate heeft aangesteld en namens Interstate contact onderhield met de belastingadviseur, de accountant en de belastingdienst. Verder blijkt uit de verklaring van [D] dat verdachte eerder haar als [functie] van Interstate heeft aangesteld, haar aanstuurde en betalingen accordeerde. Verdachte was vanaf 10 december 2002 tot en met 13 mei 2003 middellijk bestuurder van Interstate. Niet is gebleken dat verdachte de overige aandeelhouders in 2004 niet langer vertegenwoordigde. Hoewel [C] per 23 juli 2003 middellijk [functie] van Interstate is geworden, is niet gebleken dat verdachte sindsdien niet langer nauw betrokken was bij Interstate of niet langer zeggenschap had over de gang van zaken bij Interstate. Uit verklaringen van [B] en [C] blijkt dat verdachte bij de hiervoor beschreven bespreking op 30 maart 2004 aanwezig was. Nu verdachte zelf verklaart dat hij in maart 2004 bij een bespreking is geweest waarbij [B] en [C] aanwezig waren, kan het niet anders dan dat dit de bespreking van 30 maart 2004 is geweest. Tijdens deze bespreking is de conceptaangifte Vpb 2002 besproken, waaronder de opname van de HIR in deze aangifte. Dit blijkt ten eerste uit de verklaring van [C]. Voorts is kort na de bespreking de conceptaangifte herzien in die zin dat daarin een HIR is opgenomen en wordt in de begeleidende brief bij de herziene conceptaangifte naar de laatste bespreking verwezen. Gelet op zijn nauwe band met Interstate in 2002 en de aankoop en de verkoop van het pand in 2002 was verdachte van de aanwezigen de enige die kon zeggen of in 2002 een herinvesteringsvoornemen bestond. Uit het dossier blijkt niet dat in 2002 of daarna een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen bestond. Verdachte is blijkens de verklaring van [B] van 9 februari 2012 over de herinvesteringsreserve voorgelicht. Gelet op het voorgaande, de specifieke deskundigheid die verdachte had opgebouwd op het gebied van vastgoedinvesteringen en de omstandigheid dat verdachte zich heeft laten voorlichten over de herinvesteringsreserve, wist verdachte, dan wel had hij moeten weten dat in 2002 noch in 2004 een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen bestond. UIt het voorgaande volgt dat verdachte en [C] bewust en nauw hebben samengewerkt. Deze bewuste en nauwe samenwerking heeft er in geresulteerd dat Interstate bewust een onjuiste aangifte Vpb 2002 heeft ingediend. Strekkingsvereiste 4.4.4 Toen Interstate in 2004 de belastingaangifte Vpb 2002 indiende, betwistte de belastingdienst de compensabele verliezen uit eerdere jaren. Interstate kon als gevolg daarvan op dat moment haar winst niet met eerdere verliezen compenseren. Over de behaalde winst zou zij in 2002 € 221.368 vennootschapsbelasting zijn verschuldigd. De opname van de HIR strekte ertoe dat € 645.266 minder winst werd behaald, waardoor €221.368 minder belasting zou worden geheven. Het is niet voorstelbaar dat verdachte en Interstate zich niet hebben gerealiseerd dat hun handelen de gerede mogelijkheid meebracht dat te weinig belasting zou worden geheven. Dat de belastingdienst in een situatie waarbij de compensabele verliezen ter discussie worden gesteld, mogelijk uitstel van betaling van de verschuldigde belasting zou hebben verleend, doet aan het voorgaande niet af. Evenmin doet daaraan af dat de bestuursrechter uiteindelijk heeft geoordeeld dat Interstate over compensabele verliezen beschikte, waardoor alsnog over het jaar 2002 geen belasting was verschuldigd. Daarnaast zou acceptatie van de HIR ertoe hebben geleid dat de compensabele verliezen niet in 2002 werden aangewend, maar mogelijk later, waardoor dan te weinig belasting zou zijn betaald, indien winst werd behaald. Vrijspraak voor 2003 en 2004 4.4.5 De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte bemoeienis had met de aangiften Vpb 2003 en 2004. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Conclusie 4.4.6 De conclusie luidt dat verdachte tezamen en in vereniging feitelijk leiding aan het doen van een onjuiste aangifte Vpb 2002 door Interstate heeft gegeven. 5. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat Interstate International NV in de periode van 1 maart 2004 tot en met 15 mei 2006 in Nederland opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2002, onjuist heeft gedaan, immers heeft Interstate International NV opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Amsterdam ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd jaar een te lage belastbare winst opgegeven, door een herinvesteringsreserve van € 645.266,- op te nemen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met een ander, feitelijke leiding heeft gegeven. 6. De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7. De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8. Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 47.500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 272 dagen. De officier van justitie heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. In beginsel zou hij een geldboete van € 50.000 hebben geëist. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit en erop gewezen dat de redelijke termijn is overschreden. Verder is een werkstraf lastig voor verdachte uit te voeren, aangezien hij inmiddels in Zwitserland woont. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Bij de hierna te noemen strafoplegging heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Interstate heeft over 2002 bewust een onjuiste belastingaangifte Vpb gedaan. Verdachte heeft daaraan meegewerkt. Door deze onjuiste belastingaangifte werd getracht over een bedrag van € 645.266 geen vennootschapsbelasting te betalen. Het benadelingsbedrag was daardoor in 2002 € 221.368. Door zo te handelen heeft verdachte de belastingdienst en daarmee de maatschappij fors willen benadelen. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank laten meewegen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 november 2012 niet eerder is veroordeeld. Verder is de redelijke termijn is overschreden en is de daartoe door de officier van justitie voorgestelde strafkorting passend. De rechtbank acht het opleggen van een boete overeenkomstig de vordering van de officier van justitie een passende en geboden reactie. Aangezien het bewezen verklaarde feit lang geleden is gepleegd, bestaat geen aanleiding daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. 9. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht. 10. Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] (zich noemende: [X]), daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 47.500 (zevenenveertigduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 272 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, mrs. A.E.J.M. Gielen en B.T. Beuving, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 december 2012. Bijlage I Tenlastelegging [verdachte] Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Interstate International NV, in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 15 mei 2006, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.