RECHTBANK AMSTERDAM KORT GEDING AFDELING PRIVAATRECHT TEAM KANTON Kenmerk : KK 13-1144 Datum : 8 augustus 2013 438 Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam op de vordering in kort geding in de zaak van: de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eiseres nader te noemen Rochdale gemachtigde: mr. J. Groenewoud t e g e n: 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] gemachtigde mr. R.F. de Jong en3. [gedaagde 3] 4. [gedaagde 4] gemachtigde mr. O.H.A. Mo-Ajok en 5. [gedaagde 5] gemachtigde mr. T. de Heer allen wonende te [woonplaats] gedaagden tezamen nader te noemen [gedaagden] en voorts tegen6. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF GEDEELTE DAARVAN, GELEGEN TE [adres], gedaagden, niet verschenen. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij dagvaarding van 22 juli 2013 heeft Rochdale een voorziening gevorderd. Ter terechtzitting van 1 augustus 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Rochdale is verschenen bij [naam 1]en[naam 2], vergezeld door haar gemachtigde. Aan de zijde van gedaagden zijn verschenen [gedaagde 2], [gedaagde 4] en [gedaagde 5], vergezeld door hun respectievelijke gemachtigden. De overige gedaagden zijn verschenen bij hun respectievelijke gemachtigden. Bij de zitting waren voorts onder meer aanwezig [naam 3] en [naam 4], wijkagenten. Vervolgens is vonnis bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende 1.1. Rochdale verhuurt met ingang van 12 mei 1999 aan gedaagde sub 1 de woning aan de [adres], hierna: het gehuurde. Gedaagde sub 2 is als echtgenote medehuurster. Deze beide gedaagden zullen hierna kortheidshalve worden aangeduid als ‘de huurders’. 1.2. De woning wordt thans ook bewoond door gedaagden sub 3 en 4, volwassen zonen van de huurders, en gedaagde sub 5, een (ex)schoonzoon van de huurders. Voorts wordt de woning bewoond door drie minderjarige kinderen van de huurders. 1.3. In februari 2010 is gedaagde sub 2 met enkele minderjarige kinderen verhuisd naar een andere woning, gedaagde sub 1 is toen met de meerderjarige kinderen in het gehuurde achtergebleven. Nadien heeft gedaagde sub 2 ook vaak in het gehuurde verbleven. In elk geval vanaf 8 mei 2013 wonen gedaagde sub 2 en de minderjarige kinderen weer in het gehuurde. 1.4. Bij brief van 13 mei 2013 van de burgemeester van Amsterdam is aan de huurders medegedeeld dat zij tezamen met hun gezinsleden als dader worden aangemerkt in de zin van het project Treiteraanpak, in verband met misdragingen als in die brief genoemd. Dat betrof hangen en roken in en vervuilen van de portiek c.a., bedreigen en intimideren van omwonenden, geluidsoverlast, vernielingen om de woning, misdragingen van de kinderen in de wijk en overlast door bezoek. In genoemde brief werd voorts medegedeeld dat dit gedrag door de gemeente Amsterdam niet werd geaccepteerd en dat, om dit gedrag te doen stoppen, het stadsbestuur, de politie, het OM, de woningcorporaties en de betrokken zorginstellingen hun informatie zouden delen. Tenslotte werd medegedeeld dat voortzetting van dit gedrag zal worden beantwoord met ingrijpende maatregelen zoals ‘de inzet van juridische instrumenten’. 1.5. Onderdeel van het project Treiteraanpak vormt het ophangen van camera’s, door Rochdale in het gemeenschappelijke portaal en trappenhuis en door de gemeente in de openbare ruimte rond (het pand met daarin) het gehuurde. 1.6. Op 22 mei 2013 heeft de wijkagent in het kader van een buurtonderzoek bezoeken afgelegd bij de bewoners van de woningen aan het trappenhuis waaraan het gehuurde is gelegen. Op 5 juni 2013 hebben de wijkagent en een medewerkster van Rochdale bezoeken gebracht aan omwonenden en brieven aan hen bezorgd, met informatie over het project Treiteraanpak en met een oproep om eventuele klachten te melden. 1.7. Bij brief van 24 mei 2013 aan de burgemeester van Amsterdam heeft gedaagde sub 4 op de brief van de burgemeester van Amsterdam d.d. 13 mei 2013 gereageerd. 1.8. Op 27 mei 2013 heeft een medewerkster van Rochdale aangifte gedaan tegen gedaagde sub 4 wegens agressief gedrag en bedreigingen met geweld. Dit naar aanleiding van een incident waarbij deze gedaagde zich tot deze medewerkster en een andere huurder heeft gewend, die vlak voor het kantoor van Rochdale in gesprek waren. Deze gedaagde verweet de andere huurder een ‘verrader’ te zijn door met Rochdale te hebben gepraat, waardoor zijn kinderen uit huis zijn geplaatst, aldus de aangifte. 1.9. Op 2 juli 2013 is door de burgemeester van Amsterdam een zogenoemde ‘Einde interventieverklaring’ afgegeven, waarin wordt geconcludeerd dat de aan het project Treiteraanpak deelnemende instanties tot de conclusie zijn gekomen dat [gedaagden] in hun huidige woning niet te handhaven zijn wegens grensoverschrijdend gedrag. Vordering 2. Rochdale vordert als voorziening, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zoals geformuleerd in de dagvaarding: gedaagden te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de woning aan de [adres] met de daarin vanwege gedaagden aanwezige goederen en personen te verlaten, met overgifte aan Rochdale van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Rochdale te stellen op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, althans een door de voorzieningen rechter in goede justitie nader te bepalen dwangsom; gedaagden sub 1 en 2 hoofdelijk te veroordelen om de huur € 525,05 (bruto) per maand te betalen tot aan de dag van de ontruiming; gedaagden hoofdelijk te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Rochdale te betalen de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 BW, zijnde een bedrag van € 5.625,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks onder meer ingevolge het bepaalde in artikel 6:119 jo 6:120 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; gedaagden hoofdelijk te veroordelen om de kosten van de ontruiming aan Rochdale te voldoen, zulks binnen zeven dagen na toezending van en conform het proces-verbaal van ontruiming van de deurwaarder (waaraan de eventuele nota's van de bij de ontruiming ingeschakelde derden zullen zijn gehecht; een en ander conform artikel 9 lid 3 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders), althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks onder meer ingevolge het bepaalde in artikel 6: 119 jo 6: 120 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder uitdrukkelijk mede begrepen de na de uitspraak nog vallende kosten (voor wat betreft het salaris van de advocaat ad € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening). 3. Rochdale stelt dat zij al vanaf ongeveer 2000 klachten over overlast van omwonenden ontvangt. Zij heeft naar aanleiding daarvan vele gesprekken gevoerd met [gedaagden] In verband met die klachten is aan gedaagde sub 2 in 2010 een andere woning aangeboden, maar dat bleek geen oplossing. Er is al jarenlang sprake van overlastgevend gedrag als genoemd in de onder 1.4 bedoelde brief en dit heeft derhalve een structureel karakter. Onderdeel daarvan is de intimidatie van omwonenden zodat deze geen klacht durven in te dienen, althans niet met naam en adres bekend willen worden. Dat er sprake is van structurele ernstige overlast aan omwonenden blijkt voldoende uit de overgelegde politierapporten. Ook wordt verwezen naar de bedreigingen van een medewerker van Rochdale, van de gezinsvoogd en van een medewerker van DWI. Ondanks de inspanningen van Rochdale en gesprekken door de burgemeester met onder meer [gedaagden], is de situatie ongewijzigd. Rochdale heeft spoedeisend belang bij haar vordering omdat het (ook) om de belangen van omwonenden en om een sociale huurwoning gaat. Door een ontruiming hoeven [gedaagden] niet dakloos te worden omdat hen vervangende woonruimte zal worden aangeboden, zij het onder voorwaarden en in een nog nader te bepalen vorm, aldus – steeds – Rochdale. 4. Wegens de behandeling en afhandeling van de op jaarbasis ongeveer 300 gevallen van onrechtmatige bewoning en overlast moet Rochdale kosten maken, in totaal circa € 600.000,- per jaar. Rochdale verlangt vergoeding van de in deze zaak gemaakte kosten op grond van artikel 6:96 BW. Hierop is de Wet Normering B.I.K. van 1 juli 2012 (hierna: de wet) niet van toepassing. Rochdale vordert de in deze zaak daadwerkelijk gemaakte kosten, ook wegens werkzaamheden door haar eigen medewerkers. In 2013 heeft Rochdale tenminste 150 uur besteed aan dit geval, hetgeen bij een uurtarief van € 37,50 neerkomt op een totaal bedrag van € 5.625,-, aldus Rochdale. 5. Volgens Rochdale heeft zij belang bij het vorderen van een dwangsom op de ontruiming omdat van haar niet kan worden gevergd te wachten op een volgende ‘ontruimingsronde’ van de deurwaarder. Voor het geval [gedaagden] niet vrijwillig ontruimen maakt Rochdale aanspraak op vergoeding van de te maken kosten van een gedwongen ontruiming. Verweer 6. [gedaagden] voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering en voeren - kort samengevat – het volgende aan. Rochdale heeft onvoldoende spoedeisend belang en voorts zijn voor een beslissing feitenonderzoek en bewijsvoering nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. Door Rochdale is in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat zij overlast aan omwonenden hebben veroorzaakt. Voor 2010 heeft Rochdale hen daar nooit op aangesproken, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen indien er al vanaf 2000 sprake was van overlastklachten. Voorts heeft Rochdale haar stellingen niet onderbouwd met concrete gegevens over incidenten waaruit die overlast zou hebben bestaan en heeft zij evenmin klachtbrieven overgelegd. Uit de door Rochdale overgelegde politierapporten blijkt in elk geval dat er (in elk geval recent) geen sprake is geweest van overlast. Dit laatste kan ook worden afgeleid uit het feit dat geen camerabeelden worden overgelegd, aldus – steeds – [gedaagden] Zij verwijzen ook naar door hen overgelegde verklaringen van buurtbewoners, waaruit blijkt dat [gedaagden] zich juist sociaal opstellen en dat van overlast geen sprake is. Het incident waarop de onder 1.8 bedoelde aangifte betrekking had werd veroorzaakt doordat gedaagde sub 4 geprikkeld was omdat door toedoen van de voogdij instelling zijn kinderen uit huis waren geplaatst en hij zich ergerde aan het gedrag van de betreffende omwonende. Voor zover er sprake is geweest van incidenten als door Rochdale bedoeld bestaat er onvoldoende verband tussen die incidenten en de bewoning van het gehuurde, althans rechtvaardigen deze geen ontruiming van het gehuurde. Door Rochdale, de gemeente en anderen worden [gedaagden] gestigmatiseerd en zij worden als Roma’s gediscrimineerd. Het ophangen van camera’s vormt een ernstige inbreuk op hun privacy. 7. [gedaagden] voeren ook aan dat Rochdale ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de verschillende gedaagden. De huurders voeren aanvullend aan dat gedragingen van anderen geen tekortkoming van hen als goed huurder oplevert. Daarnaast beroepen gedaagden sub 3 tot en met 5 zich (subsidiair) op hun bescherming als onderhuurder. Gedaagde sub 5 heeft inmiddels tezamen met een dochter van de huurders een andere woning toegewezen gekregen, waar hij op (zeer) korte termijn naar zal verhuizen. De overige gedaagden beroepen zich op hun woonbelang, ten aanzien van een eventueel aanbod van andere huisvesting zijn geen garanties gedaan en de ter sprake gekomen voorstellen zijn niet passend, waardoor een ontruiming kan leiden tot een onaanvaardbare situatie, aldus [gedaagden] 8. betwisten dat Rochdale aanspraak heeft op de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Zij voeren aan dat de wet daarvoor geen grond biedt en voorts dat de vordering onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd is. Beoordeling 9. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt. 10. Gelet op de aard van de vordering en de gebleken omstandigheden heeft Rochdale daarbij voldoende spoedeisend belang. Of de vordering geschikt is om in kort geding te worden beslist zal hierna blijken. 11. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van Rochdale in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. 12. Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagden] op structurele wijze onrechtmatige overlast aan omwonenden en derden veroorzaken en dat de huurders tekort schieten als goed huurder, heeft Rochdale een ‘zeer verkorte samenvatting van de overlasthistorie’ overgelegd. Deze samenvatting vormt echter slechts een verklaring van Rochdale zelf en vermeldt geen (althans te weinig) concrete data, namen en andere bijzonderheden. De juistheid van die verklaring is slechts beperkt controleerbaar en [gedaagden] worden belemmerd in hun verweer daartegen. Aan deze samenvatting kan daarom slechts beperkte betekenis worden toegekend. Mede gelet op de overige stukken wordt daaruit wel voldoende aannemelijk dat (ook) omwonenden hebben geklaagd over gedragingen van [gedaagden] Dat [gedaagden] deze gedragingen ook daadwerkelijk hebben verricht kan daaruit echter niet met voldoende aannemelijkheid worden vastgesteld. 13. Rochdale heeft geen klachtbrieven overgelegd. Zij heeft gesteld dat direct omwonenden en anderen niet openlijk klachten durven te uiten, althans weigeren om akkoord te gaan met het door Rochdale gebruiken van klachten met vermelding van gegevens over de klager, vanwege intimidatie door [gedaagden] betwisten dat zij omwonenden of anderen hebben geïntimideerd. 14. Door de ter zitting aanwezige wijkagenten is bevestigd dat zij van omwonenden hebben vernomen dat deze overlast ondervinden van [gedaagden] en voorts dat zij door [gedaagden] worden geïntimideerd, onder meer doordat [gedaagden] omwonenden waarschuwden dat zij problemen zouden krijgen indien zij met klachten over [gedaagden] naar de politie zouden gaan. Gelet op de consistente verklaringen van de wijkagent is dit voldoende aannemelijk geworden, temeer daar gedaagde sub 2 tijdens de zitting heeft verklaard ‘als de buren liegen, krijgen zij problemen met ons’. 15. Noch de door [gedaagden] overgelegde verklaringen van buurtbewoners, noch het feit dat door Rochdale geen camerabeelden zijn overgelegd, doen af aan het voorgaande. Voor zover daarop adressen zijn vermeld, blijken de door [gedaagden] overgelegde verklaringen geen van alle afkomstig van de direct omwonenden. Zij sluiten intimidatie van die direct omwonenden niet uit. Dat geen camerabeelden zijn overgelegd heeft Rochdale verklaard uit het feit dat deze beelden op privacygronden slechts worden bekeken indien een klacht daartoe aanleiding geeft, hetgeen (op éénmaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.