vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/517773 / HA ZA 12-641 Vonnis van 19 juni 2013 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. R.A.M. Schram, tegen 1 [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. F.A.M. Knüppe, 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. F.A.M. Knüppe, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] , gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde, advocaat mr. S. Kok. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] (afzonderlijk [gedaagde]en [bedrijf 1]) worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 5 september 2012, waarbij het in de incidenten [bedrijf 1] en [gedaagde]is toegestaan om [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in vrijwaring te doen dagvaarden en in de hoofdzaak de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde]en [bedrijf 1], de conclusie van antwoord van [gedaagde], de conclusie van antwoord van [bedrijf 1], met producties, het tussenvonnis van 31 oktober 2012, waarbij een comparitie is bepaald, - het proces-verbaal van de op 8 februari 2013 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen, - de akte houdende uitlatingen na comparitie van partijen van [eiser] van 27 maart 2013, - de akte uitlating deskundigenbericht van [bedrijf 1] van 27 maart 2013, - de fax van [bedrijf 1] van 5 april 2013, met één productie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is eigenaresse van de woning aan de [straat] te [woonplaats] (hierna: de woning). De woning dateert uit circa 1920 en is op staal gefundeerd. 2.2. [gedaagde]is eigenaar van de daarnaast gelegen woning aan de [straat] te [woonplaats]. 2.3. [bedrijf 1] is een aannemingsbedrijf en houdt zich voornamelijk bezig met betonwerkzaamheden. [bedrijf 1] is een kelderspecialist. 2.4. In 2009 heeft [gedaagde]opdracht verstrekt aan [bedrijf 1] voor de bouw van een kelder onder zijn nieuw te bouwen woning. [bedrijf 1] heeft voor de werkzaamheden met betrekking tot de damwanden, het grondwerk en de bemaling [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) als onderaannemer ingeschakeld. 2.5. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben een inventarisatie van de omliggende woningen gemaakt in verband met het gevaar voor verzakkingen. Uit die inventarisatie bleek dat de woning van [eiser] niet was onderheid. 2.6. In opdracht van [bedrijf 2] heeft Ingenieursbureau [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) op 15 mei 2009 een rapport uitgebracht over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. 2.7. Vervolgens heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden in aanwezigheid van [gedaagde], [bedrijf 1] en [bedrijf 2] om de risico’s te bespreken. Daarbij is afgesproken dat [bedrijf 2] een nulmeting zou laten uitvoeren, waarbij de bouwkundige staat van onder meer de woning van [eiser] zou worden vastgelegd. Verder werd daarbij afgesproken dat de damwand aan de zijde van [eiser] tot de hoek van haar woning in de grond zou blijven zitten. Ook werd afgesproken dat [gedaagde]het rapport van [bedrijf 3] voorafgaand aan de bouw ter beoordeling en goedkeuring zou voorleggen aan de bouwdirectie van [gedaagde]. 2.8. Voorafgaande aan de bouw van de kelder heeft het [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]) in opdracht van [bedrijf 2] de afgesproken nulmeting uitgevoerd en neergelegd in een vooropname rapport van december 2009. Uit dit rapport blijkt dat de vooropname vrij globaal heeft plaatsgevonden en dat niet van alle gebreken foto’s zijn gemaakt. 2.9. De bouwdirectie heeft het rapport van [bedrijf 3] op 30 november 2009 goedgekeurd en ondertekend. 2.10. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn overeengekomen dat [bedrijf 1] het bouwproject onder zou brengen bij haar CAR- verzekeraar, Nationale Nederlanden (hierna: NN). NN heeft [bedrijf 1] op 8 december 2009 bericht bereid te zijn tot dekking over te gaan onder bepaalde specifieke voorwaarden, waaronder het uitvoeren en vastleggen van een deformatiemeting, het opstellen van een meetprotocol en het beveiligen van de bemalingsinstallatie. 2.11. De bouw van de kelder heeft van december 2009 tot en met februari 2010 plaatsgevonden. [bedrijf 2] is eind 2009 begonnen met het zetten van damwanden. Begin januari 2010 heeft [bedrijf 2] heiwerk verricht en de kelder uitgegraven. Vanaf 18 januari 2010 heeft [bedrijf 1] het beton van de kelder gestort. [bedrijf 2] is tussen 12 en 18 februari 2010 overgegaan tot het verwijderen van de damwanden. 2.12. Bij brief van 21 januari 2010 heeft [eiser] [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade aan de woning. 2.13. Monumentenwacht heeft op 9 en 29 april 2010 en op 28 september 2010 drie inspectierapporten met betrekking tot de woning van [eiser] opgesteld. 2.14. In opdracht van NN heeft EMN Expertise op 13 oktober 2010 een deskundigenrapport opgesteld, waaruit blijkt dat niet is voldaan aan de door NN gestelde voorwaarden betreffende de deformatiemeting, het meetprotocol en de beveiliging van de bemalingsinstallatie. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft NN [bedrijf 1] bericht dat zij om die reden geen dekking verleent voor de ontstane schade. [bedrijf 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.15. In opdracht van [eiser] heeft [bedrijf 4] Ingenieursbureau (hierna: [bedrijf 4]) deformatiemetingen verricht in de periode van april tot augustus 2010 en de bevindingen in een rapport van 21 oktober 2010 neergelegd. 2.16. In opdracht van [eiser] heeft [bedrijf 5](hierna: [bedrijf 5]) in een rapport van 12 december 2011 haar bevindingen met betrekking tot een visuele inspectie van de scheurvorming in de woning neergelegd. 2.17. In opdracht van [bedrijf 2] heeft [bedrijf 6] in februari 2012 een heropnamerapport opgesteld om de schade te kunnen vaststellen. 2.18. [bedrijf 6] heeft in opdracht van [bedrijf 1] in oktober 2012 een schaderapport opgesteld met betrekking tot de woning. 2.19. In opdracht van [eiser] heeft [bedrijf 4] een briefrapport van 8 januari 2013 opgesteld naar aanleiding van de geconstateerde verzakkingen en scheurvorming in de woning en op 17 januari 2013 een rapport inzake een nauwkeurigheidswaterpassing. 2.20. Tot op heden zijn er alleen noodreparaties aan de woning van [eiser] verricht. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven: 1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, 2. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] tot betaling van in totaal EUR 75.849,36, te vermeerderen met rente, 3. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding als gevolg van schade aan haar woning en/of het zetten van de fundering, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 4. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. 3.2. De gevorderde schade (EUR 75.849,36) is als volgt gespecificeerd: EUR 5.383,14 aan kosten tot herstel en onderzoek EUR 52.186,72 aan herstelkosten (conform de als productie 11 overgelegde offertes) EUR 3.054,50 aan buitengerechtelijke incassokosten en - EUR 15.225,-- aan gemiste inkomsten. 3.3. [eiser] legt aan haar vordering samengevat het volgende ten grondslag. [gedaagde]heeft zich niet of onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die de bouw van de kelder met bijbehorende grond- en graafwerkzaamheden voor haar woning met zich zouden brengen en aldus onzorgvuldig gehandeld. [gedaagde]was kennelijk op de hoogte van de grote risico’s die met het bouwen van de kelder gepaard zouden gaan, maar hij heeft die risico’s niet met haar besproken, zodat zij geen maatregelen heeft kunnen nemen om (verdere) verzakking te voorkomen. Derhalve is [gedaagde]aansprakelijk voor de door haar geleden en te lijden schade. Ook [bedrijf 1] is op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk als gevolg van de door haar dan wel door [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden. Door voor en tijdens de werkzaamheden onvoldoende voorzorgsmaatregelen te treffen is de fundering van haar woning gaan zetten. Het zetten van de fundering heeft blijkens het rapport van [bedrijf 5]haar oorzaak in een ontspanning in de ondergrond als gevolg van het trekken van een damwand op het perceel van [gedaagde]. Mogelijk heeft het daaraan voorafgaande heien reeds beweging in de grond veroorzaakt en hebben beide werkzaamheden elkaar beïnvloed. Als gevolg van de werkzaamheden is er naar één kant sprake van scheefstand en er is nog geen eindtoestand bereikt. 3.4. [gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Zijn verweer zal hierna, voor zover hier van belang, aan de orde komen. 4De beoordeling aansprakelijkheid [gedaagde] 4.1. heeft betwist dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Hij heeft voor de werkzaamheden een professioneel en op het gebied van kelderwerk deskundig bedrijf ingeschakeld, te weten [bedrijf 1]. Hij mocht op de expertise van [bedrijf 1] vertrouwen. Zoals ook uit het bestek voortvloeit, lag het op de weg van [bedrijf 1] om onderzoek te doen naar de gevolgen van haar werkzaamheden voor de omgeving en/of een vooropname te maken van de naastgelegen panden. Bovendien heeft [gedaagde]opdracht gegeven tot het doen van grondonderzoek en was hij aanwezig bij een bespreking tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de risico’s van het uit te voeren kelderwerk. Afgesproken werd dat [bedrijf 2] zijn werk zou doen overeenkomstig het rapport van [bedrijf 3] en dit is ook zo gebeurd. [gedaagde]heeft voortdurend overleg met [eiser] gepleegd over de ontstane schade en hij heeft er bij [bedrijf 1] op aan gedrongen om de schade met [eiser] te regelen. [gedaagde]had de schade echter niet kunnen voorkomen. Het zijn de werkzaamheden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] die de schade van [eiser] hebben veroorzaakt, aldus steeds [gedaagde]. 4.2. De rechtbank oordeelt als volgt. Met partijen wordt geconstateerd dat de kelderbouw op het terrein van [gedaagde]risico’s meebracht gezien de onstabiele grond in [woonplaats] en de omstandigheid dat de woning van [eiser] op staal is gefundeerd. Niet in geschil is dat [gedaagde]een professioneel en ter zake van kelderbouw deskundige aannemer heeft ingeschakeld voor de werkzaamheden, te weten [bedrijf 1]. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren op de hoogte van de risico’s. Deze risico’s zijn in een gesprek met [gedaagde]besproken. Onbetwist is dat zij [gedaagde]hebben verteld dat de benodigde maatregelen waren genomen om die risico’s binnen aanvaardbare grenzen in te perken. [eiser] heeft [gedaagde]verweten dat hij haar had moeten meedelen dat het een risicovol project betrof en dat er deskundigen waren ingeschakeld. [gedaagde], die geen deskundige is op het onderhavige gebied, mocht echter afgaan op de mededelingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] dat de risico’s voldoende waren ingeperkt. Niet is gebleken dat [gedaagde]niet alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om voor hem voorzienbare schade te voorkomen. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld welke extra maatregelen [gedaagde]had kunnen nemen om schade te voorkomen. De conclusie is dan ook dat [gedaagde]niet aansprakelijk is voor de schade aan de woning van [eiser]. De vordering ten aanzien van [gedaagde]zal bij eindvonnis dan ook worden afgewezen. 4.3. [eiser] zal bij eindvonnis als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [gedaagde]in de hoofdzaak worden veroordeeld. De kosten in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde]worden begroot op: - griffierecht EUR 821,00 - kosten advocaat EUR 1.788,00 (2,0 punten x tarief EUR 894,00) Totaal EUR 2.609,00 4.4. In de omstandigheid dat [eiser] zich met betrekking tot het door [gedaagde]opgeworpen vrijwaringsincident heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, wordt aanleiding gezien om bij eindvonnis de kosten van het incident te compenseren. aansprakelijkheid [bedrijf 1] 4.5. [bedrijf 1] heeft betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [bedrijf 1] heeft [eiser] ten aanzien van de onrechtmatigheid en causaliteit te weinig gesteld. Als er al sprake is van een fout bij de uitvoering van de kelderwerkzaamheden, hetgeen wordt betwist, dan heeft [bedrijf 2] die fout gemaakt. Voor fouten van [bedrijf 2] is [bedrijf 1] niet aansprakelijk, omdat geen sprake is van een eenheid van onderneming tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als bedoeld in artikel 6:171 BW. [bedrijf 2] heeft haar werkzaamheden immers niet ter uitoefening van het bedrijf van [bedrijf 1] uitgevoerd. [eiser] was hiervan op de hoogte. De bedrijfsuitoefening van [bedrijf 1] is totaal verschillend van die van [bedrijf 2] en zij waren bovendien niet gelijktijdig op de bouwplaats aanwezig. 4.6. Geoordeeld wordt als volgt. [eiser] is geen deskundige op het onderhavige gebied, zodat aan haar stelplicht geen hoge eisen gesteld kunnen worden. [eiser] heeft wat betreft de oorzaak van de schade gesteld dat het trekken van de damwand de verzakking heeft veroorzaakt en dat het daaraan voorafgaande heien met zwaar materieel de schade mede kan hebben veroorzaakt. Ook heeft zij aangevoerd dat is nagelaten om voor de aanvang van de werkzaamheden meetbouten aan te brengen, hetgeen de verzekering overigens ook als voorwaarde heeft gesteld, als gevolg waarvan de eerste tekenen van zakking niet zijn opgemerkt. Verder heeft [eiser] gesteld dat als toen wel die meetbouten waren aangebracht, het werk waarschijnlijk zou zijn stilgelegd om onderzoek te doen, waarna wellicht maatregelen getroffen hadden kunnen worden om (verdere) verzakking te voorkomen/verminderen. Die mogelijkheid is echter onbenut gebleven. Aldus heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld op dit punt. aansprakelijkheid [bedrijf 1] voor fouten van [bedrijf 2] 4.7. [eiser] stelt dat fouten zijn gemaakt bij 1) het plaatsen van de damwanden, 2) het afgraven, 3) het heien en 4) dan wel het trekken van de damwanden. Voor zover dit door [bedrijf 2] uitgevoerde werkzaamheden betreffen, staat ter beoordeling of [bedrijf 1] voor die werkzaamheden van [bedrijf 2] aansprakelijk is. Artikel 6:171 BW vestigt een risico-aansprakelijkheid van [bedrijf 1] als hoofdaannemer voor de werkzaamheden van [bedrijf 2] als onderaannemer indien sprake is van een zekere eenheid van onderneming. Uitgangspunt hierbij is in het onderhavige geval of [eiser] [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als een eenheid van onderneming mocht beschouwen (a). Daarnaast is van belang of objectief bezien sprake is van een zekere eenheid van ondernemersactiviteiten (b). Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.