uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 13/425 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres (gemachtigde mr. WJ.A. Vis), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde K. van Ingen). Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen dat eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt met ingang van 1 oktober 2012 verlaagd naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 14 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Bij besluit van 1 juni 2010 heeft verweerder aan eiseres een AOW-pensioen toegekend naar de norm van een alleenstaande.
- Eisers is op 19 september 2012 met de heer [A] getrouwd. Bij brief van 25 augustus 2012 had eiseres verweerder op de hoogte gesteld van haar voornemen daartoe.
- Bij het primaire besluit heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres gewijzigd naar de norm van een gehuwde. Verweerder heeft bepaald dat eiseres € 702,69 per maand krijgt.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht is besloten het AOW-pensioen te wijzigen naar de norm van een gehuwde omdat eiseres is getrouwd en niet is gebleken dat sprake is van duurzaam gescheiden leven van de echtgenoten vanaf de huwelijksdatum. Verweerder acht daarbij van belang dat eiseres en haar echtgenoot regelmatig bij elkaar verblijven, namelijk wekelijks in het weekeinde, en bij elkaar in elkaars woning overnachten. Voorts acht verweerder van belang dat de overige activiteiten die eiseres en haar echtgenoot met elkaar ondernemen (vakantie, uitjes, het ontvangen van bezoek) sociaal van aard zijn en frequent plaatsvinden. Dat eiseres gehuwd is onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen maakt een en ander niet anders, aldus verweerder.
- Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven vanaf het moment van hun huwelijk. Zij voert daartoe aan dat zij en haar echtgenoot beiden op hun eigen adres woonden en wonen, in Amsterdam respectievelijk in Friesland. Zij stelt dat zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren en ook niet de bedoeling hebben dat in de toekomst te doen. Ook hun financiën zijn gescheiden, aldus eiseres. Door het huwelijk is geen enkele wijziging gekomen in de feitelijke situatie van voor hun huwelijk, toen zowel eiseres als haar echtgenoot een AOW-pensioen kregen naar de norm van de alleenstaande. Zij en haar echtgenoot kunnen niet hun woonkosten en andere lasten te delen, aldus eiseres, en zij vindt het daarom onterecht dat zij een lager pensioen krijgt. 6.
- Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december
- Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari
- 6.
- In artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwde mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 6.
- In artikel 9, eerste lid, van de AOW is bepaald dat deze wet een bruto ouderdomspensioen kent voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. 6.
- In artikel 17, eerste lid, van de AOW is bepaald dat het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken ofherzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet ofniet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
- In dit geding is de vraag aan de orde of sprake is van duurzaam gescheiden leven van eiseres en haar echtgenoot vanaf de huwelijksdatum, zoals bedoeld in artikel I, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. 8.
- De rechtbank overweegt dat in het algemeen aangenomen kan worden dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken huwelijkspartners de intentie hebben een echtelijke samenleving, al dan niet op termijn, aan te gaan. Niettemin is het niet uitgesloten dat onder omstandigheden reeds vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. In dat geval moet dit ondubbelzinnig dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. 8.
- In dat kader wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) waaruit volgt dat van duurzaam gescheiden leven sprake is indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 mei 2012, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2012:BW
- De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat eiseres en haar echtgenoot regelmatig bij elkaar verblijven, namelijk elk weekeinde, afwisselend in het woonhuis van eiseres in Amsterdam en dat van haar echtgenoot in Friesland. Voorts besteden zij hun vakanties gezamenlijk, al dan niet (mede) in het gezelschap van vrienden. Daarnaast ondernemen zij gezamenlijk, eveneens al dan niet in gezelschap van vrienden, andere sociale activiteiten ('uitjes') en ontvangen zij gezamenlijk bezoek. Voorts blijkt uit het door verweerder overgelegde dubbelinterview met eiseres en haar echtgenoot, zoals gepubliceerd op [2013] in de Volkskrant, dat eiseres wanneer haar echtgenoot bij haar is, de boodschappen betaalt en dat zij haar echtgenoot soms fêteert door een gezamenlijke reis te betalen. In dit interview, waarvan de inhoud door eiseres niet is betwist, verklaart eiseres voorts dat zij bij zou springen als haar echtgenoot in de financiële problemen zou komen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk geworden dat er sprake is van een situatie waarin eiseres en haar echtgenoot ieder hun eigen leven leiden als waren zij niet met elkaar gehuwd. De omstandigheden dat eiseres en haar echtgenoot op verschillende adressen ingeschreven zijn en dat het huwelijk is gesloten onder huwelijkse voorwaarden en buiten elke vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
- Eiseres heeft aangevoerd dat zij, net als niet-samenwonende ongehuwde personen, haar woonkosten en andere lasten niet kan delen met haar echtgenoot. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat zij een beroep bedoelt te doen op het discriminatieverbod. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad het discriminatieverbod niet met zich meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932). Er is pas sprake van discriminatie als een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Verder is van belang dat aan de wetgever op het gebied van de sociale verzekering een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van gelijke gevallen, en zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Uit onderdeel 4.5 van de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7267, blijkt dat het onderhavige verschil in behandeling tussen gehuwden en niet-gehuwden verband houdt met het feit dat echtgenoten op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) een afdwingbare zorgverplichting tegenover elkaar hebben. De sociaal-economische band tussen echtgenoten die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden. Aldus kan niet worden gezegd dat - als al sprake is van gelijke gevallen - de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden te maken. Om die reden kan deze grond van eiseres dan ook niet slagen.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober
- de griffier de rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bÜ de Centrale Raad van Beroep. Afschrift verzonden op: D:C SB