RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/701759-13 Datum uitspraak: 28 november 2013 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [plaats] op [1957], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres] en daar feitelijk verblijvend. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Louman, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. M.F. Wijngaarden en T.J. Kodrzycki, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 11 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8491,33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende qat, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3Voorvragen 3.1 Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. 3.2 Ontvankelijkheid officier van justitie 3.2.1 Standpunt van de verdediging De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de ‘Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19’ door te dagvaarden. Bij gebreke aan een speciale richtlijn voor qat, dient deze richtlijn te worden toegepast en deze richtlijn stelt dat pas bij meer dan 1 kilogram softdrugs een dagvaarding moet volgen. De in de tenlastelegging vermelde hoeveelheid qat is een gebruikershoeveelheid en staat gelijk aan minder dan 1 kilogram wiet. De richtlijn stelt dat pas bij meer dan 1 kilogram softdrugs een dagvaarding moet volgen. 3.2.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft een vervolgingsrichtlijn opgesteld ten aanzien van hennep, niet ten aanzien van qat. Van dagvaarden in strijd met een vervolgingsrichtlijn is dus geen sprake. 3.2.3 Oordeel van de rechtbank Vooropgesteld moet worden dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadslieden aldus dat een beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel. Van belang is vast te stellen dat in de Aanwijzing Opiumwet (2012A021, in werking getreden op 1 januari 2013) niet expliciet melding is gemaakt van een vervolgingsbeleid betreffende qat. Dat bevreemdt niet, aangezien qat pas sinds 5 januari 2013 op de bij de Opiumwet behorende lijst II is geplaatst. Slechts voor een aantal middelen van lijst II is bepaald voor welke hoeveelheden in beginsel niet wordt vervolgd, dan wel eerst een strafbeschikking wordt opgelegd alvorens tot dagvaarding wordt overgegaan. Het is niet aan de rechtbank te bepalen wat met betrekking tot qat geldt als een ‘geringe hoeveelheid voor eigen gebruik’. Verdachte kan aan deze regeling, merkt de rechtbank ambtshalve op, niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben ontleend dat hij niet vervolgd zou worden. Daarnaast geldt de Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19 (in werking getreden op 1 juli 2011), waarnaar de raadslieden verwijzen. Deze richtlijn is blijkens de toelichting van toepassing op alle middelen van lijst II, behalve de zogenoemde paddo’s. Natuurlijk was bij de inwerkingtreding het bezit van qat niet strafbaar, maar dat doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het ruim geformuleerde toepassingsbereik. Anders gezegd: de richtlijn is nu ook van toepassing op qat. Dit oordeel vindt overigens bevestiging in de nota van toelichting bij het besluit tot strafbaarstelling van qat. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in die nota geschreven dat handhaving van het verbod op qat ‘binnen de bestaande kaders’ zal plaatsvinden. Uit de Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19 valt op te maken dat als uitgangspunt heeft te gelden dat pas wordt gedagvaard voor het bezit van softdrugs vanaf een gewicht van 1000 gram, zonder onderscheid naar soort softdrugs. Aangezien verdachte wordt verweten ongeveer 8,5 kilo qat voorhanden te hebben gehad, kon hij ook aan deze regeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor het aanwezig hebben van deze hoeveelheid qat. 3.3 Schorsing van de vervolging Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. 4.2 Standpunt van de verdediging De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De rapporten van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut kunnen niet worden gekoppeld aan het in deze zaak (onder meer onder verdachte) in beslag genomen materiaal ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit qat was. Er kan dus niet worden vastgesteld dat het materiaal dat onder verdachte in beslag is genomen ook daadwerkelijk qat is. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 april 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8491,33 gram qat, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. 5Het bewijs en bewijsoverwegingen Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die in een eventuele aanvulling op dit verkorte vonnis zullen worden opgenomen. Bewijsoverwegingen De politie heeft op 12 april 2013 in en om het pand [GBA adres] in [plaats] onder verdachte en vier medeverdachten materiaal in beslag genomen ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit qat was. Het materiaal dat onder verdachte in beslag is genomen, zat in twee dozen en een tas. Van het materiaal dat in de twee dozen zat, is per doos een afzonderlijk monster genomen. Van het materiaal dat in de tas zat, is geen monster genomen. Ten aanzien van de vier medeverdachten geldt dat van het materiaal dat onder hen afzonderlijk in beslag is genomen telkens één monster is afgenomen. In totaal zijn dus zes monsters afgenomen. In het dossier zitten zes rapporten van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut die ieder afzonderlijk betrekking hebben op onderzoek naar een monster ‘takjes en blaadjes’. De rapporten bevatten steeds dezelfde conclusie: het onderzochte materiaal is geïdentificeerd als qat; Catha edulis Forsk. Terzijde merkt de rechtbank op dat deze conclusies niet moeten worden verward met de, ook in alle zes de rapporten getrokken, conclusie dat de monsters het werkzame bestanddeel cathinon bevatten. Dat is een middel dat op lijst I van de Opiumwet staat. Ten aanzien van de zes afzonderlijke rapporten kan niet worden vastgesteld op welk monster het rapport ziet. Weliswaar is in de rapporten bij de monsters telkens een kenmerk vermeld, maar de koppeling van deze kenmerken aan de zes monsters die zijn genomen van het materiaal dat onder verdachte en de medeverdachten in beslag is genomen, ontbreekt in het dossier. Er kan dus niet per rapport worden vastgesteld op welk (onder welke verdachte) in beslag genomen materiaal het betrekking heeft. In de rapporten is echter wel telkens een politieregistratienummer vermeld dat overeenkomst met het registratienummer op de kennisgevingen van inbeslagneming
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.