RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/665034-13 (Promis) Datum uitspraak: 5 december 2013 VONNIS van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [plaats] op [1991], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J. Cnossen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij zich op 9 januari 2013 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan: 1. primair: Medeplegen van doodslag van [persoon 1], gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een (poging tot) diefstal met geweld en/of afpersing, welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die (poging tot) diefstal en/of afpersing voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of de andere deelnemer straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; subsidiar: Afpersing en/of diefstal met geweld van goederen toebehorende aan [persoon 1], gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl dat feit de dood van die [persoon 1] ten gevolge heeft gehad; meer subsidiair: Poging tot afpersing en/of diefstal met geweld van goederen toebehorende aan [persoon 1], gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl dat feit de dood van die [persoon 1] ten gevolge heeft gehad; 2. Medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [persoon 1], ten gevolge waarvan die [persoon 1] is overleden. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 3Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde heeft zij daartoe, onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir, - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Verdachte en de medeverdachte zijn de woning van [persoon 1] binnengedrongen met het oogmerk het slachtoffer met geweld en/of bedreiging met geweld van zijn geld te beroven. Verdachte en de medeverdachte hebben bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van dit geweld zou komen te overlijden door, voorzien van tape en een koevoet, de woning van het slachtoffer binnen te dringen om het slachtoffer te overmeesteren en hem vervolgens op de grond onder bedwang te houden door op hem te zitten, zijn hals en/of keel dicht te knijpen, hem met de koevoet tegen zijn hoofd te slaan en zijn armen, benen en mond te tapen. Uit de rapportage van de patholoog blijkt dat [persoon 1] als gevolg van door verdachte en medeverdachte toegepast geweld, is overleden. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader, ook met betrekking tot alle geweldshandelingen. Deze vonden plaats in elkaars bijzijn in de kleine hal van de woning. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw stelt zich op nader in haar pleitaantekeningen omschreven gronden – kort samengevat – op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde alsmede van de strafverzwarende omstandigheid van het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde. Uit de aard van de gedragingen en de gevolgen kan niet worden afgeleid dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin. Weliswaar is er door verdachte en de medeverdachte bruut gehandeld tegen het slachtoffer, maar de geweldshandelingen zijn niet dusdanig geweest dat naar algemene ervaringsregels gezegd kan worden dat als gevolg daarvan de kans aanmerkelijk was dat de dood zou intreden. Voorts ontbreekt het causaal verband tussen het door de verdachten aangewende geweld en de dood van het slachtoffer. Het is niet waarschijnlijk dat dit geweld de onmisbare schakel is geweest tussen de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer, omdat het naar haar aard niet geschikt genoeg is om het fatale letsel te veroorzaken. Bij wijze van alternatief scenario is bovendien zeker niet uitgesloten dat iemand anders dan verdachte en de medeverdachte, nadat zij de woning hadden verlaten, geweld op het slachtoffer heeft toegepast als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Niet valt uit te sluiten dat mevrouw [persoon 3] hierbij een cruciale en bepalende rol heeft gespeeld. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop deze bewezenverklaring steunt, de overtuiging gekregen, en acht dan ook bewezen, dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals beschreven in rubriek 5. De rechtbank betrekt in haar nadere overwegingen de door de officier van justitie en de raadsvrouw aangevoerde standpunten. 4.3.2. Nadere bewijsoverwegingen Feit 1 primair: (voorwaardelijk) opzet op de dood Voor beoordeling van de vraag of verdachten opzet hadden op de dood van [persoon 1] gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de bewijsmiddelen. De rechtbank acht aannemelijk dat het verdachte en medeverdachte [persoon 2] aanvankelijk voor ogen stond de beroving zo stil mogelijk en met zo min mogelijk geweld te laten verlopen. Ze hadden het plan opgevat zich voor te doen als de bezorger van een postpakketje, [persoon 1] na opening van de deur te dwingen naar de woonkamer te gaan, hem aldaar onder dwang op de bank te doen plaatsnemen, zijn handen te tapen en vervolgens te dwingen te vertellen waar het geld lag. Reeds na opening van de deur van de woning door [persoon 1] verloopt de situatie echter anders dan verdachten vooraf hadden bedacht. [persoon 2] duwt [persoon 1] naar achteren. In plaats van achteruit de gang in te gaan komen beiden door de duw ten val in de gang en ontstaat er gelijk paniek. Er gaat met veel lawaai een tafeltje omver. [persoon 1] blijkt zich bovendien flink te verzetten. [persoon 2] gaat bovenop [persoon 1] zitten en drukt hem tegen de grond. Verdachte probeert vervolgens de voeten en handen van [persoon 1] vast te binden met tape. Omdat hij zich blijft verzetten geeft [verdachte] [persoon 1] een schop tegen zijn benen en besluiten verdachten hem ook nog een klap, naar eigen zeggen ‘een tikje’, met een meegenomen koevoet op zijn hoofd te geven. Op aanwijzingen van [verdachte] doet [persoon 2] dit met de bolle kant van de koevoet. De tik met de koevoet heeft een verwonding veroorzaakt bij [persoon 1]. [persoon 1] is hierdoor mogelijk ook buiten bewustzijn geraakt. Dat deze klap echter niet zodanig hard is aangekomen dat dit een bijdrage heeft geleverd aan het inreden van de dood, vindt zijn bevestiging in de rapportage van het NFI. Vervolgens worden de handen, de voeten en de mond van [persoon 1] vastgebonden / dichtgeplakt met tape. De neus wordt vrijgelaten. Verdachten gaan vervolgens in de woning op zoek naar geld maar kunnen niets vinden en merken al snel dat het niet goed gaat met het slachtoffer. Ze leggen [persoon 1] op zijn zij met een kussentje onder zijn hoofd, halen de tape weg bij zijn mond en verlaten zonder geld gehaast de woning. Ze spoeden zich naar de woning van verdachte [verdachte] om tegen zijn moeder, medeverdachte [persoon 3], te zeggen dat het niet goed gaat met [persoon 1] en dat zij naar de woning van [persoon 1] moet gaan om hem te helpen . De rechtbank is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden weliswaar kan worden afgeleid dat beide verdachten opzet hadden om geweld uit te oefenen tegen [persoon 1], maar dat daar niet uit volgt dat zij daadwerkelijk de bedoeling - en daarmee ‘boos’ opzet - hadden om [persoon 1] van het leven te beroven. De rechtbank is voorts, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de aard van de gedragingen van de verdachten en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht ook niet kan worden afgeleid dat de verdachten willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [persoon 1] als gevolg van hun handelen zou komen te overlijden. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd. Feit 1 subsidiair: (poging tot) diefstal De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat van een voltooide diefstal of afpersing geen sprake is. Feit 1 meer subsidiair: causaal verband tussen de geweldshandelingen en de dood Door verdachte en medeverdachte [persoon 2] zijn op 9 januari 2013 tegen [persoon 1] diverse geweldshandelingen toegepast. Eén daarvan vond plaats direct na het openen van de voordeur door [persoon 1]. [verdachte] heeft hierover op 31 januari 2013 bij de politie verklaard dat [persoon 2] [persoon 1], nadat hij hem het pakketje had overhandigd, met twee handen bij de keel greep. Ter terechtzitting zijn beelden van het verhoor van [verdachte] bij de politie getoond waarop hij desgevraagd voordoet wat hij zag dat [persoon 2] deed. De rechtbank heeft op die beelden waargenomen dat [verdachte] daarbij als plaats waar [persoon 2] [persoon 1] heeft vastgepakt, het gebied onderaan de hals, ter hoogte van het sleutelbeen, aanduidt. In het rapport van het pathologischonderzoek worden door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) bij [persoon 1] onder andere letsels in de hals vastgesteld die passen bij het op deze wijze uitoefenen van geweld. Voorts is door verdachten verklaard dat zij de mond van [persoon 1] met tape hebben afgeplakt. Dit komt overeen met door het NFI vastgestelde letsels in het gelaat van [persoon 1]. Het NFI komt tot de conclusie dat het intreden van de dood van [persoon 1] goed kan worden verklaard door verwikkelingen van het door hen geconstateerde geweld op de hals en het gelaat. De rechtbank neemt deze conclusie van het NFI over. Nu behoudens het door verdachten uitgeoefende geweld op geen enkele wijze van een andere aannemelijke oorzaak voor deze letsels is gebleken, kan het intreden van de dood redelijkerwijs aan verdachte en de medeverdachte worden toegerekend. De rechtbank verwerpt het verweer. Alternatief scenario De verdediging heeft ter onderbouwing van een alternatief scenario een tijdlijn uitgezet op basis van met name verklaringen van verdachten [verdachte] en [persoon 2] alsmede historische telefoongegevens.. De verdediging komt op basis daarvan tot de conclusie dat medeverdachte [persoon 3] veel meer tijd in de woning van [persoon 1] heeft verbleven alvorens het alarmnummer 112 te bellen, dan door de politie wordt verondersteld. Zowel bij het volgen van de door de verdediging geconstrueerde tijdslijn als bij die van de politie heeft medeverdachte [persoon 3] gedurende enige tijd in de woning van [persoon 1] verbleven nadat [verdachte] en [persoon 2] deze hadden verlaten. Zelfs indien zou worden uitgegaan van de stelling dat [persoon 3] gedurende langere tijd in de woning verbleef dan door de politie wordt aangenomen, dan nog is geen enkele aanwijzing in het dossier voorhanden, en heeft de verdediging ook geen feiten en omstandigheden genoemd, waaruit blijkt dat [persoon 3] fysiek geweld tegen [persoon 1] heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. meer subsidiair: op 09 januari 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een aanzienlijk geldbedrag toebehorende aan [persoon 1], en die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld tegen die [persoon 1], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden, met zijn mededader, - naar de woning van die [persoon 1] zijn gegaan en - aldaar hebben aangebeld en - nadat die [persoon 1] de deur van die woning had geopend met kracht die [persoon 1] die woning hebben ingeduwd en - die woning zijn binnen gegaan en - tegen het lichaam van die [persoon 1] hebben geschopt en - met een koevoet tegen het hoofd van die [persoon 1] hebben geslagen en - vervolgens met tape de handen en benen van die [persoon 1] hebben vastgebonden en tape over de mond van die [persoon 1] hebben geplakt en - met kracht met hun handen de hals van die [persoon 1] hebben dicht gedrukt en - die woning hebben doorzocht, terwijl dat feit de dood van die [persoon 1] ten gevolge heeft gehad; 2. op 09 januari 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [persoon 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met tape de benen en armen van die [persoon 1] vastgebonden en tape over de mond van die [persoon 1] geplakt. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf en maatregel 8.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de bevindingen en conclusies van de psycholoog Haveman van grote invloed dienen te zijn op de strafmaat. Verdachte is enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en functioneert op het niveau van een 16-jarige. Dit zou aanleiding moeten zijn om een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de richtlijn/oriëntatiepunten aanbevelen. Daarbij dient ook in overweging te worden genomen dat verdachte hulp heeft geboden aan het slachtoffer en snel na zijn aanhouding heeft bekend en meermalen zijn spijt heeft betuigd Verder heeft verdachte geen strafblad dat meetelt. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft tezamen met zijn mededader de 76 jarige [persoon 1] op klaarlichte dag in zijn eigen woning overvallen. Door zich voor te doen als postbezorger weten zij het slachtoffer te bewegen de voordeur te openen. Het slachtoffer wordt vervolgens meteen hardhandig achterover geduwd. Ondanks zijn hoge leeftijd probeert [persoon 1] zich naar vermogen te verweren, maar hij vormt uiteraard geen partij voor de twee jonge daders. Medeverdachte [persoon 2] is bovenop [persoon 1] gaan zitten en nadat hij hem een klap met een meegenomen koevoet op zijn hoofd heeft gegeven staakt [persoon 1] zijn verzet. De handen en benen worden door verdachte vastgebonden en ook zijn mond wordt afgeplakt met een stuk tape. Vervolgens hebben beide daders de woning doorzocht maar daarbij niet het geld aangetroffen dat daar volgens de moeder van verdachte had moeten liggen. Al spoedig is het vervolgens duidelijk voor de daders dat het niet goed gaat met [persoon 1]. In plaats van medische hulp in te roepen is dit voor hen aanleiding zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Zij leggen [persoon 1] nog wel eerst op zijn zij maar spoeden zich vervolgens naar de woning van verdachte om daar zijn moeder, medeverdachte [persoon 3] te vragen verder voor het slachtoffer te zorgen. Als moeder even later arriveert en de hulpdiensten inschakelt blijkt reanimatie echter niet meer mogelijk. Later die avond overlijdt [persoon 1] in het ziekenhuis. Deze zeer beangstigende situatie in zijn huis, heeft [persoon 1] afschuwelijke laatste momenten van zijn leven bezorgd. Verdachte en zijn mededader hebben de nabestaanden van [persoon 1] onherstelbaar leed bezorgd. Zij ondervinden thans en zullen, naar de ervaring leert, nog gedurende langere tijd te maken krijgen met de nadelige psychische gevolgen van het verlies van hun familielid. Dit is ter zitting door een nicht van [persoon 1] nader toegelicht. Feiten als het onderhavige veroorzaken bovendien grote maatschappelijke onrust en versterken de in de samenleving aanwezige gevoelens van onrust en onveiligheid. Hoewel de rechtbank er van uit gaat dat verdachten nooit de opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad, zijn het alleen deze verdachten die, uitsluitend handelend uit geldelijk gewin, verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de kort na de overval ingetreden dood van het slachtoffer. De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de psycholoog [persoon 4] d.d. 2 april 2013, die tot de conclusie komt dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van [persoon 5], psycholoog, d.d. 29 oktober 2013. Deze komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van een zwakbegaafde intelligentie. Ten tijde van het ten laste gelegde was er naast deze beperking sprake van cannabis afhankelijkheid en alcoholmisbruik. Geadviseerd wordt verdachte voor de ten laste gelegde feiten als ten minste enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank zal -net als de officier van justitie en de raadsvrouwe- dit laatste advies overnemen. Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank de nog jeugdige leeftijd van verdachte in aanmerking alsmede dat uit een uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke ernstige delicten is veroordeeld. Ook betrekt zij hierbij de proceshouding van verdachte, die heeft bekend bij het misdrijf betrokken te zijn geweest. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, bij verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer aanwezig acht, ook niet in voorwaardelijke zin, bestaat er aanleiding tot oplegging van een lagere straf dan geëist. Desalniettemin is alleen een gevangenisstraf van aanzienlijk duur passend en geboden. In aansluiting bij de oriëntatiepunten die de rechtbank bij het bepalen van de straf en strafmaat in soortgelijke zaken (overval in een woning met geweld) hanteert, geldt daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van vijf jaren. Gezien de bijzondere ernst van het misdrijf zoals naar voren komt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden, waarbij met name het overlijden van [persoon 1] verdachte zwaar wordt aangerekend, zal de rechtbank verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te noemen duur. De rechtbank ziet in de bevindingen van de psycholoog geen aanleiding verdachte een andere of lagere straf op te leggen dan mededader [persoon 2], nu daarvoor de rol van verdachte bij het misdrijf te zeer bepalend en, met name ook in de geweldsuitoefening, vergelijkbaar met die van de mededader is geweest. Bovendien is de mededader slechts op initiatief van verdachte bij de zaak betrokken geraakt. Verbeurdverklaring Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: een rol plakband (kleur: grijs). Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [persoon 6] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 meer subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze conform de vordering op € 7.220,76 (zevenduizend tweehonderdtwintig euro en zesenzeventig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [persoon 6] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. Verdachte en zijn medeverdachten [persoon 2] en [persoon 3] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het bedrag. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 10Beslissing Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde: Poging tot diefstal voorafgegaan van geweld gericht tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en terwijl het feit de dood tot gevolg heeft. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart verbeurd: - een rol plakband (kleur: grijs) Wijst de vordering van [persoon 6], wonende te [plaats], toe tot € 7.220,76 (zevenduizend tweehonderdtwintig euro en zesenzeventig cent). Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 6] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 6], aan de Staat € 7.220,76 (zevenduizend tweehonderdtwintig euro en zesenzeventig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 71 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Gelast de teruggave aan verdachte van: - een jas (kleur: zwart) Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. J.W. Moors en C.C.M. Oude Hengel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2013. De jongste rechter is buiten staat het vonnis te ondertekenen. Bijlage 1 Volledige tekst van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat, 1. hij op of omstreeks 09 januari 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [persoon 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.