RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/710170-12 (Promis) Datum uitspraak: 21 maart 2013 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [plaats] op [1968], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats]. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Dontje en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.C.M. Brand, naar voren hebben gebracht. 2. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2012 tot en met 11 december 2012, te Amsterdam en/of te Vleuten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(
(2)de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld geeft, zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel terzijde behoort te worden gesteld, zodat het op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat de desbetreffende geldbedragen geheel of gedeeltelijk - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig waren. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. Gerechtvaardigd vermoeden? Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door verdachte verrichte handelingen ten aanzien van de aangetroffen geldbedragen plaatsvonden onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen zijn aan te merken. Verdachte heeft op 21 september 2012 een geldbedrag van 194.745 euro voorhanden gehad en aan de medeverdachte overgedragen. Op maandag 10 december 2012 heeft verdachte 49.840 euro ontvangen van een Marokkaans uitziende man op straat bij de Mod Group en in de kofferbank van zijn auto gelegd. Op dinsdag 11 december 2012 heeft hij dit geldbedrag uit de kofferbak gehaald, mee naar huis genomen, in een andere tas gedaan en weer in zijn auto gelegd. Op 11 december 2012 heeft verdachte een bedrag van EUR 100.000 euro in ontvangst genomen. Voornoemde drie bedragen zijn telkens in bundels van contant geld aangetroffen in plastic zakken zonder enige verdere bescherming. Deze bundels van geld bestonden onder meer uit coupures van 200 euro, 100 euro en 50 eurobiljetten. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het in plastic tassen vervoeren en overhandigen van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. Daarbij komt dat onderling werd gecommuniceerd aan de hand van versluierd taalgebruik en dat de overdrachtscontacten zo anoniem mogelijk van aard waren. Dit wordt afgeleid uit het volgende. Verdachte heeft tijdens het politieverhoor van 12 december 2012 verklaard dat hij soms wordt gebeld door iemand die vraagt of hij hem kan zien en ophangt als verdachte vraagt waarom, dat die persoon dan later terugbelt en zegt dat hij hem wil zien omdat hij wat voor hem heeft; “I got something for you”. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 21 september 2012 een plastic tas met geld naar een man (later bleek deze man de medeverdachte te zijn) moest brengen en tegen deze man moest zeggen dat hij “meneer [X]” was. Verdachte had deze man nooit eerder gezien, aldus verdachte. Tijdens het politieverhoor van 12 december 2012 heeft verdachte verklaard dat hij het geld aan deze man afgaf nadat deze op verdachte was toe komen lopen, hem een hand had gegeven en gezegd had: ‘You come for me’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard ook de namen van de personen van wie hij op 10 en 11 december de geldbedragen ontving, niet te kennen. Verdachte heeft aan de beoogde ontvanger van deze geldbedragen, een Engelsman, een sms gestuurd omdat hij van zijn baas niet met hem mag praten. Blijkens de verklaring van verdachte tijdens het politieverhoor van 13 december 2012 stond die Engelsman onder de codenaam “[codenaam]” in een mobiele telefoon van verdachte geprogrammeerd. De door verdachte tijdens het politieverhoor van 12 december 2012 genoemde naam “[A]”, ter aanduiding van de Pakistaanse man die hem belde wanneer hij geld moest komen halen, blijkt niet voor te komen in de politiesystemen. Deze uit de bewijsmiddelen naar voren komende omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen. Verifieerbare verklaring? Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gefungeerd als koerier in het kader van Hawala-bankieren. Hij werd door een Pakistaan gebeld en kreeg van hem de opdracht om in Amsterdam Noord geld op te halen. Op zowel 10 december 2012 als op 11 december 2012 ontving verdachte een plastic tas met geld van een Turkse of Marokkaanse man. Beide bedragen waren bedoeld voor een Engelsman. Voorafgaand aan een geldtransactie werd, zo heeft verdachte verklaard, regelmatig per telefoon of sms een tokennummer verstrekt. Met de ontvanger van het geld werd vervolgens een afspraak gemaakt. Vervolgens werd tijdens een zeer korte ontmoeting en na bekendmaking van het tokennummer de tas met geld overgedragen. Hawala-bankieren is een systeem van ondergronds bankieren dat binnen bepaalde etnische groeperingen, onder andere binnen Pakistaanse gemeenschappen, wordt gebruikt voor het overboeken van gelden tussen personen in migratielanden en personen in het land van herkomst. Uit onderzoeken is gebleken dat door middel van Hawala-bankieren wereldwijd zeer grote geldstromen afkomstig uit legale inkomstenbronnen worden verplaatst en dat Hawala-bankieren als zodanig niet (primair) is gericht op criminele gelden. Indien – mogelijk – sprake is van Hawala-bankieren, kan gelet op deze specifieke wijze van bankieren, niet reeds vanuit het zich voordoen van verscheidene witwastypologieën worden vastgesteld dat het gaat om transacties met criminele gelden. Verdachte heeft in opdracht van een Pakistaanse man geldtransacties verricht en heeft geld ontvangen van een Turkse of Marokkaanse man. Dit geld was uiteindelijk bedoeld voor een Engelsman. Tevens heeft verdachte een geldbedrag van 194.745 euro aan de medeverdachte – een Nederlander – overhandigd. Hieruit blijkt dat de geldtransacties niet binnen een sociale -, of familiekring of etnische groepering plaatsvonden, hetgeen kenmerkend is voor Hawala-bankieren met legaal geld. Verdachte heeft geen gegevens verstrekt op grond waarvan de juistheid van zijn verklaring dat sprake was van Hawala-bankieren kan worden geverifieerd, zoals bijvoorbeeld het bestaan van administratieve gegevens die zijn terug te voeren naar identificeerbare personen, concrete onderliggende (commerciële) transacties die de herkomst van de geldbedragen kunnen verklaren dan wel specifieke informatie omtrent de bestemming van die geldbedragen. Dit had wel op zijn weg gelegen, gelet op voormeld gerechtvaardigd vermoeden dat sprake is van witwassen. De door de raadsman ter terechtzitting aangevoerde omstandigheid dat de desbetreffende transacties werden geïnitieerd vlakbij het World Fashion Center, is – anders dan de raadsman meent – onvoldoende om daaruit de mogelijkheid van een legale herkomst, te weten legale commerciële kledingtransacties, af te leiden. Het dossier biedt overigens geen enkele aanwijzing voor de mogelijkheid dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. Uit de bewijsmiddelen zijn daarentegen wel nog de volgende contra-indicaties voor een legale herkomst van de desbetreffende geldbedragen te destilleren. Verdachte maakte gebruik van tokennummers, welke hoofdzakelijk worden gebruikt door personen die aanspraak maken op uitbetaling en op deze wijze anoniem willen blijven. Typerend voor Hawala-bankieren met legaal geld is juist dat geld in vertrouwen wordt overhandigd, zodat familie en vrienden het in het buitenland kunnen ontvangen. Het gebruik van tokennummers – om op deze wijze anoniem te blijven – wordt daarom binnen het systeem van Hawala-bankieren met legaal geld ongebruikelijk geacht. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij bang is dat hij problemen krijgt met de mensen voor wie hij geldtransacties heeft verricht. Tijdens het politieverhoor van 12 december 2012 heeft verdachte verklaard bang te zijn voor gevaarlijke mensen en wapens. Voorts is niet gebleken dat na de aanhouding van verdachte en de inbeslagname van de geldbedragen iemand het geld heeft opgeëist, hetgeen in de lijn der verwachtingen ligt als het geld een legale herkomst had. Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat de desbetreffende geldtransacties aansluiten bij het systeem van Hawala-bankieren, zoals dat binnen bepaalde etnische groeperingen wordt gebruikt, dan wel dat de geldbedragen anderszins een legale herkomst hebben, bij gebreke van verifieerbaarheid zodanig onwaarschijnlijk moet worden geacht dat deze bij de vorming van het bewijsoordeel terzijde behoort te worden gesteld. Witwassen? Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat het op grond van feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan dan dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Gewoontewitwassen? De rechtbank is, anders dan de verdediging, voorts van oordeel dat gewoontewitwassen bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte geld heeft witgewassen op 21 september 2012, 10 december 2012 en 11 december
- De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van dat witwassen en dat zijn intentie gericht was op deze terugkerende handeling. Dit laatste volgt temeer uit de omstandigheid dat verdachte, blijkens zijn verklaringen tijdens het politieverhoor van 12 december 2012, een afzonderlijke mobiele telefoon had waarop hij slechts werd gebeld door zijn Pakistaanse opdrachtgever, en dat hij een andere mobiele telefoon had waarop alleen de eerder genoemde Engelsman belde. Deze wijze van communiceren zou niet voor de hand liggen als de intentie van verdachte gericht was op een enkele, op zichzelf staande transactie. Verdachte heeft bovendien tijdens het politieverhoor op 12 december 2012 verklaard dat hij 4.000 euro wilde verdienen om een andere auto te kopen. Tijdens het politieverhoor op 13 december 2012 heeft hij verklaard dat hij voor vervoer van 100.000 euro een commissie kreeg van 100 euro, voor 150.000 euro een bedrag van 150 euro, en dat zijn baas hem pas zou betalen zodra een bedrag van 4.000 euro bereikt was. Hieruit blijkt dat financieel gewin de drijfveer van verdachte was en dat ter verkrijging van het door hem gewenste bedrag een reeks van dergelijke transacties noodzakelijk was. Gelet op het voorgaande, kunnen de overige door de officier van justitie en de verdediging aangevoerde standpunten onbesproken blijven.
- Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode vanaf 21 september 2012 tot en met 11 december 2012, te Amsterdam en te Vleuten, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en zijn mededaders in die periode op 21 september 2012 een geldbedrag ter hoogte van 194.745 euro voorhanden gehad en overgedragen, op 10 december 2012 een geldbedrag ter hoogte van 49.840 euro verworven en dit geldbedrag op 10 en 11 december 2012 voorhanden gehad, en op 11 december 2012 een geldbedrag ter hoogte van € 100.000,- euro verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
- De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.
- De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
- Motivering van de straffen en maatregelen 8.
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest. 8.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman, die, zoals hiervoor weergegeven, vrijspraak heeft bepleit, heeft aangevoerd dat, wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, de door de officier van justitie gevorderde straf gematigd dient te worden. Verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en heeft slechts als koerier gefungeerd. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank neemt bij de hierna te noemen strafoplegging het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Verdach-te heeft aanzienlijke geldbedragen, waarvan hij wist dat het uit enig misdrijf afkomstig was, verworven, voorhanden gehad en overgedragen. Witwassen van crimineel geld vormt een be-dreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische ver-keer aan. Het in omloop zijn van dergelijke grote witgewassen geldbedragen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. Gelet op de ernst van het feit, de rol die verdachte daarbij verweten wordt en de mate van ver-onachtzaming van de belangen van de slachtoffers door verdachte, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 februari 2013 betref-fende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder het overtreden van de Wet inzake geldtransactiekantoren, waarvoor verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals besproken ter terechtzitting. De rechtbank ziet aanleiding om hiermee rekening te houden bij de op te leggen straf, in die zin dat de rechtbank een deel van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voorwaardelijk zal opleggen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1 Geld Euro - 2 tassen met geld: 149.840 euro 2 Geld Euro - 11 biljetten van 5 euro 3 Geld Euro - 2 biljetten van 20 euro 4 Geld Euro - 19 biljetten van 50 euro 5 Geld Euro - 1 biljet van 100 euro Verbeurdverklaring De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: geldbedragen (totaal: 149.840 euro) die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is be-gaan.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
- Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van gewoontewitwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Verklaart verbeurd: 1 Geld Euro - 2 tassen met geld: 149.840 euro Gelast de teruggave aan [verdachte] van: 2 Geld Euro - 11 biljetten van 5 euro 3 Geld Euro - 2 biljetten van 20 euro 4 Geld Euro - 19 biljetten van 50 euro 5 Geld Euro - 1 biljet van 100 euro Dit vonnis is gewezen door mr. F. Wieland, voorzitter, mrs. P.J. van Eekeren en J.A.W. Jansen, rechters in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2013.